ECLI:NL:RBDHA:2026:4669

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
C/09/698233 / JE RK 26-111
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige wegens fysieke onveiligheid thuis

De gecertificeerde instelling verzoekt verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die sinds mei 2025 meerdere periodes uit huis is geplaatst vanwege fysieke onveiligheid thuis. Na een korte thuisplaatsing is de minderjarige opnieuw uit huis geplaatst wegens letsel dat vermoedelijk door de vader is toegebracht, wat deze ontkent.

De ouders voeren verweer en willen dat de minderjarige weer thuis komt wonen, waarbij zij het letsel toeschrijven aan meerdere incidenten en ontkennen dat de vader verantwoordelijk is. De kinderrechter overweegt dat de veiligheid van de minderjarige in de thuissituatie niet kan worden gewaarborgd, mede gezien de erkenning van de vader dat hij de minderjarige heeft geslagen en het feit dat hulpverlening onvoldoende effect heeft gehad.

De kinderrechter benadrukt het belang van voortzetting van gespecialiseerde begeleiding en een zorgvuldige veiligheidsanalyse door ketenpartners. Ook wijst zij op het niet naleven van veiligheidsafspraken door de ouders. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt daarom verlengd tot het einde van de ondertoezichtstelling, met onmiddellijke ingang.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 12 augustus 2026 wegens onvoldoende veiligheid in de thuissituatie.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/698233 / JE RK 26-111
Datum uitspraak: 6 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , [land] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
en
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam] , namens de gecertificeerde instelling;
  • de ouders, bijgestaan door een tolk.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 12 augustus 2025 [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 12 augustus 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 1 december 2025 een machtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 19 februari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Van mei tot begin november 2025 heeft [de minderjarige] verbleven in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Om thuisplaatsing van [de minderjarige] te realiseren is in september hulpverlening voor cultuur sensitieve opvoedondersteuning vanuit Massive Care ingezet. [de minderjarige] krijgt ook een op een begeleiding van Massive Care. Kort na de thuisplaatsing van [de minderjarige] is het echter opnieuw misgegaan. Bij [de minderjarige] is letsel op haar lichaam en oog geconstateerd. [de minderjarige] gaf aan dat de vader dit veroorzaakt heeft, maar hij ontkende dit. [de minderjarige] is gecontroleerd door de GGD en er is vastgesteld dat het letsel is toegebracht. Vanwege de complexiteit, de fysieke onveiligheid en ontkenning door de ouders is [de minderjarige] op 18 november 2025 opnieuw uit huis geplaatst. Ter zitting is door de gecertificeerde instelling aangegeven dat er expertise nodig is vanuit ketenpartners (onder meer van gedragswetenschapper, politie, GGD) om een plan voor thuisplaatsing op te stellen. Het is namelijk van belang dat zorgvuldig wordt onderzocht hoe de veiligheid van [de minderjarige] in de thuissituatie kan worden gewaarborgd zodat zij succesvol kan worden thuisgeplaatst. De gecertificeerde instelling verwacht hiervoor een aantal maanden nodig te hebben en verzoekt daarom de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. Enkele weken geleden heeft de jeugdbeschermer een gesprek gevoerd met de ouders waarin zij hun aandeel in de situatie hebben erkend. Momenteel heeft [de minderjarige] enkel telefonisch contact met de ouders. Voorafgaand aan de zitting heeft de gecertificeerde instelling van de ouders vernomen dat de ouders – zonder toestemming vanuit de gecertificeerde instelling – langs zijn geweest bij [de minderjarige] . De gecertificeerde instelling vindt het zorgelijk dat de ouders zich niet houden aan de gemaakte afspraken en hun eigen plan trekken. Het is de komende periode wel de bedoeling dat de omgang tussen [de minderjarige] , haar ouders en de andere gezinsleden de komende periode wordt uitbreid. Ook zal er met Massive Care worden bekeken wat er nodig is.

4.Het standpunt

4.1.
Door de ouders is verweer gevoerd tegen het verzochte. De ouders willen dat [de minderjarige] weer thuis komt wonen. Volgens de vader is de situatie door instanties opgeblazen. Er worden dingen verzonnen en verdraaid. Ook lijkt het cultuurverschil een probleem te zijn. De vader vindt dat hij niet iets verkeerds heeft gedaan. Het letsel van [de minderjarige] is ontstaan doordat er op de desbetreffende dag meerdere incidenten hebben plaatsgevonden. [de minderjarige] had een ongeluk gehad met haar fatbike, er was onenigheid thuis (geslagen door haar broer en de vader) en er was een ruzie met een meisje op school. De moeder voegt daaraan toe dat de vader [de minderjarige] een duw heeft gegeven. Beide ouders benadrukken dat het handelen van de vader niet de oorzaak is van het letsel van [de minderjarige] . Hulpverlening is niet nodig, maar wordt geaccepteerd als dit noodzakelijk is. De ouders willen graag dat [de minderjarige] weer thuis komt wonen. De ouders vinden het niet prettig dat [de minderjarige] langer verblijft op de groep. Ze blijft daar tot laat in de avond buiten, er wordt niet goed voor haar gezorgd en ze wordt niet opgevoed op de manier die de ouders wenselijk achten.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.
5.2.
Op dit moment kan de veiligheid van [de minderjarige] niet worden gewaarborgd in de thuissituatie. [de minderjarige] is in de periode mei tot begin november 2025 uithuisgeplaatst. Zij heeft daarna gedurende enkele dagen weer thuis gewoond voordat zij opnieuw met een spoedmachtiging uit huis is geplaatst. In de thuissituatie is sprake van fysieke onveiligheid geweest waarbij er meermaals lichamelijk letsel bij [de minderjarige] is geconstateerd. De vader heeft ter zitting erkend [de minderjarige] te hebben geslagen. Om de thuissituatie te verbeteren is cultuur sensitieve hulpverlening vanuit Massive Care ingezet. Dit heeft echter onvoldoende verandering bewerkstelligd. De een op een begeleiding die [de minderjarige] krijgt ervaart zij als prettig en helpend. De kinderrechter vindt het van belang dat dit de komende periode wordt voortgezet. Ook dient er aanvullende hulpverlening voor [de minderjarige] te worden ingezet zodat zij weer toekomt aan haar ontwikkeltaken.
5.3.
Daarom is een thuisplaatsing van [de minderjarige] momenteel niet in haar belang. Het is vanwege de veiligheidszorgen essentieel dat door specialisten op het gebied van eergerelateerd geweld zorgvuldig in kaart wordt gebracht wat er nodig is en welke veiligheidsafspraken noodzakelijk zijn. Ter zitting is gebleken dat de ouders zich niet houden aan de huidige veiligheidsafspraken en [de minderjarige] – zonder toestemming van de gecertificeerde instelling – opzoeken. De kinderrechter benadrukt met klem dat de veiligheidsafspraken duidelijk gecommuniceerd en gehandhaafd moeten worden zodat de veiligheid van [de minderjarige] kan worden gewaarborgd. De kinderrechter verzoekt de gecertificeerde instelling en de specialisten daarnaast om de veiligheid van de huidige verblijfplaats van [de minderjarige] te beoordelen. Er kan slechts gewerkt worden aan een thuisplaatsing van [de minderjarige] als haar veiligheid kan worden gegarandeerd. Er moet worden voorkomen dat zij opnieuw in een gevaarlijke situatie terechtkomt waar zij fysiek dan wel mentaal letsel zal oplopen en wederom uit huis geplaatst zal moeten worden. De kinderrechter wil de gecertificeerde instelling daarbij, gelet op de leeftijd van [de minderjarige] , meegeven om rekening te houden met de wensen en behoeften van [de minderjarige] ten aanzien van haar verblijfplaats.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 12 augustus 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2026 door mr. M.M.C. Limbeek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 23 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.