ECLI:NL:RBDHA:2026:4938

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
NL25.23112
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.9a VVArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsrecht op grond van Richtlijn Tijdelijke Bescherming voor Oekraïense eiser

Eiser, een Oekraïense nationaliteit, verzocht om tijdelijke bescherming in Nederland op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Verweerder wees dit verzoek af omdat eiser Oekraïne vóór de peildatum van 27 november 2021 had verlaten en toen niet in Nederland verbleef, maar in Tsjechië. Verweerder stelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij bij terugkeer naar Oekraïne de intentie had zich daar duurzaam te vestigen, noch dat hij ten tijde van het uitbreken van het conflict een duurzame relatie had met zijn gestelde partner.

Eiser voerde aan dat hij bij terugkeer wel de intentie had zich duurzaam te vestigen en dat de Richtlijn niet te strikt toegepast mocht worden, mede omdat hij een duurzame relatie had met een persoon die wel onder de Richtlijn viel. De rechtbank oordeelde dat de toepasselijke wettelijke regeling (artikel 3.9a VV) ziet op personen die tussen 27 november 2021 en 24 februari 2022 Oekraïne verlieten en dat eiser buiten deze termijn viel.

De rechtbank stelde vast dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd voor zijn intentie tot duurzaam verblijf in Oekraïne na terugkeer en voor een duurzame relatie met zijn partner. De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht het verblijfsrecht had geweigerd en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard. Eiser kreeg geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.23112 (beroep) en NL25.23113 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. M.E. Muller),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de vaststelling van verweerder dat eiser geen verblijfsrecht in Nederland heeft op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (de Richtlijn) en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening.
1.1.
Met het besluit van 11 oktober 2024 heeft verweerder meegedeeld dat eiser niet in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn. Met het bestreden besluit van 30 april 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij het besluit van 11 oktober 2024 gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en mr. D.F. Oberman als waarnemer van gemachtigde, deelgenomen. Als tolk is verschenen N.O. Honcharova-de Kok. Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1983 en heeft de Oekraïense nationaliteit. Op 26 september 2024 heeft eiser kenbaar gemaakt aanspraak te willen maken op tijdelijke bescherming als bedoeld in de Richtlijn.
3. Verweerder heeft aan eiser medegedeeld dat hij geen aanspraak kan maken op tijdelijke bescherming als bedoeld in de Richtlijn, omdat eiser Oekraïne vóór de peildatum van 27 november 2021 – te weten op 21 november 2021 – heeft verlaten en hij voor die datum niet in Nederland verbleef. Hij verbleef in die periode in Tsjechië. Eiser is na zijn vertrek uit Oekraïne wel daarnaar teruggekeerd, maar volgens verweerder had hij niet de intentie zich daar duurzaam te vestigen. Verder heeft eiser volgens verweerder onvoldoende onderbouwd dat hij tijdens het uitbreken van het conflict een duurzame relatie had met mevrouw [naam] , zijn gestelde partner.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft daarvoor de volgende argumenten. Allereerst vindt eiser dat hij bij terugkeer naar Oekraïne wel de intentie had zich daar duurzaam te vestigen. Eiser vindt daarbij van belang dat hij bij zijn vertrek uit Oekraïne geen intentie had zijn hoofdverblijf naar een ander land te verplaatsen. Eiser moet daarom als ontheemde worden gezien in de zin van de Richtlijn. Verder vindt eiser dat verweerder de Richtlijn te strikt toepast. Eiser is Oekraïens en zijn verblijf in Oekraïne wordt door de oorlog onmogelijk gemaakt. Dat eiser zes dagen vóór het peilmoment van 27 november 2021 is vertrokken mag niet in de weg staan dat hem bescherming moet worden geboden op grond van de Richtlijn. Als eiser zelf geen recht heeft op bescherming als bedoeld in de Richtlijn, stelt hij dat hij een duurzame relatie heeft met mevrouw [naam] – die wel onder de richtlijn valt – en daarmee als gezinslid moet worden gezien zoals bedoeld in de Richtlijn.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder op goede gronden heeft beoordeeld dat eiser geen verblijfsrecht heeft in Nederland op grond van de Richtlijn Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eisers geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
6. De rechtbank stelt vast dat artikel 3.9a, eerste lid, onder a, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV) in de eerste plaats ziet op personen die ná de invasie in Oekraïne op 24 februari 2022 uit Oekraïne zijn vertrokken, of van wie het vertrek kort vóór 24 februari 2022, verband heeft gehouden met oplopende spanningen en de ontwikkelingen voorafgaand aan de invasie in Oekraïne. Deze personen zijn Oekraïne ‘ontvlucht’ en zijn om die reden ontheemd geraakt. Maar artikel 3.9a, eerste lid, onder a, van het VV heeft een ruimere strekking. Ook personen die Oekraïne kort voor de invasie hebben verlaten maar van wie het vertrek geen verband hield met de oplopende spanningen en ontwikkelingen voor de invasie, worden aangemerkt als personen die Oekraïne zijn ‘ontvlucht’ en krijgen tijdelijke bescherming. Het gaat hier bijvoorbeeld om personen die voor een tijdelijk doel, zoals familiebezoek, in deze periode naar een ander land zijn vertrokken. Ook deze personen zijn ontheemd: zij verbleven tijdelijk in een ander land, maar konden als gevolg van de oorlog niet meer naar hun woning in Oekraïne terugkeren. In artikel 3.9a, eerste lid, onder a, van het VV is wel een begrenzing in tijd aangebracht: deze bepaling ziet alleen op personen die tussen 27 november 2021 en 24 februari 2022 Oekraïne hebben verlaten. Voor dit tijdvak is bewust gekozen. Dit betreft namelijk de visumvrije termijn van 90 dagen voor Oekraïners. De redenering die hieraan ten grondslag ligt, zo heeft de gemachtigde van verweerder in een eerdere zaak op zitting toegelicht, is dat bij een langer verblijf dan de visumvrije termijn buiten Oekraïne geen sprake meer is van een tijdelijk verblijf in het buitenland. [1] Bij een dergelijke verblijfsduur buiten Oekraïne neemt verweerder aan dat de persoon in kwestie de intentie had zijn hoofdverblijf naar een ander land te verplaatsen. Daarom kan hij niet meer als ontheemde worden aangemerkt en is er geen reden om de Richtlijn toe te passen.
6.1.
Verweerder neemt aan dat een persoon die vóór de peildatum van 27 november 2021 al uit Oekraïne was vertrokken niet als ontheemd kan worden aangemerkt, omdat hij ten tijde van de invasie zijn hoofdverblijf niet meer in Oekraïne had.
6.2.
Niet in geschil is dat eiser vóór de peildatum van 27 november 2021 al was vertrokken uit Oekraïne naar Tsjechië. Verweerder heeft dus vervolgens terecht beoordeeld of eiser de intentie had om zich na terugkeer uit Tsjechië (weer) duurzaam in Oekraïne te vestigen. Dat eiser slechts voor een korte periode Oekraïne heeft verlaten en dat zijn terugkeer naar Oekraïne binnen de visumvrije termijn van 90 dagen plaatsvond, doet aan het voorgaande niet af. De vraag is namelijk niet of eiser de intentie heeft gehad om bij zijn eerdere vertrek zijn hoofdverblijf te verplaatsen uit Oekraïne, maar of eiser bij zijn terugkeer naar Oekraïne de intentie had zich daar weer duurzaam te vestigen. Verweerder heeft terecht gesteld dat eiser dat laatste niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft slechts medische documenten aangeleverd waaruit blijkt dat hij van 9 tot 19 maart 2022 in Oekraïne in het ziekenhuis lag. Dit is een korte periode en van het ziekenhuisbezoek heeft verweerder terecht gesteld dat dit niet duidt op de intentie om duurzaam in een land te verblijven. Verder heeft verweerder terecht betrokken dat eiser zelf heeft verklaard tijdens de hoorzitting in bezwaar dat hij niet de intentie had om zich na zijn terugkeer uit Tsjechië duurzaam in Oekraïne te vestigen en dat hij het idee had om naar Europa te verhuizen.
6.3.
Dat verweerder de Richtlijn te strikt interpreteert door nadruk te leggen op het vertrek net vóór de peildatum – te weten slechts 6 dagen ervoor – volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft met de implementatie van de facultatieve bepaling al gekozen voor een ruimere strekking van onderdanen die op bescherming kunnen rekenen dan slechts de onderdanen die vóór het in beginsel gehanteerde peilmoment van 24 februari 2022 in Oekraïne verbleven.
7. Tot slot heeft verweerder terecht het standpunt ingenomen dat eiser onvoldoende bewijs heeft aangeleverd wat aantoont dat hij ten tijde van het uitbreken van het conflict een duurzame relatie had met mevrouw [naam] . Dat uit de overgelegde foto’s expliciet volgt dat zij tijdens de kerst van 2021 samen zijn geweest volgt de rechtbank niet. Zoals verweerder terecht stelt in het bestreden besluit, bevatten deze foto’s geen datum- of locatieaanduiding en is daarmee niet duidelijk waar en wanneer deze foto’s zijn genomen. Eisers enkele stelling dat zij elkaar al meerdere jaren kennen doet niets af aan het voorgaande. Dat geldt ook voor de enkele stelling dat er sprake is van een duurzame relatie, dat eiser zijn vriendin twee jaar geleden ten huwelijk heeft gevraagd en dat zij dagelijks contact hebben met elkaar. Dat maakt namelijk nog niet aannemelijk dat zij ten tijde van het uitbreken van het conflict een duurzame relatie hadden met elkaar. Ter zitting heeft eiser aan de rechtbank nog een foto laten zien – die ook aan het dossier is toegevoegd – waarin eiser en zijn gestelde partner te zien zijn met een kerstboom en ‘2022’ op de achtergrond. Ook met deze foto heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij tijdens de kerstdagen van 2021 een duurzame relatie had met mevrouw [naam] .

Conclusie en gevolgen

8. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder terecht heeft gesteld dat eiser geen verblijfsrecht heeft in Nederland op grond van de Richtlijn. Daarmee is het beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit in stand.
9. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit. [2]
10. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep
of verzet open.

Voetnoten

1.Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 4 juli 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:10438.
2.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).