ECLI:NL:RBDHA:2026:4728

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
NL26.6635
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitArt. 5 Richtlijn 2008/115DublinverordeningArrest Adrar ECLI:EU:C:2025:647
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000 ongegrond verklaard

Eiser, van Iraanse nationaliteit, werd op 5 februari 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij diende op 6 februari 2026 een asielaanvraag in. De minister zond op 11 februari 2026 een claimverzoek aan Duitsland, maar ontving nog geen reactie. Eiser voerde aan dat de maatregel prematuur was en dat een lichter middel had moeten worden toegepast.

De rechtbank oordeelde dat er voldoende concrete aanknopingspunten waren dat eiser onder de Dublinverordening viel, waardoor de bewaring gerechtvaardigd was. De minister had bovendien voldoende gemotiveerd waarom geen lichter middel volstond, onder meer vanwege eerdere asielaanvragen en risico op onttrekking aan toezicht.

Eiser vreesde uitzetting naar Iran en stelde dat Duitsland geen eerlijke procedure zou bieden. De rechtbank verwees naar het arrest Adrar van het Hof van Justitie van de EU en concludeerde dat het beginsel van non-refoulement zich niet verzet tegen de bewaring. De ambtshalve toetsing wees uit dat de maatregel niet onrechtmatig was.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.6635
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. N.L. Schoonbrood).

Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 16 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen R. Modi. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Iraanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1969.
Proces-verbaal staandehouding
2. In het proces-verbaal staandehouding (M105) van 5 februari 2026 staat genoteerd dat eiser zich om 10.25 uur bij de balie op het COA bevond om aan zijn meldplicht te voldoen. Vervolgens staat in het proces-verbaal dat eiser om 10.10 uur staande is gehouden. Eiser stelt zich op het standpunt dat deze tijdlijn niet lijkt te kloppen en verzoekt de rechtbank hier dan ook gevolgen aan te binden.
3. De rechtbank oordeelt als volgt. De minister heeft ter zitting aangegeven dat het gaat om een kennelijke verschrijving. De rechtbank ziet geen reden om hieraan te twijfelen en ziet daarom ook geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een gebrek in het voortraject of dat eiser op enigerlei wijze in zijn belangen is geschaad.
Onrechtmatigheid van de maatregel (grondslag)
4. Eiser stelt dat de maatregel van begin af aan onrechtmatig is, omdat er geen grond is voor de inbewaringstelling. Eiser is op 5 februari 2026 in bewaring gesteld en heeft op 6 februari 2026 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft op 11 februari 2026 een claimverzoek aan Duitsland gezonden en tot op heden is nog geen akkoord van Duitsland ontvangen. Eiser vraagt zich af of de minister niet eerst reactie op het claimverzoek dient af te wachten en stelt dat de maatregel prematuur dient te worden geacht.
5. De rechtbank is van oordeel dat er voldoende concrete aanknopingspunten bestaan (en bestonden ten tijde van het opleggen van de maatregel) dat eiser onder de Dublinverordening valt. Daarom mocht hij op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw in bewaring worden gesteld en wordt dit niet aangemerkt als prematuur. Uit het dossier blijkt dat eiser zich op 26 januari 2026 in Duitsland heeft gemeld voor een asielaanvraag en dat op 11 februari 2026 een claimverzoek is verzonden naar de Duitse autoriteiten. De minister heeft nog geen reactie ontvangen van de Duitse autoriteiten en mag deze nog afwachten nu de reactietermijn pas twee weken na 11 februari 2026 verstrijkt. De beroepsgrond slaagt niet.

Bewaringsgronden

6. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
7. De rechtbank stelt vast dat de gronden van de maatregel van bewaring niet zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Lichter middel
8. Eiser stelt dat de minister geen kenbare belangenafweging heeft gemaakt waarom geen lichter middel dan de maatregel van bewaring is opgelegd. In onderlinge samenhang dient de maatregel van bewaring om die reden onrechtmatig worden geacht.
9. De rechtbank oordeelt dat de minister kenbaar en voldoende heeft gemotiveerd dat er niet kan worden volstaan met een lichter middel. Zo volgt uit de maatregel onder andere dat eiser al meerdere asielaanvragen heeft ingediend, die niet tot een verblijfsvergunning hebben geleid en meerdere keren met onbekende bestemming is vertrokken. Verder volgt uit de niet betwiste gronden van de maatregel en de motivering al dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. De beroepsgrond slaagt niet.

Verbod op refoulement

10. Eiser vreest dat als Nederland hem overdraagt aan Duitsland, Duitsland hem zal uitzetten naar Iran. Het is belangrijk dat eisers zaak ergens inhoudelijk wordt bekeken. Er is momenteel veel aan de hand in Iran. Eiser zegt in Duitsland geen eerlijke procedure te krijgen.
11. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) heeft in het arrest Adrar1, voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Dat eiser niet kan worden uitgezet gedurende zijn asielprocedure doet niet af aan de bevoegdheid hem in bewaring te stellen gedurende de asielprocedure, in eisers geval op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw. Het is de rechtbank thans niet gebleken dat het beginsel van non-refoulement (of eisers familie- en gezinsleven) zich verzet tegen eisers eventuele verwijdering. In eisers asielprocedure kan zijn vrees bij terugkeer verder aan de orde komen. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

12. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
1. ECLI:EU:C:2025:647.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
20 februari 2026

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.