Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:5003

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
C/09/678695 / FA RK 25-329
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 BWArt. 1:402a BWArt. 289 RvArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wijziging kinderalimentatie afgewezen wegens ontbreken relevante wijziging omstandigheden

Partijen zijn ouders van drie minderjarige kinderen en hebben een ouderschapsplan waarin kinderalimentatie is vastgesteld. De vrouw verzoekt om verhoging van de kinderalimentatie per 1 januari 2023, stellende dat het inkomen van de man hoger is dan eerder aangenomen en dat woonlasten zijn gewijzigd.

De man voert verweer dat de vrouw op de hoogte was van zijn promotie en dat het inkomen reeds in het ouderschapsplan is verwerkt. Ook stelt hij dat het woonbudget uitgangspunt is en dat de feitelijke woonlasten niet relevant zijn. De rechtbank toetst of sprake is van een wijziging van omstandigheden die een aanpassing van de alimentatie rechtvaardigt.

De rechtbank oordeelt dat de wijziging in het maximale netto besteedbaar inkomen volgens de behoeftetabel geen relevante wijziging oplevert, mede omdat de behoefte van de kinderen al op het hoogste niveau is vastgesteld. Ook de promotie van de man en de hypotheekrente leiden niet tot een wijziging. De rechtbank wijst het verzoek af en veroordeelt de vrouw in de proceskosten, omdat de procedure voorkomen had kunnen worden.

Uitkomst: Verzoek tot wijziging kinderalimentatie wordt afgewezen wegens ontbreken van relevante wijziging van omstandigheden; vrouw wordt veroordeeld in proceskosten.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-329
Zaaknummer: C/09/678695
Datum beschikking: 9 februari 2026

Alimentatie

Beschikking op het op 21 januari 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. O. Asscher te Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.D. Leuftink te Amsterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift;
- de brief met bijlagen van 16 december 2025 van de zijde van de vrouw;
- de brief met bijlagen van 29 december 2025 van de zijde van de man.
Op 12 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man en de vrouw met hun advocaten. Van de zijde van de man zijn pleitnotities overgelegd.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2016 te [geboorteplaats 1]; - [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats 1];
- [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2020 te [geboorteplaats 2].
- De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.
- De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
- De ouders zijn op 5 mei 2023 een ouderschapsplan overeengekomen.
Voor zover hier van belang is een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie vastgesteld op € 431,-- per maand zijnde € 143,67 per kind per maand.
- Als gevolg van de wijziging van rechtswege op grond van artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek bedraagt de door de man te betalen kinderalimentatie sinds
1 januari 2025 € 487,47 per maand.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw luidt, na wijziging:
- met ingang van 1 januari 2023, althans met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift de kinderalimentatie op tenminste € 500,-- per kind per maand te bepalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans op zodanig bedrag als de rechtbank juist acht,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken en verzoekt de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding, te weten € 6.381,32.

Beoordeling

Ontvankelijkheid
Standpunt vrouw
De vrouw beroept zich op het eerste lid van artikel 1:401 BW Pro. Dat sprake is van een wijzigingsgrond, is tussen partijen in geschil.
De vrouw stelt dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. De vrouw stelt dat de man niet transparant is geweest over zijn promotie vlak na het opstellen van het ouderschapsplan en dat zijn inkomen hoger blijkt te zijn dan waarvan op dat moment is uitgegaan. Verder heeft de man de (lage) hypotheekrente van de echtelijke woning overgenomen zonder de vrouw daarvoor te compenseren, waardoor hij nu veel lagere woonlasten heeft dan de vrouw. Er moet daarom met de werkelijke woonlasten worden gerekend in plaats van het woonbudget. Verder zijn de alimentatienormen met ingang van
1 januari 2025 gewijzigd en het maximaal besteedbaar inkomen van partijen is verhoogd van € 6.000,-- naar € 7.500,-- per maand.
Standpunt man
De man stelt dat de vrouw op de hoogte was van zijn promotie per januari 2023 en dat bij het opstellen van het ouderschapsplan met zijn nieuwe inkomen is gerekend. De door de vrouw achter het ouderschapsplan gevoegde draagkrachtberekening was geen onderdeel van de ondertekende overeenkomst, terwijl zij wel doet voorkomen alsof dit het geval is. Dat de kinderen als zij bij de man zijn een extra dag per week naar de BSO gaan vanaf 1 september 2024 maakt niet dat de man meer uren kan werken zoals de vrouw stelt. De man werkte al fulltime en aan zijn dienstverband is dus niets veranderd.
In 2023 heeft hij een bruto jaarinkomen van € 149.495,-- (exclusief leaseauto) gegenereerd. In 2024 had de man een inkomen van € 149.884,-- bruto per jaar. De draagkrachtberekening in 2023 ging uit van een inkomen van de man van € 145.996,-- bruto per jaar.
De door de vrouw gestelde wijzigingsgrond dat het maximale netto besteedbaar inkomen van partijen is van verhoogd van € 6.000,-- naar € 7.500,-- per maand is onjuist omdat het maximale NIBUD-bedrag is verhoogd.
Er is daarom volgens de man geen sprake van een wijziging van omstandigheden. Het lijkt meer te gaan om de verdeelsleutel die de vrouw veranderd wil zien. Ook ten aanzien van de woonlasten is geen wijziging van omstandigheden gelegen. Partijen hebben elkaar finale kwijting verleend en de bij het convenant getroffen regelingen zijn geen onderdeel van deze procedure. Dat de man het rentepercentage van de hypotheek heeft kunnen meeverhuizen naar zijn nieuwe woning is geen reden om van het woonbudget af te wijken.
Wettelijk kader
Een overeenkomst kan worden gewijzigd op de grond dat sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor het aanvankelijk overeengekomen bedrag niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet (artikel 1:401 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek).
Het moet hierbij gaan om een wijziging van de omstandigheden, zoals die door de rechter op het moment van de beslissing is vastgesteld, dan wel van de omstandigheden waarvan partijen op dat moment zijn uitgegaan. Hiérna moet zich dus een wijziging in die omstandigheden hebben voorgedaan of sprake zijn van nieuwe omstandigheden waarmee eerder geen rekening had kunnen worden gehouden. Niet iedere wijziging van omstandigheden is voldoende voor een wijzing van de overeengekomen alimentatie. Het moet gaan om een wijziging waardoor het aanvankelijk overeengekomen bedrag niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet.
Oordeel rechtbank
De rechtbank neemt de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (het rapport) als uitgangspunt.
De kosten van de kinderen zijn door de ouders conform de gangbare tabellen begroot op het hoogste tabelbedrag van € 1.565,--. Deze kosten zijn gebaseerd op de tabellen van het Nibud bij het gemaximeerde netto gezinsinkomen vanaf € 6.000,-- per maand.
De behoeftetabel behorend bij het rapport had tot 1 januari 2025 een plafond-bedrag van € 6.000,- en vanaf 1 januari 2025 € 7.500,-- per maand als hoogste netto besteedbaar gezinsinkomen.
De stelling van de vrouw dat de gangbare tabellen met ingang van 1 januari 2025 zijn opgehoogd naar een netto gezinsinkomen van € 7.500,-- per maand maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. Zelfs indien dit wel het geval zou zijn, levert dit geen rechtens relevante wijziging van omstandigheden op. De rechtbank licht dit als volgt toe. De behoefte van de kinderen is in 2022 bepaald op
€ 1.565,-- per maand. Geïndexeerd naar 2025 is de behoefte van de kinderen dan € 1.830,-- per maand. De kosten voor drie kinderen in de hoogste inkomenscategorie zouden volgens de gangbare tabellen in 2025 € 1.845,-- per maand bedragen. De rechtbank is van oordeel dat een verschil in de behoefte van € 15,-- per maand voor drie kinderen geen rechtens relevante wijziging van omstandigheden oplevert.
Verder stelt de rechtbank vast dat partijen afspraken met elkaar hebben gemaakt die zijn vastgelegd in het ouderschapsplan van 5 mei 2023.
De rechtbank stelt verder vast dat partijen, zowel in 2022 als nu, gelet op hun inkomen in de hoogste categorie vallen en dat daarmee ook de hoogst mogelijke behoefte geldt. Onder deze omstandigheden maakt het geen verschil als dit inkomen hoger wordt, omdat dit geen invloed heeft op de hoogte van de behoefte nu deze al is gemaximeerd.
De rechtbank constateert dat de man de vrouw destijds op de hoogte heeft gebracht van zijn nieuwe salaris (inclusief promotie). Bij de berekening zoals die destijds bij het opstellen van het ouderschapsplan is gemaakt, is van dit (nieuwe) salaris uitgegaan, zodat ook deze stelling geen wijziging van omstandigheden oplevert.
Dat de man de (lage) hypotheekrente die voor de echtelijke woning gold heeft kunnen meenemen naar zijn nieuwe woning, levert ook geen rechtens relevante wijziging van omstandigheden op, omdat het systeem uitgaat van een woonbudget en niet van de feitelijke woonlasten. De rechtbank ziet in hetgeen is gesteld en op zitting is besproken geen aanleiding om af te wijken van het hanteren van het woonbudget. Het kan zijn dat de vrouw zich door de man financieel benadeeld voelt door de gang van zaken rondom deze hypotheekrente, maar daarvoor is in deze procedure geen plaats nu dit geen rol speelt bij de vaststelling of wijziging van kinderalimentatie.
Ook uitgaande van de huidige financiële gegevens is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een wijziging van omstandigheden. De rechtbank sluit op dit punt aan bij de berekening die namens de man in het geding is gebracht en waaruit volgt dat de bijdrage die de man voldoet niet te laag is.
Ook de stelling van de vrouw dat rust voor de kinderen een grondslag is om tot wijziging van de kinderalimentatie te komen, volgt de rechtbank niet.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw afwijzen omdat er geen sprake is van een wijziging van omstandigheden die maakt dat de huidige door de man te betalen kinderalimentatie moet worden aangepast dan wel dat de kinderalimentatie niet meer voldoet aan de wettelijke maatstaven.
De rechtbank hoopt in het belang van de kinderen dat de ouders hun strijd over de financiën zullen staken, dat er niet langer bedragen met de kinderalimentatie worden verrekend en dat de kinderalimentatie op tijd wordt voldaan, zodat iedereen weet waar hij/zij aan toe is en hierover geen discussie kan ontstaan.
Proceskosten
De man heeft verzocht de vrouw te veroordelen in primair de feitelijke proceskosten ten bedrage van € 6.381,32 en subsidiair de forfaitaire proceskosten, zowel primair al subsidiair te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf zeven dagen na betekening van de uitspraak. Hij stelt hiertoe dat de wijze van procederen, alsook de onwaarheden in het verzoekschrift rechtvaardigen dat de vrouw hiertoe zal worden veroordeeld.
De vrouw heeft hierover op zitting aangegeven dat zij wel belang had bij het starten van deze procedure omdat zij zich destijds bij het opstellen van het ouderschapsplan gedwongen heeft gevoeld overal mee in te stemmen.
De rechtbank overweegt als volgt.
Op grond van artikel 289 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in samenhang bezien met artikel 237 en Pro verder Rv, kan de rechtbank – al dan niet ambtshalve – een proceskostenveroordeling uitspreken.
In verzoekschriftprocedures tussen ex-partners wordt terughoudend omgegaan met een proceskostenveroordeling om te voorkomen dat de relatie tussen partijen verder wordt belast. In veel gevallen moeten partijen nog met elkaar door, bijvoorbeeld als ouders van hun kinderen, wat in deze situatie ook het geval is. Als hoofdregel geldt dan ook dat de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Slechts in uitzonderlijke gevallen wordt van deze hoofdregel afgeweken, bijvoorbeeld als kosten zijn ontstaan door een onredelijke houding van de wederpartij. Deze nodeloze kosten kunnen dan ten laste worden gebracht van de partij die deze heeft veroorzaakt.
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval aanleiding is om af te wijken van genoemd uitgangspunt, omdat het geschil tussen de ouders niet aan de rechtbank had behoeven te worden voorgelegd. Bij de vaststelling van het ouderschapsplan waren (dezelfde) advocaten betrokken van zowel de man als de vrouw, zodat beide partijen hierbij zijn bijgestaan door professionals. Niet is gebleken dat hierbij is uitgegaan van onjuiste financiële gegevens waarbij de man de vrouw met opzet onjuist zou hebben voorgelicht.
De rechtbank is gelet op al deze omstandigheden tezamen van oordeel dat de onderhavige procedure voorkomen had kunnen worden en zal de vrouw daarom veroordelen in de proceskosten. De rechtbank ziet hierbij geen aanleiding om uit te gaan van de feitelijke proceskosten, maar zal deze begroten op grond van het gebruikelijke forfaitaire systeem.
De rechtbank begroot de door de vrouw aan de man te betalen forfaitaire proceskosten met betrekking tot deze procedure op € 331,-- aan het door de man verschuldigd griffierecht (tarief 2025) en op € 1.042,-- aan advocaatkosten (op basis van het liquidatietarief civiel, uitgaande van twee punten vermenigvuldigd met tarief I ad € 521,- per punt).

Beslissing

De rechtbank:
veroordeelt de vrouw in de kosten van dit geding, tot op heden aan de zijde van de man vastgesteld op € 331,-- aan griffierecht en € 1.042,-- aan salaris, te vermeerderen met de nakosten, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf zeven dagen na betekening van deze beschikking tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, rechter, bijgestaan door
D. van den Born als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 9 februari 2026.