ECLI:NL:RBDHA:2026:5002

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
C/09/676114 / FA RK 24-8410
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:56 BWArt. 815 lid 2 RvArt. 815 lid 6 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding van geregistreerd partnerschap wegens duurzame ontwrichting

De vrouw verzocht de rechtbank Den Haag om ontbinding van het geregistreerd partnerschap dat zij in 2013 met de man was aangegaan. Uit dit partnerschap is een minderjarige geboren in 2024. De vrouw heeft de Poolse nationaliteit, de man de Turkse, en het kind bezit beide nationaliteiten.

De man werd openbaar opgeroepen voor een zitting maar verscheen niet, waarna de zaak op de stukken werd afgedaan. De vrouw had een verzoek ingediend tot ontkenning van het vaderschap van de man en gerechtelijke vaststelling van het ouderschap, lopend onder een ander zaaknummer.

De rechtbank stelde vast dat het wettelijk vereiste ouderschapsplan ontbrak, maar ging hieraan voorbij omdat de vrouw aannemelijk had gemaakt dat de man sinds 2015 onvindbaar is en geen contact meer onderhoudt. De rechtbank oordeelde dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en Nederlands recht toepasselijk is.

De vrouw stelde dat het geregistreerd partnerschap duurzaam is ontwricht, hetgeen door de man niet werd betwist. De rechtbank wees het verzoek tot ontbinding toe en sprak de ontbinding uit op 9 februari 2026.

Uitkomst: De rechtbank spreekt de ontbinding uit van het geregistreerd partnerschap wegens duurzame ontwrichting.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-8410
Zaaknummer: C/09/676114
Datum beschikking: 9 februari 2026

Ontbinding geregistreerd partnerschap

Beschikking op het op 21 november 2024 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. L.F. Niemantsverdriet-Wensink in ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,
volgens de Registratie Niet-Ingezetenen met woonplaats onbekend.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen, namens de vrouw;
  • het bericht van 13 december 2024, met bijlagen, namens de vrouw;
  • het bericht van 18 december 2024, met bijlagen, namens de vrouw.
De man is openbaar opgeroepen voor een zogenaamde RNI-zitting op 15 december 2025 door middel van een advertentie in de Staatscourant van 14 november 2025. De man is niet op de zitting verschenen, zodat de zaak op de stukken zal worden afgedaan.

Feiten

- De vrouw en de man zijn een geregistreerd partnerschap aangegaan op
[datum] 2013 in ’s-Gravenhage.
  • Uit het geregistreerd partnerschap is geboren de minderjarige:
  • [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats].
  • De vrouw heeft de Poolse nationaliteit. De man heeft de Turkse nationaliteit. [minderjarige] heeft de Poolse en de Turkse nationaliteit.
  • Op 8 januari 2025 heeft de vrouw een verzoek ingediend tot ontkenning van het vaderschap van de man en de gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van [naam] over [minderjarige], geregistreerd onder zaak- en rekestnummer C/09/678744 en
FA RK 25-351.

Verzoek

De vrouw verzoekt de ontbinding van het geregistreerd partnerschap van partijen uit te spreken.

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten in Nederland was en de vrouw daar nog verblijft, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe.
De rechtbank zal op grond van artikel 10:56 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat geen door beide ouders ondertekend ouderschapsplan is overgelegd. Op grond van artikel 815 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van beide ouders over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding waarbij minderjarige kinderen zijn betrokken, heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv Pro).
De vrouw heeft onweersproken gesteld dat zij en de man in 2014 feitelijk uit elkaar zijn gegaan en dat de man toen plotseling is vertrokken. Begin 2015 heeft de vrouw hem na een adresonderzoek laten uitschrijven van haar woonadres. Sindsdien heeft zij geen contact meer met hem en zij weet niet waar hij verblijft.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw hiermee voldoende heeft gemotiveerd dat het niet mogelijk is geweest een door beide ouders getekend ouderschapsplan over te leggen. De rechtbank zal daarom voorbij gaan aan het vereiste van artikel 815 lid 2 Rv Pro.
Nu aan de overige wettelijke formaliteiten is voldaan, zal de rechtbank de vrouw ontvangen in haar verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft gesteld dat het geregistreerd partnerschap duurzaam is ontwricht. De man heeft dit niet betwist, zodat het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap als op de wet gegrond kan worden toegewezen.

Beslissing

De rechtbank:
spreekt uit de ontbinding van het geregistreerde partnerschap tussen partijen, aangegaan op [datum] 2013 in ’s-Gravenhage.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechter, bijgestaan door mr. P.M.A. van Oosten als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 9 februari 2026.