Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg om maatwerkvoorschriften op te leggen aan twee scoutingverenigingen voor het stoken van vuren op hun terrein. Belanghebbenden hadden het college verzocht om deze voorschriften vanwege ervaren geurhinder. Na eerdere procedures stelde het college uiteindelijk maatwerkvoorschriften vast die onder meer de frequentie, grootte en weersomstandigheden voor het stoken van vuren reguleren.
De scoutingverenigingen voerden aan dat het geuronderzoek waarop het college zich baseerde niet representatief was en dat hun eigen stookprotocollen voldoende zijn om geurhinder te voorkomen. De rechtbank oordeelt dat het college het aanvaardbare hinderniveau in redelijkheid heeft vastgesteld op basis van het geuronderzoek van Antea Group, dat volgens de rechtbank voldoet aan de wettelijke normen en gebruikmaakt van een gevalideerd rekenmodel. Het college heeft ook de klachten van omwonenden en de stookprotocollen van de scoutingverenigingen betrokken bij het besluit.
De rechtbank verwierp verder de stellingen van willekeur, onredelijke bezwarendheid en onduidelijkheid over de stookfrequentie. De maatwerkvoorschriften zijn niet onredelijk bezwarend en sluiten aan bij de eigen protocollen van de eisers. De frequentie van maximaal zes vuren per jaar voor een van de verenigingen is gebaseerd op door hen zelf verstrekte informatie. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor de maatwerkvoorschriften blijven gelden en de eisers geen proceskostenvergoeding ontvangen.