ECLI:NL:RBDHA:2026:4797

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
SGR 25/892
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.7a Activiteitenbesluit milieubeheerArt. 2.14a Activiteitenbesluit milieubeheerArt. 2.6 Activiteitenbesluit milieubeheerArt. 8.1.5 Invoeringsbesluit OmgevingswetNTA 9065
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling maatwerkvoorschriften voor stoken van vuren door scoutingverenigingen

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg om maatwerkvoorschriften op te leggen aan twee scoutingverenigingen voor het stoken van vuren op hun terrein. Belanghebbenden hadden het college verzocht om deze voorschriften vanwege ervaren geurhinder. Na eerdere procedures stelde het college uiteindelijk maatwerkvoorschriften vast die onder meer de frequentie, grootte en weersomstandigheden voor het stoken van vuren reguleren.

De scoutingverenigingen voerden aan dat het geuronderzoek waarop het college zich baseerde niet representatief was en dat hun eigen stookprotocollen voldoende zijn om geurhinder te voorkomen. De rechtbank oordeelt dat het college het aanvaardbare hinderniveau in redelijkheid heeft vastgesteld op basis van het geuronderzoek van Antea Group, dat volgens de rechtbank voldoet aan de wettelijke normen en gebruikmaakt van een gevalideerd rekenmodel. Het college heeft ook de klachten van omwonenden en de stookprotocollen van de scoutingverenigingen betrokken bij het besluit.

De rechtbank verwierp verder de stellingen van willekeur, onredelijke bezwarendheid en onduidelijkheid over de stookfrequentie. De maatwerkvoorschriften zijn niet onredelijk bezwarend en sluiten aan bij de eigen protocollen van de eisers. De frequentie van maximaal zes vuren per jaar voor een van de verenigingen is gebaseerd op door hen zelf verstrekte informatie. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor de maatwerkvoorschriften blijven gelden en de eisers geen proceskostenvergoeding ontvangen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de maatwerkvoorschriften voor het stoken van vuren door de scoutingverenigingen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/892

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak tussen

[eisers sub 1] en [eisers sub 2], uit [plaats], eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg

(gemachtigde: mr. ing. M.G. van der Hoek).
Als derde-partij nemen aan de zaak deel:
[belanghebbende 1]en
[belanghebbende 2]uit [woonplaats] (belanghebbenden).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om maatwerkvoorschriften op te stellen voor het scoutingterrein van eisers aan de [adres 1] te [plaats] . Deze maatwerkvoorschriften zien, kort gezegd, op het stoken van vuren door eisers. Belanghebbenden hadden om deze maatwerkvoorschriften verzocht omdat zij overlast ervaren door de vuren op het scoutingterrein. Eisers zijn het niet eens met de maatwerkvoorschriften en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college in redelijkheid heeft kunnen komen tot het maatwerkbesluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college in redelijkheid tot het maatwerkbesluit is gekomen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 29 juli 2019 hebben belanghebbenden bij het college een verzoek ingediend om maatwerkvoorschriften op te leggen aan eisers in verband met de overlast die zij ervaren van de vuren die op het terrein van eisers worden gestookt. Het college heeft deze aanvraag afgewezen op 25 november 2019. Dit besluit heeft het college gehandhaafd in de beslissing op bezwaar van 10 juni 2020.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep dat belanghebbenden daartegen hadden ingesteld, gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar van 10 juni 2020 vernietigd [1] . Op
23 december 2024 heeft het college een nieuw besluit genomen op de bezwaren van belanghebbenden (het bestreden besluit). Daarin heeft het college hun bezwaar gegrond verklaard en maatwerkvoorschriften opgesteld.
2.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep tegelijk met het beroep in de zaak SGR 25/839 op 17 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens eisers deelgenomen: [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] . Namens het college hebben deelgenomen: de gemachtigde van het college, bijgestaan door [naam 5] en [naam 6] (geurdeskundige). Ook belanghebbenden zijn ter zitting verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Belanghebbenden ervaren overlast van de vuren die worden gestookt op het scoutingterrein van eisers. Op 29 juli 2019 hebben zij daarom het college verzocht om maatwerkvoorschriften op te stellen, waarin onder meer rekening wordt gehouden met de weersomstandigheden en de frequentie, tijden en tijdsduur van de vuren.
3.1.
Het college heeft het verzoek van belanghebbenden afgewezen. Volgens het college vallen de stookactiviteiten – samengevat weergegeven – zowel wat het aspect ‘lucht’ als het aspect ‘geur’ betreft binnen de normen van het Activiteitenbesluit milieubeheer (het Activiteitenbesluit), en zijn er geen uitzonderlijke omstandigheden die het stellen van maatwerkvoorschriften rechtvaardigen.
3.2.
In de beslissing op bezwaar van 10 juni 2020 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een onaanvaardbaar hinderniveau op de locatie [adres 2] te [plaats] (het adres van belanghebbenden). Dit blijkt volgens het college uit het door de Antea Group uitgevoerde geuronderzoek [2] .
3.3.
Belanghebbende hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 10 juni 2020. In de uitspraak [3] van 17 februari 2023 heeft de rechtbank het beroep van belanghebbenden gegrond verklaard, het besluit van 10 juni 2020 vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit op het bezwaar van belanghebbenden te nemen.
3.4.
Op 25 oktober 2023 heeft het college meegedeeld dat hij voornemens is om maatwerkvoorschriften op te stellen. Zowel eisers als belanghebbenden hebben zienswijzen ingediend over het voorgenomen besluit.
3.5.
Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van belanghebbenden gegrond verklaard en maatwerkvoorschriften gesteld voor het scoutingterrein aan de [adres 1] te [plaats] . Het college heeft zich in dit besluit op het standpunt gesteld dat het voldoende aannemelijk is dat eisers voor het stoken van de vuren gebruikmaken van aangekocht schoon haardhout (en dus niet van afvalhout). Artikel 2.14a van het Activiteitenbesluit is daarom niet van toepassing op de vuren van eisers. Het stellen van maatwerkvoorschriften ten aanzien van emissie naar de lucht is niet aan de orde, omdat de emissies gelet op de zeer beperkte omvang, frequentie en duur van de activiteit ruim onder de waarden blijven uit artikel 2.6 van het Activiteitenbesluit. Ten aanzien van het aspect ‘geur’ komt het college tot de conclusie dat op grond van artikel 2.7a, vierde lid en onder c, van het Activiteitenbesluit maatwerkvoorschriften noodzakelijk zijn om te voorkomen dat het aanvaardbaar hinderniveau ter plaatse van geurgevoelige objecten wordt overschreden. In deze maatwerkvoorschriften (1.1.1-1.1.8) is onder meer de toegestane grootte en frequentie van de vuren opgenomen. Ook staat hierin dat de vuren vooraf moeten worden aan- en afgemeld en onder welke (weers-)omstandigheden niet mag worden gestookt. De maatwerkvoorschriften maken deel uit van het bestreden besluit.
Toetsingskader
4. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Overgangsrecht omgevingswet
5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet, de Invoeringswet Omgevingswet en het Invoeringsbesluit Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een besluit tot het stellen van maatwerkvoorschriften is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 8.1.5, tweede lid, van het Invoeringsbesluit Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
De aanvraag tot het stellen van de maatwerkvoorschriften is ingediend op 14 september 2019. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wet milieubeheer en het Activiteitenbesluit, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Geen onaanvaardbare geurhinder?
6. Eisers betogen dat het college ten onrechte maatwerkvoorschriften heeft gesteld. Volgens eisers zou het college, bij een juiste weging van de in artikel 2.7a, derde lid van het Activiteitenbesluit genoemde aspecten, tot de conclusie moeten komen dat geen sprake is van onaanvaardbare geurhinder. De stookprotocollen die door eisers zelf zijn opgesteld, zijn volgens hen voldoende om eventuele geurhinder te beperken tot een aanvaardbaar niveau. Volgens eisers is het geuronderzoek van Antea Group (Antea) van 5 mei 2023 niet representatief, waardoor het niet kan worden gebruikt als onderbouwing voor het stellen van de maatwerkvoorschriften. In dat verband wijzen zij er onder meer op dat het toegepaste rekenprogramma beperkingen heeft. Volgens hen is het geuronderzoek gebaseerd op een overschatting van de feiten en omstandigheden en is er ten onrechte getoetst aan het geurhinderbeleid van de provincie Zuid-Holland (het geurhinderbeleid).
6.1.
Voor het college is het uitgangspunt dat de hinder tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt. Het provinciale geurhinderbeleid is daarbij gebruikt als handvat, aangezien er geen gemeentelijk geurbeleid is vastgesteld. Bij het bepalen van de aanvaardbare geurhinder weegt onder meer ook het klachtenpatroon van omwonenden mee evenals de kosten en baten van technische voorzieningen en de gedragsregels om geurhinder te voorkomen. Op basis van de resultaten van het geuronderzoek van Antea van 5 mei 2023 komt het college tot de conclusie dat het nodig is om maatwerkvoorschriften te stellen om te voorkomen dat het aanvaardbare hinderniveau ter plaats van geurgevoelige objecten wordt overschreden.
6.2.
Op grond van artikel 2.7a, vierde lid, aanhef en onder c van het Activiteitenbesluit kan het college, indien blijkt dat de geurhinder ter plaatse van een of meer geurgevoelige objecten een aanvaardbaar hinderniveau kan overschrijden, bij maatwerkvoorschrift bepalen dat technische voorzieningen in de inrichting worden aangebracht of gedragsregels in de inrichting in acht worden genomen om de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken.
6.3.
Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) eerder heeft overwogen, is voor de toepassing van artikel 2.7a, vierde lid, van het Activiteitenbesluit vereist dat het college aan de hand van de in artikel 2.7a, derde lid, vermelde aspecten a tot en met f het aanvaardbaar niveau van geurhinder heeft bepaald. Het college dient dat niveau te bepalen op grond van de ten tijde van de besluitvorming geldende feiten en omstandigheden. [4] Als blijkt dat de geurhinder ter plaatse van een of meer geurgevoelige objecten een aanvaardbaar hinderniveau kan overschrijden, kan het college maatwerkvoorschriften stellen. Om maatwerkvoorschriften te kunnen stellen, is het niet nodig dat het door het college vastgestelde aanvaardbaar geurhinderniveau daadwerkelijk is overschreden. Voldoende is het dat dat geurhinderniveau kan worden overschreden. [5]
6.4.
Ook is het vaste rechtspraak van de Afdeling dat het college beleidsruimte heeft bij de beslissing om maatwerkvoorschriften vast te stellen. Als wordt besloten tot het vaststellen daarvan, heeft het college een zekere beoordelingsruimte bij de vaststelling van wat nodig is ter bescherming van het milieu. [6]
6.5.
De rechtbank overweegt als volgt. Op 5 mei 2023 heeft Antea Group op verzoek van het college een rapport uitgebracht (hierna: het Antea-rapport). In dit onderzoek is uitgegaan van de frequentie en grootte van de vuren zoals die door eisers is opgegeven. In het Antea-rapport zijn de geurconcentraties ter hoogte van de omliggende woningen in beeld gebracht en getoetst aan de kaders die volgen uit het geurhinderbeleid van de provincie Zuid-Holland [7] (hierna: het geurhinderbeleid). Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college daarmee niet zijn beleidsruimte overschreden. Uit het geurhinderbeleid volgt dat het afwegingsgebied voor een aanvaardbaar geurhinderniveau zich bevindt tussen de ‘hindergrens’ en de ‘ernstige hindergrens’. De rechtbank begrijpt dit zo dat als het geurhinderniveau onder de ‘hindergrens’ ligt, de geurhinder verwaarloosbaar en dus zonder meer aanvaardbaar is, en als het geurhinderniveau boven de ‘ernstige geurhindergrens’ komt, deze sowieso niet aanvaardbaar is. In de bandbreedte tussen de ‘hindergrens’ en de ‘ernstige hindergrens’ moet dus worden bepaald wat een aanvaardbaar hinderniveau is in het concrete geval en kan het college maatwerkvoorschriften opstellen. In dit geval is de hindergrens volgens het Antea-rapport 2,5 OUe/m3 als 99,99-percentiel (minder dan 1 uur per jaar hoger dan 2,5 OUe/m3) en de ernstige hindergrens 25 OUe/m3 als 99,99-percentiel (minder dan 1 uur per jaar hoger dan 25 OUe/m3). De maximale geurbelasting van de kampvuren (berekend op basis van ‘grote vuren’ en in de maanden waarin volgens het rekenprogramma de grootste geurimmissie wordt veroorzaakt op het adres van omwonenden) blijkt uit de berekening 22,4 OUe/m3 als 99,99-percentiel te zijn. Dit leidt dan ook tot de conclusie dat in geen enkel onderzocht scenario de in het geurhinderbeleid gehanteerde ernstige hindergrens wordt overschreden. Het college heeft de door Antea Group berekende maximale geurbelasting van 22,4 OUe/m3 als 99,99-percentiel in het bestreden besluit overgenomen als het maximaal aanvaardbare hinderniveau.
6.6.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Deze waarde is de uitkomst van een worst case-scenario, hetgeen gebruikelijk is bij de bepaling van het aanvaardbaar hinderniveau. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het geuronderzoek is gebaseerd op de gegevens die eisers zelf hebben aangeleverd. Ook is niet gebleken dat de geurhinder op een onjuiste wijze is berekend. In dat verband acht de rechtbank van belang dat – op grond van artikel 2.7a, tweede lid van het Activiteitenbesluit – een geuronderzoek moet worden uitgevoerd overeenkomstig de NTA 9065. Daarin wordt bij het modelleren van niet-continue bronnen uitgegaan van een worst case-benadering. Uit het Antea-rapport en de toelichting van de geurdeskundige ter zitting blijkt dat de geurbelasting is berekend met het verspreidingsmodel Stacks-G van het rekenprogramma Geomilieu V2022.41, een door het RIVM gevalideerd en goedgekeurd rekenmodel voor luchtverspreidingsberekeningen, waaronder geur. In dit model worden de klimatologische omstandigheden van 10 jaar (2005-2014) gebruikt voor het berekenen van de geurbelasting, waarbij onder meer windrichting, windsnelheid en luchtvochtigheid worden betrokken. Eisers hebben niet concreet gemaakt dat dit model niet kan worden gebruikt bij het berekenen van de geurbelasting van de gestookte vuren. Zij hebben geen contra-expertise of onderzoek overgelegd waarin het Antea-rapport gemotiveerd wordt weersproken.
6.7.
Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank bij het bepalen van een aanvaardbaar geurhinderniveau mogen betrekken dat er klachten vanuit de omgeving zijn ingediend, ook al zijn die allemaal afkomstig van belanghebbenden. Verder heeft het college bij het opstellen van de maatwerkvoorschriften zich mede gebaseerd op de stookprotocollen van eisers. Daarmee heeft het college naar het oordeel van de rechtbank de in artikel 2,7a, derde lid van het Activiteitenbesluit genoemde aspecten voldoende meegenomen bij het bepalen van een aanvaardbaar geurhinderniveau. Nu voor het opleggen van maatwerkvoorschriften niet is vereist dat het aanvaardbare hinderniveau wordt overschreden (zie de uitspraak in voetnoot 5), is de rechtbank – mede gelet op de beoordelingsruimte die het college heeft – voorts van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten om deze maatwerkvoorschriften op te stellen.
6.8.
De beroepsgrond slaagt niet.
Controlerapporten handhaving
7. Eisers betogen dat in de afgelopen jaren vele controles hebben plaatsgevonden naar aanleiding van klachten van belanghebbenden, maar dat uit de controlerapporten blijkt de slechts een enkele keer (geur)hinder is geconstateerd.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voor het stellen van maatwerkvoorschriften niet is vereist dat er een daadwerkelijk overschrijding van het aanvaardbare hinderniveau is geconstateerd. Het enkele gegeven dat de toezichthouders beperkte geurhinder of rookontwikkeling hebben vastgesteld, betekent – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – dus niet dat het college geen maatwerkvoorschriften kon stellen. Daarnaast is ook gebleken dat eisers zich niet altijd houden aan de maatwerkvoorschriften en dat het college daarom – na eerst een waarschuwing te hebben gegeven – aan eisers een last onder dwangsom heeft opgelegd op 12 december 2025.
7.2.
De beroepsgrond slaagt niet.
Willekeur / gelijkheidsbeginsel
8. Volgens eisers is sprake van willekeur. Het bestreden besluit is niet op objectieve en consistente criteria gebaseerd en is genomen zonder dat de relevante belangen en omstandigheden voldoende zijn afgewogen, aldus eisers. Verder vinden eisers het niet eerlijk dat zij nu rekening moeten houden met de door het college gestelde maatwerkvoorschriften, terwijl andere scoutingverenigingen een onbeperkt aantal vuren mogen stoken.
8.1.
Het college stelt zich op het standpunt per situatie moet worden bezien of er aanleiding is voor het opleggen van de maatwerkvoorschriften. Dat is in deze situatie ook gebeurd. Van willekeur is dan ook geen sprake, aldus het college.
8.2.
De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van willekeur dan wel van situaties waarin onder dezelfde condities geen maatwerkvoorschriften zijn opgelegd.
8.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Stookfrequentie [eisers sub 2]
9. Als de rechtbank toch tot de conclusie komt dat het college bevoegd was om het maatwerkvoorschrift te stellen, betogen eisers dat het college de toegestane stookfrequentie van [eisers sub 2] ten onrechte heeft vastgesteld op maximaal 6 keer per jaar. Deze frequentie is weliswaar gebaseerd op informatie die door eisers zelf is aangeleverd, maar het was voor eisers niet duidelijk dat deze informatie gebruikt zou worden voor het maatwerkvoorschrift. De informatie die is verstrekt ziet op het aantal vuren dat is gestookt in 2022, maar toen is er minder gestookt dat men achteraf had gewild, onder meer omdat dat omgevingsdienst had aangekondigd strenger te gaan controleren. Zes vuren per jaar is niet eens voldoende om met alle spelgroepen (acht) een keer per jaar een kampvuur te stoken. De stookfrequentie van [eisers sub 2] zou daarom gelijk moeten worden getrokken met die van [eisers sub 1]: 18 kampvuren per jaar (zes keer groot vuur, twaalf keer klein vuur).
9.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het informatieverzoek van 21 maart 2023 duidelijk was en het college heeft mogen uitgaan van de stookfrequentie die door eisers is opgegeven. Als eisers meer vuren willen stoken, moeten zij vragen om wijziging van de maatwerkvoorschriften. Verder heeft het college toegelicht dat – zoals op de zitting bij de voorzieningenrechter is overeengekomen – beide eisers in onderling overleg het totale aantal vuren mogen verdelen.
9.2.
De rechtbank overweegt dat het college in de brief van 21 maart 2023 heeft aangegeven dat naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 17 februari 2023 een nieuw besluit moet worden genomen en dat voor een goede beoordeling informatie van eisers nodig is. Daarbij is concreet gevraagd naar de frequentie van het stoken. Het had naar het oordeel van de rechtbank duidelijk moeten zijn voor eisers dat het college deze informatie zou gebruiken bij het stellen van de maatwerkvoorschriften. Als eisers vragen hadden over dit informatieverzoek, hadden zij contact op moeten nemen met het college, zoals ook is opgenomen in de brief van 21 maart 2023.
9.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Zijn de maatwerkvoorschriften onredelijk bezwarend?
10. Eisers achten de maatwerkvoorschriften onredelijk bezwarend. Zij leveren een extra administratieve belasting op. Die belasting moet worden gedragen door jonge vrijwilligers en bovendien gaat het voortdurend moeten melden van voorgenomen vuren ter koste van de spontaniteit, die juist belangrijk is voor de belevingswaarde.
10.1. De rechtbank volgt eisers hier niet in. De maatwerkvoorschriften sluiten aan bij de door eisers zelf opgestelde protocollen. Niet gebleken dat dat de administratieve belasting van het vooraf moeten melden van een vuur zodanige vormen aanneemt dat dit niet van eisers of de door hen ingezette vrijwilligers kan worden gevraagd. De inbreuk op de spontane beleving is evenmin zodanig dat dit niet van eisers kan worden gevraagd.
10.2.
De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.P. Brand, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Activiteitenbesluit milieubeheer
Artikel 2.7a
1. Indien bij een activiteit emissies naar de lucht plaatsvinden, wordt daarbij geurhinder bij geurgevoelige objecten voorkomen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is wordt de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau beperkt.
2. Het bevoegd gezag kan, indien het redelijk vermoeden bestaat dat niet aan het eerste lid wordt voldaan, besluiten dat een rapport van een geuronderzoek wordt overgelegd. Een geuronderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig de NTA 9065.
3. Bij het bepalen van een aanvaardbaar niveau van geurhinder wordt ten minste rekening gehouden met de volgende aspecten:
a. de bestaande toetsingskaders, waaronder lokaal geurbeleid;
b. de geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten;
c. de aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt bij de betreffende inrichting;
d. de historie van de betreffende inrichting en het klachtenpatroon met betrekking geurhinder;
e. de bestaande en verwachte geurhinder van de betreffende inrichting, en
f. de kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels in de inrichting.
4. Het bevoegd gezag kan, indien blijkt dat de geurhinder ter plaatse van een of meer geurgevoelige objecten een aanvaardbaar hinderniveau kan overschrijden, bij maatwerkvoorschrift:
a. geuremissiewaarden vaststellen;
b. bepalen dat bepaalde geurbelastingen ter plaatse van die objecten niet worden overschreden, of
c. bepalen dat technische voorzieningen in de inrichting worden aangebracht of gedragsregels in de inrichting in acht worden genomen om de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken.
5. Indien een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het vierde lid wordt vastgesteld, kan het bevoegd gezag besluiten dat door degene die de inrichting drijft een rapport van een onderzoek naar de beschikbaarheid van technische voorzieningen en gedragsregels wordt overgelegd waaruit blijkt dat aan het eerste lid wordt voldaan.

Voetnoten

1.Uitspraak van 17 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:2243.
2.Memo
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1997, r.o. 10.2.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:621, r.o. 10.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2217, r.o. 3.2.
7.“Geurhinderbeleid Provincie Zuid-Holland Actualisatie 2019”, 22 januari 2019.