ECLI:NL:RBDHA:2026:4685

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
C/09/694342 / FA RK 25-8461
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • R.S. Matthijssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377e lid 1 BWArt. 611a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging zorg- en opvoedingstaken met geleidelijke opbouw overnachtingen en vakanties

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de vader om de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen zodat de minderjarige bij hem verblijft, met een dwangsom bij niet-nakoming. De moeder verzocht zelf om beperking van de zorgregeling vanwege de kwetsbaarheid van het kind en spanningen rondom het nieuwe huwelijk van de vader.

De rechtbank oordeelde dat de omstandigheden sinds het ouderschapsplan van 2021 zijn gewijzigd en dat de verzoeken ontvankelijk zijn. De communicatie tussen ouders is moeizaam en er is gebrek aan vertrouwen, waardoor ouderschapsbemiddeling wordt aanbevolen.

De zorgregeling wordt aangepast met een opbouw in overnachtingen: eerst alleen zaterdagnachten bij de vader, vanaf augustus 2026 ook woensdagnachten. De vakanties worden geleidelijk uitgebreid volgens een schema dat rekening houdt met het wennen van het kind aan de nieuwe situatie. De moeder brengt het kind naar de vader, de vader brengt het terug. Een dwangsom wordt afgewezen om het bemiddelingstraject niet te verstoren.

De rechtbank wijst de ouders op het belang van het traject bij het Kenniscentrum Kind en Scheiding en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Proceskosten worden ieder voor eigen rekening genomen.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt de zorgregeling met geleidelijke uitbreiding van overnachtingen en vakanties bij de vader en wijst ouderschapsbemiddeling toe.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-8461
Zaaknummer: C/09/694342
Datum beschikking: 6 februari 2026

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Beschikking op het op 6 november 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader],

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Erkens te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F. Borger van der Burg-Holstege te ’s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek.
Op 9 januari 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Van de zijde van de moeder zijn pleitnotities overgelegd.

Verzoek en verweer

Het verzoekschrift strekt ertoe:
- de door de ouders onderling getroffen regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen, in die zin dat [minderjarige] bij de vader verblijft:
- elke woensdag vanaf 15.00 uur tot en met donderdagochtend, waarbij de vader hem ophaalt en naar school brengt;
- elke zaterdag vanaf 15.00 uur tot en met zondag na het avondeten, waarbij de moeder brengt en de vader brengt.
- tijdens het Suikerfeest vanaf de voorafgaande avond in de even jaren;
- tijdens het Offerfeest vanaf de voorafgaande avond in de oneven jaren;
- gedurende de helft van de zomervakantie drie aaneengesloten weken in overleg;
- gedurende de helft van de voorjaars- en herfstvakantie, waarbij geldt dat deze elk bestaan uit de twee weekenden plus de doordeweekse dagen en dat de wisseling op woensdag om 15.00 uur is;
- als ouders er niet uitkomen, is [minderjarige] de eerste helft bij de vader;
- tijdens de kerstvakantie in de even jaren de eerste week en in de oneven jaren de tweede week;
- de meivakantie wordt in overleg gedeeld, waarbij geldt dat als ouders er niet uitkomen [minderjarige] de eerste week bij de vader is;
- de moeder te veroordelen tot nakoming van deze zorgregeling op straffe van verbeurte van een dwangsom aan de vader van € 100,- per dag(deel) dat zij de regeling niet (geheel) nakomt;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vader doet zijn verzoek steunen op de stelling dat de omstandigheden nadien zijn gewijzigd.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt de zorgregeling in die zin te wijzigen dat:
  • [minderjarige] elke woensdag van 12.00 uur uit school tot 19.00 uur na het avondeten bij de vader verblijft;
  • [minderjarige] een keer per twee weken op zaterdag van 10.00 uur tot 18.30 uur na het avondeten bij de vader verblijft;
  • [minderjarige] iedere zondag van 10.00 uur tot 18.30 uur na het avondeten bij de vader verblijft;
  • waarbij geldt dat Vader [minderjarige] van school haalt en hem ’s avonds weer terug brengt en waarbij de vader [minderjarige] op zaterdag respectievelijk zondag ophaalt en ook weer terug brengt;

Voorwaardelijk

- indien de rechtbank van oordeel is dat een vakantieverdeling in het belang van [minderjarige] is, de volgende regeling te bepalen:
- [minderjarige] verblijft gedurende een van de eenweekse vakanties een aaneengesloten periode van maximaal twee of drie dagen bij de vader en gedurende een van de tweeweekse vakanties maximaal twee aaneengesloten periodes van maximaal twee of drie dagen bij de vader met minimaal een dag ertussen;
- [minderjarige] verblijft gedurende de zomervakantie maximaal vier dagen bij de vader, zulks nader overeen te komen;
- de vader wordt verplicht om gedurende de vakanties dagelijks een update te geven over hoe het gaat met [minderjarige];
kosten rechtens.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2018 tot [datum 2] 2021.
- Zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats].
- De minderjarige heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarige uit.
- In de beschikking van 24 februari 2021 van deze rechtbank is de echtscheiding uitgesproken en is het aangehechte convenant, tevens houdende een ouderschapsplan opgenomen in de beschikking.
In artikel 3 (Verzorging en opvoeding) van het ouderschapsplan is opgenomen:
Artikel 3.1 Zorg/contactregeling
De ouders zijn de volgende zorgregeling overeengekomen:
Zolang er borstvoeding wordt gegeven:
-
woensdag van 15.00 uur, dan wel na het middagslaapje van [minderjarige] - 19.00 uur (na het eten);
-
iedere zondag van 12.00 uur - 18.00 uur.
Vanaf het moment dat er geen borstvoeding meer wordt gegeven (+/- vanaf 2,5 jarige leeftijd [minderjarige]):
-
woensdag van 15.00 uur, dan wel na het middagslaapje van [minderjarige] - 19.00 uur (na het eten);
-
iedere zaterdag van 17.00 uur - zondag 15.00 uur, dan wel na het middagslaapje van [minderjarige].
Ouders spreken hierbij de intentie uit dat zij de zorgregeling tussen vader en [minderjarige] verder zullen uitbreiden, zodat [minderjarige] vanaf dat hij naar de basisschool gaat om het weekend bij vader zal verblijven van vrijdagmiddag tot zondagmiddag.”

Beoordeling

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a in samenhang met artikel 1:377e lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de ouders, een beslissing inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna ook: zorgregeling) alsmede een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onvolledige of onjuiste gegevens is uitgegaan.
Standpunt vader
De vader verzoekt wijziging van de onderling overeengekomen zorgregeling op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. Hoewel de ouders in het ouderschapsplan de intentie hebben uitgesproken om de zorgregeling uit te breiden vanaf het moment dat [minderjarige] naar school gaat, lukt het de ouders niet om daar afspraken over te maken. Daar komt bij dat de huidige zorgregeling niet wordt uitgevoerd zoals afgesproken is. [minderjarige] slaapt slechts eens in de twee weken bij de vader in plaats van elk weekend. Verder is de vader recent opnieuw getrouwd. Hij wilde de moeder daarover informeren, maar [minderjarige] had hier bezwaar tegen omdat hij bang was dat hij zijn vader dan niet meer zou zien, zo stelt de vader. Sinds de moeder op de hoogte is van dit nieuwe huwelijk geeft zij aan dat [minderjarige] niet meer bij de vader wil overnachten en mag [minderjarige] van haar niet meer bij de vader overnachten. In de aanloop naar de zitting heeft de moeder de zorgregeling volledig stopgezet. Volgens de moeder is [minderjarige] een kwetsbare en angstige jongen, maar dat herkent de vader niet, althans niet volledig. Voor zover [minderjarige] al problemen heeft, komen die volgens de vader voort uit het handelen van de moeder. Het lukt de moeder niet om [minderjarige] los te laten, waardoor hij niet kan groeien in zijn zelfstandigheid. [minderjarige] slaapt nog steeds bij de moeder in bed, maar bij de vader slaapt hij al een tijdje in een eigen kamer en dat gaat goed. De eetproblemen die [minderjarige] ervaart, zijn ontstaan doordat [minderjarige] tot hij bijna vier jaar oud was uitsluitend borstvoeding heeft gekregen. Vader heeft tot slot aangevoerd dat hij altijd Arabisch praat met [minderjarige]. Het is dan ook niet juist dat [minderjarige] niet met de nieuwe echtgenote van vader kan communiceren. [minderjarige] beheerst het Arabisch goed genoeg om met de nieuwe partner van de vader te praten.
Standpunt moeder
Volgens de moeder is de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek, omdat hij geen rechtens relevante wijziging van omstandigheden heeft benoemd die een uitbreiding van de zorgregeling kunnen rechtvaardigen.
De moeder heeft zelf ook wijziging van de zorgregeling verzocht, in die zin dat de zorgregeling wordt beperkt. [minderjarige] is een kwetsbare jongen die kampt met veel angsten. [minderjarige] durft niet in zijn eigen bed te slapen, heeft eetproblemen en hij heeft last van pathologische tandslijtage, mogelijk als gevolg van stress in de thuissituatie. [minderjarige] is erg gehecht aan zijn moeder en kan slecht met veranderingen omgaan. Verder laat de verstandhouding tussen de ouders te wensen over. In het verleden is sprake geweest van huiselijk geweld, waardoor het vertrouwen van de moeder in de vader is beschadigd. Mede als gevolg hiervan voelt de moeder een enorme beschermingsdrang naar [minderjarige] toe. De vader schendt bovendien met grote regelmaat de gemaakte afspraken door [minderjarige] niet op tijd terug te brengen. Ook geeft hij onvoldoende openheid van zaken over hoe het met [minderjarige] bij hem thuis gaat. Hij is zonder dit aan de moeder te vertellen opnieuw getrouwd en woont inmiddels samen met zijn echtgenote. De vader heeft [minderjarige] verteld dat hij dit niet tegen de moeder mocht zeggen. Dat heeft veel spanning en onrust bij [minderjarige] veroorzaakt. Uiteindelijk heeft [minderjarige] toch aan de moeder verteld dat de vader opnieuw getrouwd is en dat hij daardoor niet meer bij hem wil overnachten. [minderjarige] vindt het spannend dat hij opeens in een eigen bed moet slapen en dat hij niet kan praten met de echtgenote, omdat zij geen Nederlands spreekt. Gelet op de problemen rondom de huidige zorgregeling acht de moeder het in het belang van [minderjarige] dat de zorgregeling wordt beperkt, en [minderjarige] niet bij zijn vader hoeft te slapen.
Ontvankelijkheid
Ten tijde van het opstellen van het ouderschapsplan was constructief overleg tussen de ouders mogelijk, waardoor zij afspraken konden maken over [minderjarige]. Dat is niet langer het geval. Het lukt ouders op dit moment niet om met elkaar te overleggen. De ouders hebben het er daarom nog niet met elkaar over gehad of en hoe zij uitvoering willen geven aan de in het ouderschapsplan uitgesproken intentie om de zorgregeling uit te breiden. Ook staat vast dat de overeengekomen zorgregeling op dit moment niet (volledig) wordt nagekomen. De rechtbank concludeert daarom dat de omstandigheden zijn gewijzigd.
De verzoeken tot wijziging van de onderling overeengekomen zorgregeling zijn daarom ontvankelijk. De rechtbank zal daarom overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van deze verzoeken.
Ten aanzien van het ter zitting ingenomen standpunt van de vader dat op dit moment geen zorgregeling geldt, waardoor geen wijziging maar een vaststelling van de zorgregeling zou moeten volgen, overweegt de rechtbank dat dit berust op een onjuiste lezing van het ouderschapsplan. Daarin is immers opgenomen dat de zorgregeling geldt vanaf het moment dat geen borstvoeding meer wordt gegeven. Er is geen einddatum van de zorgregeling opgenomen.
Inhoudelijke beoordeling
Ouderschapsbemiddeling
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is geleken dat de communicatie tussen de ouders moeizaam verloopt en dat sprake is van een gebrek aan wederzijds vertrouwen. De rechtbank vindt het van belang dat partijen weer goed met elkaar leren communiceren als ouders, zeker gelet op de leeftijd en kwetsbaarheid van [minderjarige] en de door de Raad opgemerkte signalen van een dreigend loyaliteitsconflict. Als de ouders leren om constructief met elkaar te communiceren, zullen ze in de toekomst in staat zijn de zorgregeling in onderling overleg aan te passen en zo in te spelen op de veranderende behoefte van [minderjarige], maar ook bijvoorbeeld afspraken te maken over de precieze indeling van de vakanties. Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling.
De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en/of training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
Het is van belang dat de ouders zich in dit traject richten op het herstel van het onderlinge vertrouwen en de communicatie. Dat zal het beste gaan als er een duidelijke zorgregeling ligt en ouders zich daar ook aan houden. De Raad heeft de rechtbank daarom geadviseerd om de beslissing over de zorgregeling niet aan te houden in afwachting van de resultaten van de ouderschapsbemiddeling, maar nu al een eindbeschikking te nemen. De rechtbank is het met de Raad eens dat het in het belang van [minderjarige] is om nu al een definitieve zorgregeling vast te stellen, zodat de discussie over de zorgregeling het traject niet in de weg staat. De rechtbank zal de ouders daarom bij eindbeschikking verwijzen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de hulpverleningsinstantie een (eind)rapportage over het verloop van het traject indient. Omdat de rechtbank een eindbeschikking zal wijzen, zal de rechtbank geen zogenoemde ‘lus’ naar de Raad opnemen, indien het traject niet heeft geleid tot een positief resultaat. Dat neem niet weg dat de rechtbank ervan uitgaat dat de ouders zich in het belang van [minderjarige] volledig zullen inspannen om het ouderschapsbemiddelingstraject te laten slagen.
Zorgregeling
Beide ouders zijn het erover eens dat [minderjarige] iedere woensdag en zondag bij de vader zal zijn. Zij zijn het echter niet eens over de tijden van de contactmomenten en over de vraag of [minderjarige] mag overnachten bij de vader. Daarnaast wil de vader dat [minderjarige] ook iedere zaterdag bij hem verblijft. De moeder wil dat [minderjarige] slechts om het weekend op zaterdag bij de vader verblijft. Over deze punten overweegt de rechtbank het volgende.
De situatie bij de vader thuis is sinds de komst van zijn echtgenote gewijzigd, zowel door de aanwezigheid van die echtgenote als door het feit dat de moeder het contact tussen [minderjarige] en de vader (deels) heeft stopgezet. De rechtbank begrijpt dat [minderjarige] aan deze nieuwe situatie zal moeten wennen, maar ziet geen reden waarom [minderjarige] niet bij zijn vader zou kunnen overnachten. Ook de Raad heeft ter zitting verklaard geen redenen te zien waarom [minderjarige] niet bij zijn vader zou kunnen overnachten. De rechtbank zal daarom een zorgregeling met overnachtingen vaststellen. Om [minderjarige] de gelegenheid te geven om (opnieuw) te wennen aan de overnachtingen bij zijn vader zal de rechtbank hierin een opbouw bepalen. De komende zes maanden zal [minderjarige] alleen op zaterdag bij de vader overnachten, zoals hij tot oktober 2025 ook al deed, zodat hij kan wennen aan de aanwezigheid van de echtgenote van de vader en het slapen in zijn eigen bed. Na zes maanden zal hij ook op de woensdag bij zijn vader overnachten.
De rechtbank acht het daarnaast niet in het belang van [minderjarige] dat hij iedere zaterdag bij zijn vader doorbrengt, omdat hij dan weinig vrije tijd met zijn moeder overhoudt. Daarom zal de rechtbank bepalen dat [minderjarige] de ene week van zaterdag 15.00 uur tot zondag na het avondeten bij de vader verblijft, en de andere week van zondag 10.00 uur tot na het avondeten. Gelet op de discussie die partijen hebben gevoerd over het tijdig terugbrengen van [minderjarige], zal de rechtbank vaststellen dat [minderjarige] steeds om 19.00 uur bij zijn moeder terug moet zijn. Daarbij sluit de rechtbank aan bij de eindtijd die partijen in de huidige zorgregeling hebben afgesproken.
Partijen zijn het ook niet eens over de verdeling van de vakanties en feestdagen. De moeder is van mening dat vakanties op dit moment niet in het belang van [minderjarige] zijn, omdat hij niet bij zijn vader wil overnachten. Zoals de rechtbank hierboven al heeft overwogen, ziet zij geen aanleiding om aan te nemen dat [minderjarige] niet bij zijn vader kan overnachten. Wel is duidelijk dat hij nog niet eerder meerdere nachten achter elkaar bij zijn vader heeft overnacht, dat hij erg gehecht is aan zijn moeder en dat hij mogelijk zal moeten wennen aan de nieuwe thuissituatie bij de vader. Aangezien is gebleken dat [minderjarige] het lastig vindt om met veranderingen om te gaan, zal de rechtbank ook ten aanzien van de vakantieregeling een opbouw bepalen. De rechtbank zal ten aanzien van de vakanties in 2026 aansluiten bij de regeling zoals die door de moeder in het lichaam van haar verweerschrift is voorgesteld. Vanaf de voorjaarsvakantie in 2027 zal de rechtbank de vakantieregeling zoals deze is voorgesteld door de vader volgen. Op deze wijze kan [minderjarige] er geleidelijk aan wennen om meerdere nachten achter elkaar bij de vader te slapen.
De moeder heeft geen verweer gevoerd tegen de verdeling van het Suikerfeest en het Offerfeest, zoals door de vader is verzocht. De rechtbank zal het verzoek van de vader ten aanzien van deze feestdagen daarom toewijzen.
Verder is op de zitting gesproken over het halen en brengen van [minderjarige]. De moeder stelt dat zij niet in staat is om [minderjarige] naar zijn vader te brengen. Volgens de vader heeft de moeder echter een eigen auto en kan zij [minderjarige] dus wel naar zijn vader brengen. Tot voor kort bracht zij [minderjarige] in het weekend immers ook naar de vader. De vader verzoekt daarom vast te stellen dat de moeder [minderjarige] naar de vader brengt en dat hij [minderjarige] altijd terug naar zijn moeder brengt. De vader is wel bereid om [minderjarige] op de woensdagen bij zijn moeder op te halen, zoals hij in het verleden ook altijd heeft gedaan.
De rechtbank overweegt dat het halen en brengen een gedeelde verantwoordelijkheid van de ouders is en dat de ouders dit de afgelopen jaren ook hebben verdeeld. Zij zal daarom bepalen dat de moeder [minderjarige] naar de vader brengt en dat de vader [minderjarige] terugbrengt naar de moeder, of naar school op de donderdagen. Alleen op woensdag geldt een andere regeling en haalt de vader [minderjarige] op bij de moeder.
Dwangsom
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a, eerste en vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek, in samenhang met artikel 611a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de rechtbank op verzoek, een dwangsom verbinden aan de nakoming van een zorgregeling, indien het belang van het kind zich daartegen niet verzet.
Inhoudelijke beoordeling
De vader verzoekt de moeder te veroordelen tot nakoming van de zorgregeling op straffe van verbeurte van een dwangsom, omdat de moeder heeft laten zien dat zij de zorgregeling zonder reden eenzijdig stopzet. De moeder heeft verweer gevoerd tegen dit verzoek.
De rechtbank overweegt dat het stopzetten van de zorgregeling door de moeder een gevolg is geweest van de gebrekkige communicatie tussen de ouders. Beide ouders hebben daarin een aandeel gehad. Beide ouders hebben ter zitting de bereidheid uitgesproken om een ouderschapsbemiddelingstraject aan te gaan om hun onderlinge communicatie te verbeteren. Ook hebben zij toegezegd dat zij zich zullen houden aan de zorgregeling om dit traject kans van slagen te geven. De rechtbank heeft er vertrouwen in dat partijen zich in het belang van [minderjarige] aan deze toezeggingen zullen houden. Het verbinden van een dwangsom aan de zorgregeling zal de verhoudingen tussen partijen verder op scherp zetten en daarom mogelijk verstorend werken bij het bemiddelingstraject. Dat acht de rechtbank niet in het belang van [minderjarige]. De rechtbank zal het verzoek om een dwangsom op te leggen daarom afwijzen.
Proceskostenverdeling
Gelet op het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de onderling getroffen regeling van 25 januari 2021 – :
stelt vast dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats], bij de vader zal zijn:
- iedere woensdag:
- met ingang van 6 februari 2026: van 15.00 uur tot 19.00 uur, waarbij de vader [minderjarige] bij de moeder ophaalt en terugbrengt;
- met ingang van woensdag 5 augustus 2026: van woensdag 15.00 uur tot donderdag naar school, waarbij de vader [minderjarige] op woensdag bij de moeder ophaalt en [minderjarige] op donderdag naar school brengt;
  • de ene week van zaterdag 15.00 uur tot zondag 19.00 uur, waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader brengt en de vader [minderjarige] terugbrengt;
  • de andere week van zondag 10.00 uur tot zondag 19.00 uur, waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader brengt en de vader [minderjarige] terugbrengt;
stelt de volgende vakantie- en feestdagenregeling vast:
  • de moeder brengt [minderjarige] naar de vader en de vader brengt [minderjarige] terug;
  • Suikerfeest: in de even jaren bij de vader, in de oneven jaren bij de moeder, vanaf de voorafgaande avond;
  • Offerfeest: in de even jaren bij de moeder, in de oneven jaren bij de vader, vanaf de voorafgaande avond;
  • in 2026:
-
voorjaars- en herfstvakantie: gedurende drie dagen bij de vader, in onderling overleg te bepalen, waarbij geldt dat als de ouders er niet uitkomen [minderjarige] de eerste drie dagen bij de vader zal verblijven en dat de vakantie bestaat uit de twee weekenden plus de doordeweekse dagen;
-
meivakantie: twee perioden van drie aaneengesloten dagen bij de vader, in onderling overleg te bepalen, waarbij geldt dat als ouders er niet uitkomen [minderjarige] telkens de eerste drie dagen van de week bij de vader verblijft;
-
zomervakantie: twee perioden van vier aaneengesloten dagen bij de vader, in onderling overleg te bepalen;
-
kerstvakantie: twee perioden van drie aaneengesloten dagen bij de vader, in onderling overleg te bepalen, waarbij geldt dat als ouders er niet uitkomen [minderjarige] telkens de eerste drie dagen van de week bij de vader verblijft;
- met ingang van 2027:
-
voorjaars- en herfstvakantie: de helft van de vakantie bij de vader en de helft van de vakantie bij de moeder in onderling overleg te bepalen, waarbij geldt dat de vakantie bestaat uit de twee weekenden plus de doordeweekse dagen, dat de wisseling op woensdag om 15.00 is en dat als ouders er niet uitkomen [minderjarige] de eerste helft van de vakantie bij de vader is en de tweede helft bij de moeder;
-
meivakantie: de helft van de vakantie bij de vader en de helft van de vakantie bij de moeder in onderling overleg te bepalen, waarbij geldt dat als ouders er niet uitkomen [minderjarige] de eerste week bij de vader verblijft en de tweede week bij de moeder;
-
zomervakantie: drie aaneengesloten weken bij de vader en drie aaneengesloten weken bij de moeder, in onderling overleg te bepalen;
-
kerstvakantie: in de even jaren in de eerste week bij de vader, in de tweede week bij de moeder en in de oneven jaren andersom;
stelt vast dat de ouders, te weten:
[de vader],
wonende te [plaats] ([postcode 1]), [adres 1],
en
[de moeder]
wonende te [plaats] ([postcode 2]), [adres 2];
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:
Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
stelt vast dat de ouders bij eindbeschikking zijn verwezen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, kinderrechter, bijgestaan door mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 februari 2026.