De minister van Asiel en Migratie legde op 19 februari 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 3 maart 2026 via een beeldverbinding.
Eiser betoogde dat de minister onvoldoende toelichting had gegeven op het onttrekkingsrisico en dat een lichter middel dan bewaring had moeten worden toegepast, aangezien hij meewerkte aan zijn vertrek naar Duitsland. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht volstond met een feitelijke toelichting op de zware gronden 3a en 3b uit het Vreemdelingenbesluit 2000, waarvoor geen nadere toelichting vereist is.
Verder stelde de rechtbank vast dat het onttrekkingsrisico aanwezig bleef, mede gelet op eerdere terugkeer naar Nederland na overdracht aan Duitsland en de verklaring van eiser dat hij niet terug wilde naar Duitsland. De rechtbank vond geen aanleiding om de maatregel onrechtmatig te achten en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.