Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
NL26.6486, rectificatie pagina 1 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
Rechtbank Den Haag
De minister van Asiel en Migratie heeft op 3 februari 2026 aan eisers de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld, dat tevens als verzoek om schadevergoeding geldt. De rechtbank heeft het onderzoek schriftelijk behandeld en gesloten op 12 februari 2026.
De minister baseerde de bewaring op zware gronden zoals het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het ontvangen van een overdrachtsbesluit en het niet meewerken aan overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat, alsmede het noodzakelijke karakter van onmiddellijke overdracht. Daarnaast werden lichte gronden genoemd zoals het niet naleven van verplichtingen, het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan.
Eisers betwistten alle gronden, maar de rechtbank oordeelde dat de minister deze terecht en voldoende gemotiveerd heeft aangevoerd. De verklaringen van eisers bevestigden het risico op onttrekking aan toezicht. Ook het beroep dat de minister onvoldoende voortvarend zou handelen faalde, omdat een overdracht gepland stond kort na de bewaring. Het argument dat een lichter middel passend zou zijn vanwege het minderjarige kind werd eveneens verworpen wegens het concrete risico op onttrekking en het ontbreken van onderbouwing.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, wees de verzoeken om schadevergoeding af en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na bekendmaking.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen tegen de bewaring ongegrond en wijst de verzoeken om schadevergoeding af.