ECLI:NL:RBDHA:2026:4754
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen terugkeerbesluit asielaanvraag Irak
Verzoeker, van Iraakse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister wees deze aanvraag op 13 oktober 2025 in de verlengde procedure af als kennelijk ongegrond en legde een terugkeerbesluit op met onmiddellijke vertrekplicht naar Irak.
Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 3 maart 2026 samen met een gerelateerde zaak en sloot het onderzoek op die zitting.
De rechtbank oordeelde in de bodemzaak dat het terugkeerbesluit onrechtmatig was omdat onduidelijk was of de Griekse autoriteiten de vluchtelingenstatus van verzoeker intrekken. Het terugkeerbesluit werd vernietigd voor zover het betrekking had op de vertrekplicht, maar het overige besluit bleef in stand.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af, mede gelet op de uitkomst van de bodemzaak. Wel werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoeker ter hoogte van € 934,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het terugkeerbesluit wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.