ECLI:NL:RBDHA:2026:4754

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
NL25.49897
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen terugkeerbesluit asielaanvraag Irak

Verzoeker, van Iraakse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister wees deze aanvraag op 13 oktober 2025 in de verlengde procedure af als kennelijk ongegrond en legde een terugkeerbesluit op met onmiddellijke vertrekplicht naar Irak.

Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 3 maart 2026 samen met een gerelateerde zaak en sloot het onderzoek op die zitting.

De rechtbank oordeelde in de bodemzaak dat het terugkeerbesluit onrechtmatig was omdat onduidelijk was of de Griekse autoriteiten de vluchtelingenstatus van verzoeker intrekken. Het terugkeerbesluit werd vernietigd voor zover het betrekking had op de vertrekplicht, maar het overige besluit bleef in stand.

De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af, mede gelet op de uitkomst van de bodemzaak. Wel werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoeker ter hoogte van € 934,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het terugkeerbesluit wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.49897

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], verzoeker,

van Iraakse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. S.A.S. Jansen),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van verzoeker als kennelijk ongegrond en het opleggen van een terugkeerbesluit naar Irak met een onmiddellijk vertrekplicht.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het bestreden besluit van 13 oktober 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij is ook geen verblijfsvergunning regulier of uitstel van vertrek verleend en is aan verzoeker een terugkeerbesluit opgelegd, waarin is bepaald dat verzoeker Nederland onmiddellijk moet verlaten en moet vertrekken naar Irak. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met de behandeling van de NL25.49896, op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.49896, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, omdat de minister een terugkeerbesluit heeft opgelegd terwijl nog onduidelijk is of de Griekse autoriteiten de door hen aan eiser verleende vluchtelingenstatus intrekken. Het bestreden besluit is daarom vernietigd, voor zover daarin aan eiser een terugkeerbesluit is opgelegd. Het bestreden besluit blijft voor het overige in stand.
3.1.
Gelet op de uitkomst van de bodemzaak veroordeelt de voorzieningenrechter de minister wel in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- veroordeelt de minister tot betaling van een bedrag van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.