ECLI:NL:RBDHA:2026:4755
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening in asielzaak wegens Dublin-verantwoordelijkheid Duitsland
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling is genomen op grond van de Dublin-verordening, waarbij Duitsland als verantwoordelijke lidstaat wordt aangewezen.
Tegen dit besluit is beroep ingesteld en tevens is een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter heeft het verzoek samen met een gerelateerde zaak op 24 februari 2026 behandeld.
De rechtbank heeft op dezelfde dag uitspraak gedaan in de hoofdzaak (zaaknummer NL26.8029), waardoor de voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is. Om die reden wijst de voorzieningenrechter het verzoek af en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter J.H. Lange op 9 maart 2026 te Utrecht. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.