De minister van Asiel en Migratie legde op 9 februari 2026 aan eiser een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat de maatregel onrechtmatig was vanwege onjuiste toepassing van de wettelijke grondslag, onvoldoende motivering en onvoldoende voortvarendheid van de minister.
De rechtbank oordeelde dat de maatregel rechtmatig was opgelegd en dat de minister terecht de zware gronden onder 3b, 3c en 3i van het Vreemdelingenbesluit aan de maatregel ten grondslag legde. De rechtbank stelde vast dat de minister niet verplicht was om voortvarend te handelen in het kader van uitzetting en dat de belangenafweging voldoende was gemotiveerd, ondanks summiere verklaringen van eiser over zijn gezinssituatie.
Wel erkende de minister dat eiser op een onjuiste grondslag was opgehouden en dat de wettelijke ophoudingstermijn van zes uur met 41 minuten was overschreden. De rechtbank vond deze gebreken echter niet zwaarwegend genoeg om de maatregel van bewaring onrechtmatig te verklaren.
Het beroep werd ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen, maar de minister werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €1.868,00 aan de rechtsbijstandverlener van eiser.