ECLI:NL:RBDHA:2026:4792

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
NL26.2871
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing vrijheidsontnemende maatregel en toekenning schadevergoeding wegens onrechtmatige detentie

Eiser, afkomstig uit Iran, kreeg op 10 januari 2026 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6 lid 3 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding wegens onrechtmatige detentie.

De rechtbank oordeelde dat gedwongen terugkeer naar Iran niet mogelijk is vanwege het ontbreken van een geldig paspoort en de onmogelijkheid tot uitzetting naar India. De detentie was daarom niet langer gerechtvaardigd vanaf 22 januari 2026, het moment waarop de Iraanse nationaliteit van eiser vaststond.

Gezien de onzekere veiligheidssituatie in Iran en de onmogelijkheid tot tijdige afhandeling van de asielprocedure, werd de voortzetting van de detentie onrechtmatig geacht. De rechtbank beval de opheffing van de maatregel per 27 januari 2026 en kende een schadevergoeding van €600 toe voor zes dagen onrechtmatige bewaring. Tevens werden proceskosten van €1.868 toegewezen aan eiser.

Uitkomst: De rechtbank hechtte het beroep toe, hief de vrijheidsontnemende maatregel op en kende een schadevergoeding toe wegens onrechtmatige detentie.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.2871
V-nummer: [v nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. T. de Boer),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Afkari. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel van bewaring met ingang van 27 januari 2026;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 600,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Overwegingen

De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
1. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt met betrekking tot zowel de asielprocedure als de verwijdering van eiser. Volgens hem is er binnen een redelijke termijn ook geen verwijdering mogelijk. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van 12 februari 2025 van deze rechtbank en zittingsplaats. [1]
2.1
In het voornemen van 22 januari 2026 is opgenomen dat de Iraanse herkomst van eiser geloofwaardig worden geacht. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft op
12 februari 2025 geoordeeld dat gedwongen terugkeer naar Iran niet mogelijk is zonder een geldig paspoort. Eiser is in Nederland aangekomen met een vals bevonden Grieks paspoort. Gedwongen uitzetting is voor hem dus niet mogelijk. Verder is een removal order uitgevaardigd voor India. Eiser kan echter niet met een removal order naar India worden uitgezet. Voor de motivering hiervan verwijst de rechtbank naar de hiervoor genoemde uitspraak van 12 februari 2025 [2] . Daardoor is nu al duidelijk dat een uitzetting niet mogelijk is.
2.2
De huidige grensdetentie kan op een aantal manieren eindigen: opheffing in verband met het verlenen van een asielvergunning, opheffing om andere redenen of uitzetting nadat eiser de asielprocedure zonder succes heeft doorlopen. Nu reeds nu al duidelijk is dat eiser na ommekomst van de asielprocedure niet zal kunnen worden uitgezet, ziet de rechtbank dat verdere voortzetting van de grensdetentie niet langer een gerechtvaardigd doel kan dienen en daardoor vanaf 22 januari 2026 – het moment waarop de Iraanse nationaliteit van eiser vast stond – niet langer rechtmatig is te achten.
3. Verder stelt de rechtbank vast dat de veiligheidssituatie in Iran thans sterk ongewis is. Naast de vele berichten daarover kwam zeer recent nog een artikel dat bij het neerslaan van de protesten mogelijk 30.000 mensen zijn gedood. Deze rechtbank, zittingsplaatsen Amsterdam en Den Bosch hebben in andere zaken al laten weten de beroepen van vreemdelingen uit Iran aan te houden, dan wel nadere informatie op te vragen bij verweerder gelet op de huidige veiligheidssituatie in Iran. Verweerder had bij het voornemen van 22 januari 2026 al kunnen en moeten bedenken dat het voortduren van de maatregel niet langer gerechtvaardigd was, nu de kans ontzettend groot is dat het asielberoep niet binnen 13 weken op een zorgvuldige wijze behandeld had kunnen worden. [3]
4. Het beroep is gegrond en de maatregel is met ingang van 23 januari 2026 onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van
27 januari 2026.
5. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 6 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) bewaring van 5 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 600,-.
6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2026 door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van M.A. van Garder, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.NL25.2270 en NL25.2601.
2.Rechtsoverweging 3.