5.1.Aangezien vergunninghouder de uitspraak op het beroep niet wil afwachten en bij uitvoering van de werkzaamheden sprake is van gevolgen die zich bezwaarlijk ongedaan laten maken, heeft verzoeker een voldoende spoedeisend belang bij zijn verzoek.
6. Verzoeker heeft ter zitting toegelicht dat hij met name vreest voor lekkages als gevolg van de uitvoering van het bouwplan. Daarnaast heeft verzoeker het vermoeden dat het bouwplan niet gerealiseerd kan worden zonder dat bij de bouwwerkzaamheden gebruik gemaakt wordt van zijn dak, waarvoor hij geen toestemming wil verlenen. Verder heeft verzoeker geconstateerd dat de bouwtekeningen meerdere fouten bevatten. Dit betreft onder meer de wijze waarop de verlenging van zijn garage en de erfgrens zijn ingetekend. Hij stelt dat hij daarom niet kan vaststellen of het bouwplan niet toch voor een deel op zijn eigendom zal worden gerealiseerd. Tot slot wenst verzoeker, als het verzoek niet kan worden toegewezen, aanhouding van de zaak, zodat hij meer tijd heeft om de gewijzigde bouwtekening te bestuderen.
7. Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
Een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet wordt in de bijlage bij die wet – voor zover hier van belang – gedefinieerd als:
a. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan
(…).
Artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (het Bkl) luidt: voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.
Ter plaatse geldt het omgevingsplan gemeente Waddinxveen (het omgevingsplan).
Op grond van artikel 22.26 van het omgevingsplan is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
Ingevolge artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, van het omgevingsplan wordt, voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, de omgevingsvergunning alleen verleend als de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4.
Uit artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder b, van het omgevingsplan volgt – samengevat weergegeven – dat de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Uit artikel 22.1 van de Omgevingswet, gelezen in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet, volgt dat het tijdelijke deel van het omgevingsplan onder meer bestaat uit het ter plaatse geldende bestemmingsplan.
Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “[bestemmingsplan]”. Het perceel van vergunninghouder heeft hierin de bestemming “Wonen”.
Op grond van artikel 8.1 van de regels van dit bestemmingsplan zijn deze gronden bestemd voor onder meer eengezinshuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan huis verbonden beroep en aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen.
Uit artikel 8.2.1 van het bestemmingsplan, bezien in samenhang met de verbeelding van dit bestemmingsplan, volgt dat binnen het bouwvlak onder meer hoofdgebouwen, aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen mogen worden gerealiseerd met een bouwhoogte van maximaal 9 meter.
Heeft het college de omgevingsvergunning terecht verleend?
8. Niet in geschil is dat het bouwplan past binnen de bouw- en gebruiksmogelijkheden van het bestemmingsplan. Evenmin is in geschil dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Het bouwplan voldoet daarmee aan de eisen die artikel 22.29 van het Omgevingsplan stelt voor het verlenen van de omgevingsvergunning. Dit betekent – gelet op artikel 8.0a, eerste lid van het Bkl – dat het college de omgevingsvergunning moest verlenen. Het gaat in dit geval om een zogenoemde gebonden beschikking. Het college had daarom geen ruimte voor het maken van de door verzoeker gewenste nadere belangenafweging.