Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:4984

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
C/09/697967 / FA RK 26-511
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming vervangend gegeven voor skivakantie minderjarige ondanks zorgen vader

De moeder verzocht de rechtbank om vervangende toestemming te verlenen voor drie vakanties met de minderjarige kinderen, waaronder een skivakantie met een georganiseerde jongerenreis. De vader maakte bezwaar vanwege zorgen over het gedrag van de jongste minderjarige, die problemen op school zou hebben, regelmatig zou vapet en alcohol zou drinken, en onvoldoende respect zou tonen voor gezag.

Tijdens de zitting bleek dat het gedrag van de minderjarige in de afgelopen maanden was verbeterd en dat de moeder een positieve verklaring van de schoolmentor overhandigde. De vader kon zijn stelling dat het nu niet goed gaat met het kind niet nader onderbouwen. De rechtbank nam ook mee dat de vader sinds een incident in september 2025 geen fysiek contact meer heeft met de minderjarige en daardoor minder zicht heeft op diens ontwikkeling.

De rechtbank oordeelde dat er geen aanleiding was om de skivakantie met professionele begeleiding te weigeren en verleende de moeder vervangende toestemming voor de skireis. Voor de zomervakantie en herfstvakantie wees de rechtbank het verzoek af wegens gebrek aan belang, omdat de vader inmiddels toestemming had gegeven. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De rechtbank verleent vervangende toestemming aan de moeder voor de skivakantie van de jongste minderjarige met een professionele reisorganisatie.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 26-511
Zaaknummer: C/09/697967
Datum beschikking: 9 februari 2026

Gezagsuitoefening

Beschikking op het op 17 januari 2026 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. drs. Y.M. Bérénos te Leiden.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. I.M. van der Drift te Honselersdijk, gemeente Westland.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift, met bijlagen;
- de brief van 3 februari 2026, met bijlagen, van de zijde van de vader.
Op 6 februari 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Verzoek en verweer

De moeder heeft in het kader van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht:
haar toestemming te verlenen, die de toestemming van de vader vervangt, om de minderjarige [de minderjarige 2] met reisorganisatie [organisatie] naar [land 1] te laten afreizen tijdens de periode van 13 februari 2026 tot en met 22 februari 2026, alwaar [de minderjarige 2] zal verblijven te [adres 1] ;
haar toestemming te verlenen, die de toestemming van de vader vervangt, om met de minderjarige [de minderjarige 1] en de minderjarige [de minderjarige 2] naar [plaats 1] , [land 2] , af te reizen van 12 augustus 2026 tot en met 28 augustus 2026 alwaar zij met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zal verblijven op camping [camping] (adres: [adres 2] );
haar toestemming te verlenen, die de toestemming van de vader vervangt, om met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] naar [plaats 2] , [land 2] , af te reizen van 16 oktober 2026 tot en met 20 oktober 2026 alwaar zij met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zal verblijven in hotel [hotel] ;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2007 tot [datum 2] 2017.
- Zij zijn de ouders van de volgende thans nog minderjarige kinderen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te
[geboorteplaats 1] ,
- [de minderjarige 2] (hierna ook: [de minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum 2] 2011 te [geboorteplaats 2] .
- De minderjarigen hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarigen uit.

Beoordeling

Op grond van het eerste lid van artikel 1:253a BW kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hierover op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
De rechtbank heeft ter zitting een vergelijk tussen partijen beproefd, maar dit heeft slechts gedeeltelijk tot een resultaat geleid.
Vervangende toestemming skivakantie [de minderjarige 2]
De moeder heeft ter onderbouwing van haar verzoek onder meer het volgende gesteld.
[de minderjarige 2] wil graag met een vriend naar [land 1] om te skiën. Dit is een georganiseerde groepsreis met [organisatie] , een gespecialiseerde aanbieder voor jongerenreizen. Tijdens de reis is sprake van permanent toezicht door professionele, ervaren begeleiders van [organisatie] , zowel op de piste als daarbuiten. De begeleiding is 24/7 aanwezig en verantwoordelijk voor de groep. [de minderjarige 2] is gedurende de reis bereikbaar via zijn mobiele telefoon. Daarnaast zijn de begeleiders van [organisatie] bereikbaar voor ouders/verzorgers en fungeert [organisatie] als vast aanspreekpunt gedurende de reis.
De vader heeft, ondanks dat [de minderjarige 2] geen ervaring heeft met skiën, geen bezwaar tegen een wintersportvakantie, maar wel tegen een jongerenskivakantie zonder ouderlijk toezicht. De vader heeft hiertoe onder meer het volgende aangevoerd. De vader heeft grote zorgen over het gedrag van [de minderjarige 2] . Het gaat niet goed op school. [de minderjarige 2] staat voor meerdere vakken een onvoldoende en hij heeft zijn aandacht bij andere zaken. De vader begrijpt dat [de minderjarige 2] veel van huis is en veel met vrienden rondhangt. [de minderjarige 2] vapet regelmatig en drinkt alcohol, ondanks dat hij slechts 14 jaar oud is. [de minderjarige 2] ondermijnt het ouderlijk gezag en houdt zich niet aan afspraken. Gelet op het gedrag van [de minderjarige 2] heeft de vader er onvoldoende vertrouwen in dat de skireis probleemloos verloopt. [de minderjarige 2] heeft een autoriteitsprobleem en de vader is van mening dat de begeleiders van [organisatie] , studenten waarschijnlijk in de leeftijdscategorie 18 tot 25 jaar, onvoldoende overwicht aan [de minderjarige 2] kunnen bieden. [de minderjarige 2] is op dit moment sterk beïnvloedbaar door groepsdruk, wat bij de vader de zorg oproept dat [de minderjarige 2] tijdens een reis met een grote groep leeftijdsgenoten roekeloos of zelfs strafbaar gedrag zou kunnen vertonen.
De rechtbank zal de moeder vervangende toestemming verlenen, die de toestemming van de vader vervangt, om [de minderjarige 2] met reisorganisatie [organisatie] naar [land 1] te laten afreizen, zoals door de moeder verzocht en overweegt daartoe als volgt.
Op de zitting is duidelijk geworden dat tussen de ouders niet in geschil is dat het de afgelopen zomer in de maanden juli tot en met september niet zo goed ging met [de minderjarige 2] en dat [de minderjarige 2] duidelijke grenzen nodig heeft. De moeder heeft naar voren gebracht dat zij als ouders [de minderjarige 2] samen hebben gecorrigeerd en dat [de minderjarige 2] het gedrag dat hij die drie maanden vertoonde niet meer heeft laten zien. Volgens de moeder wordt [de minderjarige 2] verkeerd neergezet door de vader en is het een lieve jongen. Ter onderbouwing hiervan heeft de moeder op de zitting een email van de mentor van de school van [de minderjarige 2] voorgelezen. In deze email geeft de mentor kort samengevat aan dat het goed gaat met [de minderjarige 2] op school, dat hij een prettige leerling is en dat zijn cijfers prima zijn. De vader heeft op de zitting beaamt dat [de minderjarige 2] een lieve jongen is, maar heeft aangegeven dat hij zich niet kan voorstellen dat het goed gaat met [de minderjarige 2] . De vader heeft zijn stelling dat het nu niet goed gaat met [de minderjarige 2] na de betwisting door de moeder niet nader onderbouwd. Dit maakt dat de rechtbank aan deze stelling van de vader voorbij gaat. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de vader al langere tijd, namelijk sinds een incident tussen [de minderjarige 2] en de vader in september 2025, geen fysiek contact heeft met [de minderjarige 2] en daardoor minder zicht heeft op de ontwikkeling van [de minderjarige 2] . Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank geen aanleiding te veronderstellen dat het onverantwoord is dat [de minderjarige 2] met reisorganisatie [organisatie] op skireis gaat.
Vervangende toestemming zomervakantie en herfstvakantie
De moeder heeft in haar verzoekschrift naar voren gebracht dat de vader haar op 16 januari 2026 toestemmingsformulieren voor de zomervakantie en herfstvakantie heeft toegestuurd, maar dat de vader geen kopie van zijn identiteitsbewijs heeft bijgevoegd. Op de zitting heeft de vader alsnog aan de moeder een kopie van zijn identiteitsbewijs overhandigd. Nu de moeder hiermee de vereiste toestemming van de vader heeft voor beide vakanties zal de rechtbank de verzoeken van de moeder als genoemd onder II en III bij gebrek aan belang afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:
verleent de moeder toestemming, die de toestemming van de vader vervangt, om de minderjarige [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2011 te [geboorteplaats 2] , met reisorganisatie [organisatie] naar [land 1] te laten afreizen tijdens de periode van 13 februari 2026 tot en met 22 februari 2026, alwaar [de minderjarige 2] zal verblijven te [adres 1] ;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, in tegenwoordigheid van P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 februari 2026.