Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.Het verdere verloop van de procedure
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 31 december 2025;
- het verweerschrift van de vader, met zelfstandig verzoek, met bijlagen van 12 januari 2026;
- de beschikking van 15 januari 2026;
- de brief van de advocaat van de vader, met bijbehorende producties, ontvangen door de rechtbank op 2 februari 2026;
- de door de gecertificeerde instelling nagezonden beschikkingen van 12 januari 2024, 18 januari 2024 en 16 juli 2024;
- de beschikkingen van 8 januari 2025, 9 januari 2025, 18 april 2025 en 16 juli 2025 (hof Den Haag).
2.De feiten
de vader heeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij zich één keer per twee weken vanaf vrijdagochtend tot zondagavond, waarbij de vader de kinderen op vrijdagochtend tussen 9 uur en 9.30 uur ophaalt en op zondagavond om 17.30 uur weer terugbrengt bij de moeder.
3.De verzoeken
4.De standpunten
5.De beoordeling
- In de beschikking van 12 januari 2024 wordt overwogen dat de Raad voor de Kinderbescherming het in het belang van de kinderen vindt dat zij in ieder geval tijdelijk bij de moeder verblijven, niet alleen omdat de Raad haar als hoofdopvoeder aanwijst, maar ook “gelet op de houding van de vader”. De kinderrechter heeft vervolgens de kinderen uithuisgeplaatst bij de moeder.
- In de beschikking van 16 juli 2024 wordt door de kinderrechter overwogen dat “de intake bij [instelling] niet goed is verlopen omdat de vader gedrag heeft laten zien, waarbij [instelling] heeft aangegeven het niet te zien zitten om te starten met parallelouderschap of ouderschapsbemiddeling. De GI heeft aangegeven dat zij het lastig vinden om met de vader samen te werken omdat hij de moeder in de weg lijkt te willen zitten en omdat hij niet mee wil werken aan hulpverlening.”
- In de beschikking van 9 januari 2025 staat in de standpunten opgenomen: “De vader heeft geen vertrouwen meer in de gecertificeerde instelling en ziet geen aanleiding om met hen in gesprek te gaan.”
- In de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 16 juli 2025 staat het volgende: “De vader wil pas meewerken als het hoofdverblijf van de minderjarigen bij hem is en hij heeft nadrukkelijk ter zitting gesteld niet in te zien waarom hij binnen een ondertoezichtstelling mee moet werken. (…) Het hof acht het in het belang van de minderjarigen dat de vader gaat meewerken en met de jeugdbeschermer in gesprek gaat zonder vooraf voorwaarden te stellen. Zo lang hij dat niet doet is er geen zicht op een constructieve samenwerking en herstel van de verstoorde ouderrelatie.”
- In het meest recente verzoekschrift beschrijft de gecertificeerde instelling dat het lastig is om tot een samenwerking te komen met de vader.
6.De beslissing
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.