ECLI:NL:RBDHA:2026:4953

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
NL26.9683
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwVreemdelingenwet 2000DublinverordeningArrest HvJ EU 8 november 2022, C-704/20 en C-39/21
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling maatregel van bewaring op grond van artikel 59a Vreemdelingenwet

De minister van Asiel en Migratie legde op 18 februari 2026 een maatregel van bewaring op aan eiseres op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet. Eiseres stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De minister hief de bewaring op op 3 maart 2026 vanwege overdracht aan Zweden, maar eiseres handhaafde het beroep. De rechtbank behandelde het beroep op 6 maart 2026.

De minister baseerde de bewaring op zware gronden zoals het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen, het onttrekken aan toezicht, het verstrekken van onjuiste gegevens en het niet meewerken aan overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat. Daarnaast werden lichte gronden genoemd zoals het niet naleven van verplichtingen, het ontbreken van een vaste woonplaats en onvoldoende middelen van bestaan. Eiseres betwistte deze gronden niet.

De rechtbank oordeelde dat eiseres onder de categorie vreemdelingen valt waarvoor bewaring is toegestaan en dat er een concreet aanknopingspunt is voor overdracht aan Zweden. Hoewel eiseres stelde dat bijzondere omstandigheden en haar zwangerschap een lichter middel rechtvaardigden, vond de rechtbank dat de minister terecht geen lichter middel toepaste gezien het risico op onttrekking en het eerdere frustreren van vrijwillige overdracht.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel niet onrechtmatig was, dat de minister voortvarend handelde en dat er voldoende zicht was op overdracht. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.9683

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres,

V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. M. Pater),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Inleiding

1. De minister heeft op 18 februari 2026 aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a van de Vw [1] opgelegd.
1.1.
Eiseres heeft tegen de maatregel van bewaring op beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
Op 3 maart 2026 heeft de minister de bewaring opgeheven, omdat eiseres is overgedragen aan Zweden. De gemachtigde van eiseres heeft de rechtbank laten weten het beroep te handhaven.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2026 op zitting behandeld. Mr. Pater is verschenen op de rechtbank in Groningen. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres:
(zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3e. in verband met haar aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft
verstrekt met betrekking tot haar identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een
andere lidstaat;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek.
(lichte gronden)
4a. zich niet aan één of meer andere voor de vreemdeling geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
Voortraject
3. De rechtbank stelt vast dat eiseres de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
4. De rechtbank is van oordeel dat eiseres valt onder de in artikel 59a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht zoals bedoeld in de Dublinverordening. Op 24 april 2025 heeft eiseres een overdrachtsbesluit gekregen, omdat Zweden verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielaanvraag.
Gronden
5. De zware en lichte gronden zijn door eiseres op de zitting niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat de zware en lichte gronden aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd en dat deze, in samenhang gezien, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de minister dat een significant risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken.
Lichter middel
6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in haar geval sprake was van bijzondere omstandigheden die hadden moeten leiden tot de toepassing van een lichter middel. Hoewel er voldoende gronden aanwezig waren voor het opleggen van de maatregel, was er geen sprake van een significant risico op onttrekking. Eiseres wilde in eerste instantie niet terugkeren naar Zweden vanwege de ervaringen met haar schoonvader die ze daar heeft gehad. Na een gesprek met Vluchtelingenwerk heeft ze besloten toch terug te willen keren, en heeft ze zich gemeld in Ter Apel. Hierbij speelt mee dat eiseres in verwachting is. Omdat eiseres sindsdien haar medewerking verleent, was er geen noodzaak voor de maatregel van bewaring.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiseres een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven. Dat eiseres nu stelt te willen meewerken aan de overdracht doet hier niet aan af. Eiseres heeft namelijk eerder de kans gehad om vrijwillig te vertrekken, maar heeft haar gepland overdracht van 16 juli 2025 gefrustreerd door niet te verschijnen. Vervolgens is zij met onbekende bestemming vertrokken. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende medewerking verleend aan haar overdracht. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat een lichter middel niet doeltreffend kon worden toegepast.
6.2.
Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen of medische omstandigheden van eiseres die de bewaring voor haar onevenredig bezwarend maken, en waarin de minister aanleiding had moeten zien om aan eiseres een lichter middel dan bewaring op te leggen. De rechtbank overweegt dat eiseres verbleef in Zeist, en dat dit detentiecentrum speciaal is ingericht voor vrouwen en gezinnen. Daarbij is niet gebleken dat de medische dienst in het detentiecentrum ontoereikend is om eiseres voor haar klachten en zwangerschap te behandelen. Het is de rechtbank verder niet gebleken dat eiseres detentieongeschikt is.
Voortvarendheid en zicht op overdracht
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkte aan de overdracht van eiseres en dat zicht op overdracht niet ontbrak. Op 25 februari 2026 is voor eiseres een vlucht aangekondigd. Eiseres is vervolgens op 3 maart 2026 overgedragen aan Zweden.

Conclusie en gevolgen

8. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat het opleggen van de maatregel van bewaring onrechtmatig moet worden geacht. [2]
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier¸ en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Arrest van het Hof van Justitie van 8 november 2022 in de zaak C, B en X tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-704/20 en C-39/21, ECLI:EU:C:2022:858.