ECLI:NL:RBDHA:2026:4750
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit op de Dublinverordening, omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 behandeld en beoordeelt of het besluit rechtmatig is.
Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet toegepast mag worden vanwege de slechte opvangvoorzieningen in Oostenrijk, het ontbreken van een eerlijk proces en onvoldoende medische zorg. De rechtbank overweegt dat de minister in beginsel mag uitgaan van het vertrouwensbeginsel, zoals bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Eiser heeft onvoldoende concrete en objectieve aanwijzingen geleverd om dit vermoeden te weerleggen.
De rechtbank wijst erop dat structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem in Oostenrijk moeten worden aangetoond om het vertrouwensbeginsel te kunnen doorbreken. Ook het beroep op indirect refoulement wordt niet gevolgd, omdat het vertrouwensbeginsel blijft gelden. Daarnaast is de minister niet verplicht de aanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, omdat geen bijzondere, individuele omstandigheden zijn gesteld die de overdracht onevenredig hard maken.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst de vordering van eiser af. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter J.H. Lange op 9 maart 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.