Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.De procedure
2.De feiten
Indien de woning aan partijen gezamenlijk toebehoort, dragen partijen de lasten verbonden aan de financiering van de woning, met uitzondering van de in artikel 3 lid 2 bedoelde Pro renten en kosten, naar verhouding van ieders aandeel in de woning. (…)”
3.Het geschil
primair: de woning wordt toegedeeld aan de man onder de voorwaarde dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de daarop rustende hypothecaire schuld en betaling van de helft van de overwaarde aan de vrouw, met verrekening van de helft van de door de man betaalde hypotheeklasten (rente en aflossing) en alle andere eigenaarslasten,
subsidiair, namelijk indien de man de financiering van de woning niet rond kan krijgen of hiervan wenst af te zien: de woning wordt verkocht aan een derde met verdeling van de overwaarde bij helfte, waarbij tegelijkertijd de vrouw aan de man dient te betalen de helft van de door de man betaalde hypotheeklasten (rente en aflossing) en alle andere eigenaarslasten;
€ 19.050,88. Gelet op de onderbouwing van de hoogte van de door de man betaalde bedragen aan aflossing en rente, en het gegeven dat dit eerste bedrag overeenkomst met het totaal aan afgeloste bedragen op de hypotheekschuld, begrijpt de rechtbank dat het hier gaat om een kennelijke fout en de man een bedrag vordert van € 19.050,88.
4.De beoordeling
€ 370.000 bedraagt en de hypothecaire schuld beperkt is tot een bedrag van € 230.725, zodat de aan de vrouw toekomende overwaarde ruimschoots voldoende zal zijn om haar deel van bedoelde bedragen aan aflossingen en rente mee te betalen. Hetzelfde geldt voor de hierna te bespreken bedragen die zij aan aflossingen en rente verschuldigd is aan de man inzake de pandbeleningen.
naar verhouding van ieders aandeel in de woning”, aldus ieder de helft (artikel 10 lid Pro 2). De rechtbank begrijpt dat daarnaast ook geld is geleend bij het Pandhuis op momenten dat partijen de dagelijkse kosten niet konden betalen. Wat betreft de kosten van de gemeenschappelijke huishouding bepaalt de samenlevingsovereenkomst dat, voor zover de inkomens van partijen onvoldoende zijn, de kosten worden gedragen naar evenredigheid van ieders vermogen. Uitgaande van het vermogen van partijen bestaande uit een aandeel van vijftig procent in de woning, betekent dit dat de vrouw ook wat betreft de pandbeleningen die met dit doel zijn aangegaan, de helft van de aflossingen moet betalen. Ook over de periode dat de samenlevingsovereenkomst van toepassing was, moet de vrouw dus de helft van de van de door de man afgeloste bedragen te betalen.
kosten van de gemeenschappelijke huishouding” betreffen waaraan de vrouw moet bijdragen naar evenredigheid van haar inkomen en het inkomen van de man (artikel 3 lid 1 en Pro 2). Ook voor deze rente geldt dat de man op geen enkele wijze, al dan niet door middel van stukken, heeft toegelicht dat de draagkracht van de vrouw op basis van haar inkomen ertoe leidt dat zij een deel van deze kosten moest betalen. Deze bedragen zijn dus niet toewijsbaar.