Eiseres, een Somalische vrouw, diende op 12 november 2023 een asielaanvraag in die door de minister van Asiel en Migratie op 27 augustus 2025 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank behandelde het beroep op 26 januari 2026 en beoordeelde de geloofwaardigheid van verschillende asielmotieven, waaronder verkrachting door leden van een stam, aanslagen door Al-Shabaab op familieleden, en bedreigingen.
De minister achtte slechts de identiteit en de verkrachting geloofwaardig, maar verwierp de overige motieven wegens inconsistenties en gebrek aan objectieve onderbouwing. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht de aanslag op familieleden en de problemen van de echtgenoot als ongeloofwaardig had beoordeeld, mede vanwege tegenstrijdige verklaringen en onduidelijke tijdlijnen.
Echter, de rechtbank stelde vast dat de minister ten onrechte het verhoor bij de aanmeldfase (AVIM) had betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de problemen van de zoon, dochter en nicht met Al-Shabaab. Dit leidde tot een gebrek in het besluit. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit en gaf de minister acht weken om een nieuw besluit te nemen, waarbij nader onderzoek naar de bedreiging door Al-Shabaab wordt aanbevolen. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen en eiseres kreeg een proceskostenvergoeding van €2.802.