ECLI:NL:RBDHA:2026:4903
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid homoseksuele gerichtheid en voldoende rekening referentiekader
Eiser, afkomstig uit Ivoorkust, vroeg asiel aan in Nederland op grond van zijn homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende bedreigingen en mishandelingen in zijn thuisland. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af omdat eiser onvoldoende samenhangend en aannemelijk had verklaard over zijn seksuele geaardheid, terwijl het eerste asielmotief (identiteit en herkomst) wel geloofwaardig werd geacht.
De rechtbank beoordeelde of de minister voldoende rekening had gehouden met het referentiekader van eiser, waaronder zijn beperkte opleiding, leeftijd, cultuur en taalbeheersing. De rechtbank oordeelde dat de minister dit adequaat had gedaan, mede gelet op het medisch advies en het gebruik van een Franse tolk, die eiser zelf had geprefereerd en waarmee hij zich goed kon uitdrukken.
De rechtbank ging vervolgens in op de geloofwaardigheid van de homoseksuele gerichtheid. De verklaringen van eiser werden als oppervlakkig en inconsistent beoordeeld, onder meer over zijn gevoelens, contacten met LHBTI-organisaties en het incident in een café. Ook werd gewezen op tegenstrijdigheden in zijn verklaringen over de LHBTI-gemeenschap in Ivoorkust. De rechtbank vond dat de minister terecht tot het oordeel was gekomen dat de homoseksuele gerichtheid niet geloofwaardig was.
De rechtbank concludeerde dat de afwijzing van de asielaanvraag terecht was en verklaarde het beroep ongegrond. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter W. Loof op 10 maart 2026.
Uitkomst: De rechtbank handhaaft de afwijzing van de asielaanvraag wegens onvoldoende geloofwaardigheid van de homoseksuele gerichtheid en voldoende rekening met het referentiekader.