Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een beroep tegen het niet tijdig beslissen door de minister van Asiel en Migratie op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor gezinshereniging nareis asiel. De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van 24 juni 2025 waarin de minister werd opgedragen binnen twee weken te beslissen. De minister heeft echter geen besluit genomen binnen deze termijn, ondanks meerdere eerdere uitspraken en opgelegde dwangsommen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ook zonder voorafgaande ingebrekestelling, vanwege de uitdrukkelijke en inmiddels verstreken termijn uit de eerdere uitspraak. De minister heeft het dossier niet inhoudelijk ter hand genomen en de aanvraag is al meer dan twee jaar in behandeling zonder besluit. De rechtbank legt daarom een nieuwe beslistermijn van twee weken op en verbindt hieraan een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 37.500,-.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467,-, en het griffierecht van € 194,-. De uitspraak is gedaan door rechter A. Skerka en griffier N.B. Yalcinkaya en is op 2 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.