ECLI:NL:RBDHA:2026:4765

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
26-1148
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 6:19 AwbArt. 5.1 OmgevingswetArt. 22.26 OmgevingsplanArt. 22.29 Omgevingsplan
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning dakopbouw garage

De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen de verleende omgevingsvergunning voor het plaatsen van een dakopbouw op de garage van een woning in Waddinxveen. Verzoeker, buur van de vergunninghouder, betwist de vergunning en vreest onder meer voor lekkages en privaatrechtelijke overschrijding van de erfgrens.

Het college had de vergunning verleend op basis van het bestemmingsplan en het omgevingsplan, waarbij het een gebonden beschikking betrof. Dit betekent dat het college geen ruimte had voor een nadere belangenafweging, ook niet ten aanzien van privaatrechtelijke aspecten zoals erfgrensoverschrijding.

Tijdens de procedure is een gewijzigde bouwtekening ingediend die de uitbouw iets afvlakt zodat deze niet meer aan de erfgrens raakt. De voorzieningenrechter oordeelt dat deze wijziging toelaatbaar is en beoordeelt het bouwplan aan de hand van deze gewijzigde tekening.

De voorzieningenrechter concludeert dat het college de vergunning terecht heeft verleend en dat de aangevoerde gronden van verzoeker onvoldoende zijn om te verwachten dat het besluit in de bodemprocedure zal worden vernietigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen, evenals het verzoek tot aanhouding van de zaak.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor de dakopbouw wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/1148

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van Waddinxveen, het college

(gemachtigde: [gemachtigde]).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[vergunninghouder], te [woonplaats] (vergunninghouder).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de verleende omgevingsvergunning voor – voor zover hier van belang – het plaatsen van een dakopbouw op de garage bij een woning aan de [adres] in [plaats]. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Wat verzoeker heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor de verwachting dat het bestreden besluit in de bodemprocedure niet in stand zal blijven
.Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Het college heeft met het besluit van 14 mei 2025 de hiervoor genoemde omgevingsvergunning verleend aan vergunninghouder.
2.1.
Met het bestreden besluit van 24 november 2025 op het bezwaar van verzoeker is het college bij dit besluit gebleven onder aanvulling van de motivering ervan. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld (zaak SGR 25/9097) en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Bij besluit van 24 februari 2026 heeft het college ingestemd met een gewijzigde bouwtekening voor het bouwplan.
2.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van het college en vergunninghouder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Achtergrond
3. Verzoeker en vergunninghouder zijn buren. Hun woningen liggen op enige afstand van elkaar, maar zijn met elkaar verbonden door twee tussenliggende garages met een plat dak. De erfgrens tussen de beide percelen loopt over het midden van dit dak. Vergunninghouder wil op zijn garage een uitbouw realiseren.
Het wijzigingsbesluit van 24 februari 2026
4. Hangende de beroepsprocedure heeft vergunninghouder een nieuwe bouwtekening bij het college ingediend. Op deze tekening is een hoek van de voorziene uitbouw aan de achterzijde enigszins afgevlakt, waardoor deze niet langer raakt aan de erfgrens met het perceel van verzoeker. Het college heeft bij besluit van 24 februari 2026 ingestemd met deze wijziging en besloten dat deze bouwtekening de eerdere bouwtekening bij het bestreden besluit vervangt. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is de voorgestelde wijziging van het bouwplan een toelaatbare wijziging van ondergeschikte aard. Dat betekent dat het besluit van 24 februari 2026 moet worden aangemerkt als een wijziging van het bestreden besluit waartegen het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker van rechtswege mede gericht zijn. [1] De voorzieningenrechter zal daarom in deze procedure het bouwplan beoordelen zoals dat is gewijzigd met het besluit van 24 februari 2026.
Spoedeisend belang
5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening sprake is van onomkeerbare gevolgen die met zich meebrengen dat de uitkomst van de bodemprocedure niet kan worden afgewacht.
5.1.
Aangezien vergunninghouder de uitspraak op het beroep niet wil afwachten en bij uitvoering van de werkzaamheden sprake is van gevolgen die zich bezwaarlijk ongedaan laten maken, heeft verzoeker een voldoende spoedeisend belang bij zijn verzoek.
Gronden
6. Verzoeker heeft ter zitting toegelicht dat hij met name vreest voor lekkages als gevolg van de uitvoering van het bouwplan. Daarnaast heeft verzoeker het vermoeden dat het bouwplan niet gerealiseerd kan worden zonder dat bij de bouwwerkzaamheden gebruik gemaakt wordt van zijn dak, waarvoor hij geen toestemming wil verlenen. Verder heeft verzoeker geconstateerd dat de bouwtekeningen meerdere fouten bevatten. Dit betreft onder meer de wijze waarop de verlenging van zijn garage en de erfgrens zijn ingetekend. Hij stelt dat hij daarom niet kan vaststellen of het bouwplan niet toch voor een deel op zijn eigendom zal worden gerealiseerd. Tot slot wenst verzoeker, als het verzoek niet kan worden toegewezen, aanhouding van de zaak, zodat hij meer tijd heeft om de gewijzigde bouwtekening te bestuderen.
Beoordelingskader
7. Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
Een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet wordt in de bijlage bij die wet – voor zover hier van belang – gedefinieerd als:
a. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan
(…).
Artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (het Bkl) luidt: voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.
Ter plaatse geldt het omgevingsplan gemeente Waddinxveen (het omgevingsplan).
Op grond van artikel 22.26 van het omgevingsplan is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
Ingevolge artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, van het omgevingsplan wordt, voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, de omgevingsvergunning alleen verleend als de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4.
Uit artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder b, van het omgevingsplan volgt – samengevat weergegeven – dat de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Uit artikel 22.1 van de Omgevingswet, gelezen in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet, volgt dat het tijdelijke deel van het omgevingsplan onder meer bestaat uit het ter plaatse geldende bestemmingsplan.
Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “[bestemmingsplan]”. Het perceel van vergunninghouder heeft hierin de bestemming “Wonen”.
Op grond van artikel 8.1 van de regels van dit bestemmingsplan zijn deze gronden bestemd voor onder meer eengezinshuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan huis verbonden beroep en aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen.
Uit artikel 8.2.1 van het bestemmingsplan, bezien in samenhang met de verbeelding van dit bestemmingsplan, volgt dat binnen het bouwvlak onder meer hoofdgebouwen, aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen mogen worden gerealiseerd met een bouwhoogte van maximaal 9 meter.
Heeft het college de omgevingsvergunning terecht verleend?
8. Niet in geschil is dat het bouwplan past binnen de bouw- en gebruiksmogelijkheden van het bestemmingsplan. Evenmin is in geschil dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Het bouwplan voldoet daarmee aan de eisen die artikel 22.29 van het Omgevingsplan stelt voor het verlenen van de omgevingsvergunning. Dit betekent – gelet op artikel 8.0a, eerste lid van het Bkl – dat het college de omgevingsvergunning moest verlenen. Het gaat in dit geval om een zogenoemde gebonden beschikking. Het college had daarom geen ruimte voor het maken van de door verzoeker gewenste nadere belangenafweging.
8.1.
Dit betekent ook dat het college eventuele privaatrechtelijke belemmeringen met betrekking tot realisatie van het bouwplan – zoals de door verzoeker gevreesde overschrijding van de erfgrens – niet kon betrekken in de besluitvorming. Het beoordelingskader waaraan het college is gebonden bij dit soort vergunningen, biedt hiervoor geen ruimte.
8.2.
Overigens wordt overwogen dat op de zitting aan de hand van de bouwtekeningen is vastgesteld dat de uitbouw is voorzien op de eigen grond van vergunninghouder en op geen enkel punt raakt aan de erfgrens tussen de beide percelen. Aangezien de bouwtekeningen deel uitmaken van de verleende omgevingsvergunning, moet conform deze tekeningen worden gebouwd. Dit betekent dat niet over de erfgrens mag worden gebouwd. Het college heeft op de zitting bevestigd dat een toezichthouder hierop zal toezien en dat in beginsel handhavend zal worden opgetreden als in afwijking van de bouwtekeningen wordt gebouwd.

Conclusie en gevolgen

9. Gelet op voorgaande was het college naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter gehouden de omgevingsvergunning te verlenen. Wat verzoeker heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor de verwachting dat het bestreden besluit in de bodemprocedure niet in stand zal blijven. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Dat betekent dat het bestreden besluit niet wordt geschorst.
9.1.
Voor de door verzoeker verzochte aanhouding van de zaak ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.
9.2.
Omdat het verzoek wordt afgewezen, bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:19, eerste lid, en artikel 8:81, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.