ECLI:NL:RBDHA:2026:4795

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
SGR 25/839
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.6 Activiteitenbesluit milieubeheerArt. 2.7a Activiteitenbesluit milieubeheerArt. 2.14a Activiteitenbesluit milieubeheerArt. 8.1.5 Invoeringsbesluit OmgevingswetArt. 2 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling maatwerkvoorschriften stoken vuren scoutingverenigingen en geurhinder

Eisers, omwonenden van het scoutingterrein, ervoeren overlast door het stoken van vuren en verzochten het college om maatwerkvoorschriften. Na eerdere procedures stelde het college uiteindelijk maatwerkvoorschriften op die de frequentie, grootte en omstandigheden van het stoken reguleren.

De rechtbank oordeelt dat het college het aanvaardbare geurhinderniveau in redelijkheid heeft vastgesteld, mede op basis van een geuronderzoek door Antea Group. Dit onderzoek toonde aan dat de geurbelasting onder de ernstige hindergrens blijft. Eisers voerden aan dat het onderzoek onvoldoende rekening hield met windrichting en dat het stoken schadelijk is voor de gezondheid, maar deze bezwaren werden niet gegrond verklaard.

Verder stelde de rechtbank vast dat het hout dat wordt verbrand geen afvalstof is en dat de emissies naar de lucht binnen de normen van het Activiteitenbesluit blijven. Ook werd geoordeeld dat de maatwerkvoorschriften toereikend zijn en dat een algeheel stookverbod niet noodzakelijk is.

Ten slotte oordeelde de rechtbank dat er geen strijd is met het EVRM, omdat de overlast niet zodanig is dat het woongenot of de gezondheid van eisers ernstig wordt aangetast. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eisers kregen geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van omwonenden tegen de maatwerkvoorschriften voor het stoken van vuren door scoutingverenigingen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/839

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres] , uit [woonplaats] , eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg

(gemachtigde: mr. ing. M.G. van der Hoek).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel:
[vereniging 1]uit [plaats] en [vereniging 2] uit [plaats] (de scoutingverenigingen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om maatwerkvoorschriften op te stellen voor het scoutingterrein van de scoutingverenigingen (derde-partijen) aan de [adres 1] en [adres 2] . Deze maatwerkvoorschriften zien, kort gezegd, op het stoken van vuren door de scoutingverenigingen. Eisers hadden om deze maatwerkvoorschriften verzocht omdat zij overlast ervaren door de vuren op het scoutingterrein. Eisers vinden dat de maatwerkvoorschriften niet ver genoeg gaan en voeren een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college in redelijkheid heeft kunnen komen tot het maatwerkbesluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college in redelijkheid tot het maatwerkbesluit is gekomen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 29 juli 2019 hebben eisers bij het college een verzoek ingediend om maatwerkvoorschriften op te stellen in verband met de overlast die zij ervaren van de vuren die op het terrein van derde-partijen worden gestookt. Het college heeft deze aanvraag afgewezen op 25 november 2019. Dit besluit heeft het college gehandhaafd in de beslissing op bezwaar van 10 juni 2020.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep van eisers hiertegen gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar van 10 juni 2020 vernietigd [1] . Op 23 december 2024 heeft het college een nieuw besluit genomen op de bezwaren van eisers (het bestreden besluit). Daarin heeft het college hun bezwaar gegrond verklaard en maatwerkvoorschriften opgesteld.
2.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 17 februari 2026 tegelijk met het beroep in de zaak SGR 25/892 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van het college, bijgestaan door [naam 1] en [naam 2] (geurdeskundige). Namens de scoutingverenigingen zijn [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eisers ervaren overlast van de vuren die worden gestookt op het terrein van de scoutingverenigingen. Op 29 juli 2019 hebben zij daarom het college verzocht om maatwerkvoorschriften op te stellen, waarin onder meer rekening zou moeten worden gehouden met de weersomstandigheden en de frequentie, de tijdstippen en tijdsduur van de vuren.
3.1.
Het college heeft het verzoek van eisers afgewezen. Volgens het college vallen de stookactiviteiten – samengevat weergegeven – zowel wat het aspect ‘lucht’ als het aspect ‘geur’ betreft binnen de normen van het Activiteitenbesluit milieubeheer (het Activiteitenbesluit), en zijn er geen uitzonderlijke omstandigheden die het stellen van maatwerkvoorschriften rechtvaardigen.
3.2.
In de beslissing op bezwaar van 10 juni 2020 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een onaanvaardbaar hinderniveau op de locatie [adres 3] (het adres van eisers). Dit blijkt volgens het college uit het door de Antea Group uitgevoerde geuronderzoek [2] .
3.3.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 10 juni 2020. In de uitspraak [3] van 17 februari 2023 heeft de rechtbank het beroep van eisers gegrond verklaard, het besluit van 10 juni 2020 vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit op het bezwaar van eisers te nemen.
3.4.
Op 25 oktober 2023 heeft het college meegedeeld dat hij voornemens is om maatwerkvoorschriften op te stellen. Zowel eisers als de scoutingverenigingen hebben zienswijzen ingediend over het voorgenomen besluit.
3.5.
Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eisers gegrond verklaard en maatwerkvoorschriften opgesteld voor het scoutingterrein aan de [adres 1] en [adres 2] . Het college heeft zich in dit besluit – samengevat weergegeven – op het standpunt gesteld dat het voldoende aannemelijk is dat de scoutingverenigingen voor het stoken van de vuren gebruikmaken van aangekocht schoon haardhout (en dus niet van afvalhout). Artikel 2.14a van het Activiteitenbesluit is daarom niet van toepassing op de vuren van de scoutingverenigingen. Het stellen van maatwerkvoorschriften ten aanzien van emissie naar de lucht is niet aan de orde, omdat de emissies gelet op de zeer beperkte omvang, frequentie en duur van de activiteit ruim onder de waarden blijven uit artikel 2.6 van het Activiteitenbesluit. Ten aanzien van het aspect ‘geur’ komt het college tot de conclusie dat op grond van artikel 2.7a, vierde lid en onder c, van het Activiteitenbesluit maatwerkvoorschriften noodzakelijk zijn om te voorkomen dat het aanvaardbaar hinderniveau ter plaatse van geurgevoelige objecten wordt overschreden. In deze maatwerkvoorschriften (1.1.1-1.1.8) is onder meer de toegestane grootte en frequentie van de vuren opgenomen. Ook staat hierin dat de vuren vooraf moeten worden aan- en afgemeld, en de (weers-)omstandigheden waarin niet mag worden gestookt.
Toetsingskader
4. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Overgangsrecht Omgevingswet
5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet, de Invoeringswet Omgevingswet en het Invoeringsbesluit Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een besluit tot het stellen van maatwerkvoorschriften is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 8.1.5, tweede lid, van het Invoeringsbesluit Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
De aanvraag tot het stellen van de maatwerkvoorschriften is ingediend op 14 september 2019. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wet milieubeheer en het Activiteitenbesluit, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
5.1.
Het verder niet onderbouwde betoog van eisers dat het college een besluit had moeten nemen op grond van de Omgevingswet slaagt daarom niet. Ook de verwijzing in de reactie van eisers van 29 januari 2026 naar bepalingen uit hoofdstuk 2 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) kan hen dus niet baten, aangezien dit niet het recht is dat op deze zaak van toepassing is.
Hebben eisers procesbelang?
6. Het college stelt zich op het standpunt dat het beroep van eisers niet-ontvankelijk is, omdat zij onvoldoende procesbelang hebben. In dat kader wijst het college erop dat met het opstellen van de maatwerkvoorschriften (waar eisers zelf om hebben gevraagd) juist rekening wordt gehouden met de belangen van eisers, omdat daarin de rook- en geuroverlast zoveel mogelijk wordt beperkt. Als de rechtbank in deze beroepsprocedure de maatwerkvoorschriften zou vernietigen, wordt handhavend optreden alleen maar moeilijker omdat in dat geval alleen handhavend kan worden opgetreden in het kader van de zorgplicht. Dat kan alleen wanneer de activiteit onmiskenbaar in strijd is met de zorgplicht. Een gegrondverklaring van het beroep kan eisers dus niet in een gunstiger positie brengen, aldus het college.
6.1.
Eisers stellen zich op het standpunt dat zij wel procesbelang hebben omdat zij niet 24 keer per jaar in de stank willen zitten.
6.2.
De rechtbank overweegt het volgende. Het procesbelang is het belang dat eisers hebben bij de uitkomst van een door hen ingestelde beroepsprocedure. Daarbij gaat het er niet om of zij gelijk hebben, maar of zij een reëel en actueel belang hebben bij het gelijk, als zij dat zouden hebben. De vraag of sprake is van procesbelang dient te worden beantwoord naar de stand van zaken op het moment waarop het beroep wordt beoordeeld. [4]
6.3.
De rechtbank volgt het college niet in het standpunt dat eisers geen procesbelang hebben. Het betoog van eisers is dat de maatwerkvoorschriften niet ver genoeg gaan. Met het door hen ingestelde beroep zouden zij kunnen bereiken dat de rechtbank van oordeel is dat het college meer of verdergaande maatwerkvoorschriften had moeten opstellen. Daarmee is het procesbelang naar het oordeel van de rechtbank gegeven. De rechtbank zal de beroepsgronden van eisers daar ook inhoudelijk bespreken in het vervolg van deze uitspraak.
Ingetrokken beroepsgronden
7. Eisers hebben ter zitting hun beroepsgronden over de publicatie van het bestreden besluit en het overschrijden van de door de rechtbank gegeven beslistermijn ingetrokken. Dit geldt ook voor de beroepsgrond dat de scoutingverenigingen de voorschriften niet naleven en het college ten onrechte niet handhavend optreedt. De rechtbank zal deze beroepsgronden daarom niet inhoudelijk bespreken.
Onaanvaardbaar geurhinderniveau?
8. De rechtbank begrijpt het beroep van eisers zo dat zij betogen dat ook met de maatwerkvoorschriften nog altijd sprake is van geurhinder, hetgeen zij onaanvaardbaar vinden. Het liefst zien zij een algeheel stookverbod op het scoutingterrein, maar één vuur in het voorjaar en één vuur in het najaar is voor hen nog aanvaardbaar. Volgens eisers is het geuronderzoek is niet volledig geweest, omdat onvoldoende rekening is gehouden met de windrichting. In dit verband wijzen zij er – samengevat weergeven – op dat zij gezondheidsklachten krijgen door de rooklucht en dat dit ook stress en slapeloosheid veroorzaakt.
8.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de geuroverlast die door eisers zelf is geconstateerd, niet voldoende is om te spreken van een onaanvaardbaar geurhinderniveau. Te meer omdat deze overlast bij controles nooit objectief is bevestigd door de toezichthouders van het college. Een algeheel stookverbod aan de scoutingverenigingen gaat te ver. Volgens het college zijn de maatwerkvoorschriften zorgvuldig voorbereid en rechtmatig tot stand gekomen. Verder stelt het college zich op het standpunt dat eisers enige hinder zullen moeten dulden en dat de maatwerkvoorschriften bewerkstelligen dat het hinderniveau onder de in het beleid genoemde ‘ernstige hindergrens’ blijft.
8.2.
De rechtbank overweegt het volgende. Op grond van artikel 2.7a, vierde lid, aanhef en onder c van het Activiteitenbesluit kan het college, indien blijkt dat de geurhinder ter plaatse van een of meer geurgevoelige objecten een aanvaardbaar hinderniveau kan overschrijden, bij maatwerkvoorschrift bepalen dat technische voorzieningen in de inrichting worden aangebracht of gedragsregels in de inrichting in acht worden genomen om de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken.
8.3.
Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) eerder heeft overwogen, is voor de toepassing van artikel 2.7a, vierde lid, van het Activiteitenbesluit vereist dat het college aan de hand van de in artikel 2.7a, derde lid, vermelde aspecten a tot en met f het aanvaardbaar niveau van geurhinder heeft bepaald. Het college dient dat niveau te bepalen op grond van de ten tijde van de besluitvorming geldende feiten en omstandigheden. [5] Als blijkt dat de geurhinder ter plaatse van een of meer geurgevoelige objecten een aanvaardbaar hinderniveau kan overschrijden, kan het college maatwerkvoorschriften stellen. Om maatwerkvoorschriften te kunnen stellen, is het niet nodig dat het door het college vastgestelde aanvaardbaar geurhinderniveau daadwerkelijk is overschreden. Voldoende is het dat het geurhinderniveau kan worden overschreden. [6]
8.4.
Ook is het vaste rechtspraak van de Afdeling dat het college beleidsruimte heeft bij de beslissing om maatwerkvoorschriften vast te stellen. Als wordt besloten tot het vaststellen daarvan, heeft het college een zekere beoordelingsruimte bij de vaststelling van wat nodig is ter bescherming van het milieu. [7]
8.5.
De rechtbank volgt het college in het standpunt dat het betoog van eisers dat het college een algeheel stookverbod had moeten opleggen niet strookt met hun aanvraag om maatwerkvoorschriften te stellen. Eisers hebben in hun beroepschrift echter ook opgeschreven dat twee vuren per jaar voor hen acceptabel zou zijn. De rechtbank zal daarom beoordelen of het college in de maatwerkvoorschriften minder vuren had moeten toestaan dan het nu opgenomen aantal van totaal 24 vuren per jaar.
8.6.
De rechtbank overweegt als volgt. Op 5 mei 2023 heeft Antea Group op verzoek van het college een rapport uitgebracht (hierna: het Antea-rapport). In dit onderzoek is uitgegaan van de frequentie en grootte van de vuren zoals die door de scoutingverenigingen is opgegeven. In het Antea-rapport zijn de geurconcentraties ter hoogte van de omliggende woningen in beeld gebracht en getoetst aan de kaders die volgen uit het geurhinderbeleid van de provincie Zuid-Holland [8] (hierna: het geurhinderbeleid). Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college daarmee niet zijn beleidsruimte overschreden. Uit het geurhinderbeleid volgt dat het afwegingsgebied voor een aanvaardbaar geurhinderniveau zich bevindt tussen de ‘hindergrens’ en de ‘ernstige hindergrens’. De rechtbank begrijpt dit zo dat als het geurhinderniveau onder de ‘hindergrens’ ligt, de geurhinder verwaarloosbaar en dus zonder meer aanvaardbaar is, en als het geurhinderniveau boven de ‘ernstige geurhindergrens’ komt, deze sowieso niet aanvaardbaar is. In de bandbreedte tussen de ‘hindergrens’ en de ‘ernstige hindergrens’ moet dus worden bepaald wat een aanvaardbaar hinderniveau is in het concrete geval en kan het college maatwerkvoorschriften opstellen. In dit geval is de hindergrens volgens het Antea-rapport 2,5 OUe/m3 als 99,99-percentiel (minder dan 1 uur per jaar hoger dan 2,5 OUe/m3) en de ernstige hindergrens 25 OUe/m3 als 99,99-percentiel (minder dan 1 uur per jaar hoger dan 25 OUe/m3). De maximale geurbelasting van de kampvuren (berekend op basis van ‘grote vuren’ en in de maanden waarin volgens het rekenprogramma de grootste geurimmissie wordt veroorzaakt op het adres van omwonenden) blijkt uit de berekening 22,4 OUe/m3 als 99,99-percentiel te zijn. Dit leidt dan ook tot de conclusie dat in geen enkel onderzocht scenario de in het geurhinderbeleid gehanteerde ernstige hindergrens wordt overschreden. Het college heeft de door Antea Group berekende maximale geurbelasting van 22,4 OUe/m3 als 99,99-percentiel in het bestreden besluit overgenomen als het maximaal aanvaardbare hinderniveau.
8.7.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Deze waarde is de uitkomst van een worst case-scenario, hetgeen gebruikelijk is bij de bepaling van het aanvaardbaar hinderniveau. Ook is niet gebleken dat de geurhinder op een onjuiste wijze is berekend. In dat verband acht de rechtbank van belang dat – op grond van artikel 2.7a, tweede lid van het Activiteitenbesluit – een geuronderzoek moet worden uitgevoerd overeenkomstig de NTA 9065. Daarin wordt bij het modelleren van niet-continue bronnen uitgegaan van een worst case-benadering. Uit het Antea-rapport en de toelichting van de geurdeskundige ter zitting blijkt dat de geurbelasting is berekend met het verspreidingsmodel Stacks-G van het rekenprogramma Geomilieu V2022.41, een door het RIVM gevalideerd en goedgekeurd rekenmodel voor luchtverspreidingsberekeningen, waaronder geur. In dit model worden de klimatologische omstandigheden van 10 jaar (2005-2014) gebruikt voor het berekenen van de geurbelasting, waarbij onder meer windrichting, windsnelheid en luchtvochtigheid worden betrokken. Eisers hebben niet concreet gemaakt dat dit model niet kan worden gebruikt bij het berekenen van de geurbelasting van de gestookte vuren. Zij hebben geen contra-expertise of onderzoek overgelegd waarin het Antea-rapport gemotiveerd wordt weersproken. Aan de door eiseres uitgevoerde berekening met behulp van ChatGPT hecht de rechtbank geen waarde, aangezien ChatGPT geen goedgekeurd rekenmodel bij geurbelasting is.
8.8.
Voor zover eisers – onder verwijzing naar paragraaf 3.3.1 van het provinciale geurhinderbeleid – betogen dat gerekend had moeten worden met een 99,5-percentiel in plaats van een 99,99-percentiel volgt de rechtbank hen daarin niet. Deze paragraaf geeft een meer algemene toelichting op het bij geurhinder toepassen van toetsingswaarden gebaseerd op frequentieverdelingen. Daarbij is toegelicht dat bij het toepassen van een 99,5-percentiel 0,5% (100 – 99,5) van de tijd (= 44 uur per jaar) een bepaalde geurconcentratie wordt overschreden. Anders dan eisers veronderstellen betekent dat niet dat bij een bron met een emissie van minder dan 44 uur per jaar een percentielwaarde van 99,5 moet worden toegepast. In paragraaf 3.5.1 van het provinciale geurhinderbeleid (“Beoordelingskader aanvaardbaar geurhinderniveau”) is vervolgens toegelicht dat bij discontinue bronnen het 99,99-percentiel wordt gebruikt. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat het geuronderzoek in strijd is met het provinciale geurhinderbeleid.
8.9.
Verder heeft het college naar het oordeel van de rechtbank bij het bepalen van een aanvaardbaar geurhinderniveau mogen betrekken dat alle klachten die in de afgelopen vijf jaar zijn ingediend, afkomstig zijn van eisers en niet van andere omwonenden. Ook heeft het college daarbij mogen betrekken dat de toezichthouders bij diverse controlebezoeken ter plaatsen van de woningen slechts beperkte geurhinder of rookontwikkeling hebben waargenomen. Daarbij komt dat de scoutingverenigingen beschikken over stookprotocollen die erop gericht zijn om overlast te voorkomen. Daarmee heeft het college naar het oordeel van de rechtbank de in artikel 2,7a, derde lid van het Activiteitenbesluit genoemde aspecten voldoende meegenomen bij het bepalen van een aanvaardbaar geurhinderniveau.
8.10.
De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of de maatwerkvoorschriften toereikend zijn. In het Antea-rapport en het maatwerkbesluit is toegelicht dat het rekenprogramma enkele beperkingen kent voor fluctuerende bronnen van zeer korte duur. Daarom zijn verschillende berekeningen uitgevoerd (berekening per maand, berekening met vuren met een lagere emissie op dezelfde tijd, berekening met vuren op een andere tijd, berekening per dag in de maanden met de hoogste geurbelasting). De berekening is gebaseerd op een worst case-scenario. Nu in dat scenario binnen de bandbreedte voor het stellen van maatwerkvoorschriften wordt gebleven is de rechtbank – mede gelet op de beoordelingsruimte die het college heeft – van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten om deze maatwerkvoorschriften op te stellen. Wanneer bij het stoken van de vuren de maatwerkvoorschriften worden nageleefd, zal geen onaanvaardbare hinder optreden. Daarom ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het college in de maatwerkvoorschriften minder vuren had moeten toestaan.
8.11.
De beroepsgrond slaagt niet.
Beste beschikbare technieken
9. Eisers betogen dat het stoken van vuren niet voldoet aan het vereiste van de beste beschikbare technieken (hierna: BBT).
9.1.
Zoals het college heeft toegelicht, zijn er voor open vuren geen BBT-conclusies of landelijke informatiedocumenten vastgesteld. De rechtbank is daarom van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bestrijden van geurhinder op grond van artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit plaatsvindt. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat de door eisers voorgestelde alternatieven (zoals sfeerverlichting en elektrische barbecues) niet zijn aan te merken als BBT, maar als alternatieven voor de activiteit zelf. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het college deze alternatieven bij de beoordeling had moeten betrekken.
9.2.
De beroepsgrond slaagt niet.
Afvalstoffen
10. Eisers betogen dat het hout dat bij de vuren wordt gebruikt is aan te merken als afvalstof. Op grond van artikel 2.14a van het Activiteitenbesluit is het verboden om afvalstoffen te verbranden. In dat verband verwijzen eisers naar de ‘Handreiking afvalstof of product voortgezet gebruik van onbehandeld hout’.
10.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van het verbranden van afvalstoffen. Tot op heden is door toezichthouders van het college ook nog nooit een overtreding van artikel 2.14a van het Activiteitenbesluit geconstateerd.
10.2.
De rechtbank wijst op de uitspraak van 13 juni 2025 [9] waarin de rechtbank in het kader van een handhavingsprocedure al heeft geoordeeld dat de door de scoutingver-enigingen gebruikte haardblokken niet als afvalstof moeten worden aangemerkt. Zij ziet geen aanleiding daar thans anders over te oordelen.
10.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Luchtvervuiling
11. Eisers betogen dat bij het verbranden van haardhout luchtvervuiling, fijnstof, methaan- en CO2-uitstoot ontstaan en dit slecht is voor hun gezondheid. De rechtbank begrijpt deze beroepsgrond zo dat eisers betogen dat het college om die reden maatwerkvoorschriften had moeten opstellen in het kader van emissies naar de lucht en daarin minder vuren had moeten toestaan.
11.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat, gelet op de zeer beperkte omvang, frequentie en duur van de activiteit de emissies ruim beneden de waarden uit artikel 2.6 van het Activiteitenbesluit blijven. Hierdoor geldt ten aanzien van de emissies de vrijstellingsbepaling. Het stellen van maatwerk ten aanzien van deze emissies is dan ook niet aan de orde.
11.2.
De rechtbank volgt het standpunt van het college. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eisers verder niet concreet hebben gemaakt op grond waarvan het college maatwerkvoorschriften had moeten opstellen ten aanzien van emissies naar de lucht.
11.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
EVRM
12. Eisers betogen dat zij als gevolg van de geurhinder niet ongestoord in hun woning kunnen wonen. Dit is in strijd met de artikelen 2 en 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
12.1.
De rechtbank overweegt dat in artikel 8 van Pro het EVRM is bepaald dat een ieder het recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Volgens vaste rechtspraak [10] van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens kent het EVRM geen uitdrukkelijk recht toe op een schone en stille omgeving, maar kan strijd met artikel 8 ontstaan Pro als de overlast zodanig is dat die de betrokkene in ernstige mate in zijn gezondheid treft of hem belet in zijn woongenot en zijn privé- of gezinsleven. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat bij naleving van de maatwerkvoorschriften geen onaanvaardbare hinder zal optreden. Daarom kan naar het oordeel van de rechtbank ook geen overlast ontstaan die zo erg is dat het eisers belet in hun woongenot en hun privé- en gezinsleven. Ook van strijd met artikel 2 van Pro het EVRM (het recht op leven) kan daarom geen sprake zijn.
12.2.
De beroepsgrond slaagt niet.
Voorschrift 1.1.6
13. Voorschrift 1.1.6 luidt:
“Wanneer de windrichting direct in de richting van de nabijgelegen geurgevoelige objecten op [straatnaam 1] en de [straatnaam 2] [huisnummers] ligt mag er geen vuur worden gestookt”.
13.1.
Bij de behandeling van het door eisers ingediende verzoek om een voorlopige voorziening op 13 maart 2025 is door partijen de afspraak gemaakt dat gedurende de periode tot de behandeling van het beroep van eisers dit voorschrift zo moet worden uitgelegd dat geen vuur mag worden gestookt wanneer de wind komt vanuit een windrichting tussen zuidoost over zuidelijk tot en met zuidwest. Dit blijkt uit het herstelproces-verbaal van 20 maart 2025. Door eisers zijn hier geen aanvullende gronden over ingebracht. Er zijn redenen om aan te nemen dat het maatwerkvoorschrift niet handhaafbaar zou zijn.
13.2.
De beroepsgrond slaagt niet.
Overige beroepsgronden
14. De rechtbank overweegt dat het Schone Lucht Akkoord, de Urgenda-uitspraak , het door eisers genoemde advies en rapport van de GGD, de factsheet van het RIVM, de raadsbrief van het college van 13 oktober 2023, de website van de gemeente en gemeenteberichten en factsheets, de Aktes van Oprichting en Omzetting van de scoutingverenigingen, en de bruikleenovereenkomst tussen de gemeente en de scoutingverenigingen geen onderdeel vormen van het toetsingskader uit het Activiteitenbesluit. Om die reden kunnen deze beroepsgronden niet slagen.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.P. Brand, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Activiteitenbesluit milieubeheer
Artikel 2.7a
1. Indien bij een activiteit emissies naar de lucht plaatsvinden, wordt daarbij geurhinder bij geurgevoelige objecten voorkomen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is wordt de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau beperkt.
2. Het bevoegd gezag kan, indien het redelijk vermoeden bestaat dat niet aan het eerste lid wordt voldaan, besluiten dat een rapport van een geuronderzoek wordt overgelegd. Een geuronderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig de NTA 9065.
3. Bij het bepalen van een aanvaardbaar niveau van geurhinder wordt ten minste rekening gehouden met de volgende aspecten:
a. de bestaande toetsingskaders, waaronder lokaal geurbeleid;
b. de geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten;
c. de aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt bij de betreffende inrichting;
d. de historie van de betreffende inrichting en het klachtenpatroon met betrekking geurhinder;
e. de bestaande en verwachte geurhinder van de betreffende inrichting, en
f. de kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels in de inrichting.
4. Het bevoegd gezag kan, indien blijkt dat de geurhinder ter plaatse van een of meer geurgevoelige objecten een aanvaardbaar hinderniveau kan overschrijden, bij maatwerkvoorschrift:
a. geuremissiewaarden vaststellen;
b. bepalen dat bepaalde geurbelastingen ter plaatse van die objecten niet worden overschreden, of
c. bepalen dat technische voorzieningen in de inrichting worden aangebracht of gedragsregels in de inrichting in acht worden genomen om de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken.
5. Indien een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het vierde lid wordt vastgesteld, kan het bevoegd gezag besluiten dat door degene die de inrichting drijft een rapport van een onderzoek naar de beschikbaarheid van technische voorzieningen en gedragsregels wordt overgelegd waaruit blijkt dat aan het eerste lid wordt voldaan.

Voetnoten

1.Uitspraak van 17 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:2243.
2.Memo
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3757, r.o. 7.1.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1997, r.o. 10.2.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:621, r.o. 10.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2217, r.o. 3.2.
8.“Geurhinderbeleid Provincie Zuid-Holland Actualisatie 2019”, 22 januari 2019.
10.Zie het arrest van het EHRM van 13 juli 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:0713JUD003834205 (Jugheli tegen Georgië), punt 62 en de daar aangehaalde rechtspraak)