ECLI:NL:RBDHA:2026:4899

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
NL26.9503
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vw 2000Art. 5.1b Vb 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring op grond van artikel 59a Vreemdelingenwet 2000

De minister van Asiel en Migratie legde op 18 februari 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 3 maart 2026.

De minister baseerde de bewaring op zware gronden, waaronder het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het niet meewerken aan overdracht aan Duitsland en het verstrekken van onjuiste of tegenstrijdige gegevens over identiteit. Eiser betwistte de grond 3e (onjuistheid gegevens) maar de rechtbank oordeelde dat de onbetwiste zware gronden 3a en 3k voldoende zijn om de bewaring te dragen.

Eiser voerde aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, omdat hij bereid was per 1 mei 2026 mee te werken aan overdracht en zijn hoger beroep wilde afwachten. De rechtbank verwierp dit, omdat eiser eerder niet meewerkte, dreigde geweld te gebruiken en geen hoger beroep was ingesteld.

De ambtshalve toetsing leverde geen onrechtmatigheid op. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.9503

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. D. Schaap),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde (met behulp van een beeldverbinding). De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
1. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
1.1.
Eiser heeft zware grond 3e betwist en meent dat deze grond onterecht is opgelegd, omdat hij geen tegenstrijdige gegevens over zijn identiteit heeft verstrekt, maar dat deze onjuist zijn vastgelegd. De genoemde varianten van zijn naam in het claimakkoord van 11 november 2025 van Duitsland lijken sterk op elkaar en zijn verklaarbaar omdat dit volgens hem verschillende transcripties vanuit het Arabisch betreffen, waarbij de geboortedatum steeds gelijk is gebleven.
1.2.
In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding om de maatregel van bewaring onrechtmatig te achten. De rechtbank is van oordeel dat in ieder geval de onbetwiste zware gronden 3a en 3k die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd feitelijk juist zijn, voldoende zijn toegelicht en voldoende zijn om aan te nemen dat sprake is van een significant risico op onttrekking aan het toezicht. De zware grond 3a is feitelijk juist, omdat eiser niet in het bezit is van reisdocumenten. Hij heeft verklaard dat zijn paspoort in Duitsland is ingenomen en is tot op heden niet in het bezit van de vereiste reisdocumenten. Eiser is daarmee niet op de voorgeschreven wijze Nederland binnengekomen. De zware grond 3k is feitelijk juist, omdat eiser op 22 december 2025 een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en meerdere keren tijdens de vertrekgesprekken heeft verklaard niet mee te willen werken aan de overdracht aan Duitsland. De zware gronden 3a en 3k kunnen de maatregel van bewaring dragen. Wat eiser verder heeft aangevoerd kan daar niet aan afdoen en behoeft daarom geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
2. Eiser betoogt dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, omdat hij heeft aangegeven per 1 mei 2026 te willen meewerken aan overdracht vanwege zijn huisvestingssituatie in Duitsland. Daarnaast wil hij zijn hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 26 januari 2026 [1] in Nederland afwachten, hetgeen volgens hem zijn recht is. Nu de uiterste overdrachtsdatum 13 mei 2026 is, geen concrete reden is gegeven waarom overdracht onmiddellijk moet plaatsvinden en hij zich bereikbaar houdt, is bewaring volgens hem niet noodzakelijk.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Eiser is gedurende de asielprocedures tweemaal met onbekende bestemming vertrokken en heeft niet meegewerkt aan zijn overdracht zodat de minister niet van vrijwillig vertrek heeft kunnen uitgaan. Daarbij heeft hij tijdens het vertrekgesprek van 2 februari 2026 verklaard niet te willen meewerken en zelfs gedreigd geweld te gebruiken om overdracht te verhinderen. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat hij zijn hoger beroep wil afwachten, volgt de rechtbank dit niet, nu ter zitting door zijn gemachtigde is bevestigd dat bij navraag is gebleken dat geen hoger beroep is ingesteld. De minister is gelet op voorgaande niet gehouden om tot 1 mei 2026 te wachten met de overdracht naar Duitsland. De minister heeft voldoende gemotiveerd dat met een lichter middel dan inbewaringstelling niet kon worden volstaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring?
3. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens ook geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [2]

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van
mr.N. Habibi, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.NL25.63743 (niet gepubliceerd).
2.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).