Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:4649

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
8 maart 2026
Zaaknummer
C/09/698413 / JE RK 26-131 / C/09/698587 / JE RK 26-147
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:257 BWArt. 1:265b BWArtikel 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen wegens huiselijk geweld en onveilige thuissituatie

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen vanwege ernstige zorgen over hun ontwikkeling en veiligheid. De vader vertoonde herhaaldelijk huiselijk geweld richting de moeder, vaak in combinatie met middelengebruik, wat leidde tot een onveilige en instabiele thuissituatie voor de kinderen.

Ondanks eerdere vrijwillige hulpverlening en veiligheidsafspraken bleven de spanningen en onveiligheid bestaan. De moeder toonde onvoldoende probleeminzicht en hield hulpverlening deels buiten de deur. De kinderen verbleven tijdelijk in een vrouwenopvang, maar de moeder beëindigde deze plaatsing voortijdig. De Raad benadrukte de noodzaak van een jeugdbeschermer en intensieve hulpverlening om de veiligheid en ontwikkeling van de kinderen te waarborgen.

De kinderrechter oordeelde dat aan de voorwaarden voor voorlopige ondertoezichtstelling was voldaan en dat uithuisplaatsing noodzakelijk was. De kinderen werden voorlopig onder toezicht gesteld tot 27 april 2026 en uit huis geplaatst tot 16 maart 2026. De behandeling van het verzoek werd voor het overige aangehouden, met het oog op verdere evaluatie en het bevorderen van contact tussen moeder en kinderen.

De beslissing werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de partijen werden opgeroepen voor een vervolgzitting op 12 maart 2026. Tegen de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank stelt de kinderen voorlopig onder toezicht en verleent een machtiging tot uithuisplaatsing wegens ernstige bedreiging van hun veiligheid en ontwikkeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummers: C/09/698413 / JE RK 26-131 (zaak I)
en C/09/698587 / JE RK 26-147 (zaak II)
Datum uitspraak: 5 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over
I.
een voorlopige ondertoezichtstelling (C/09/698413 / JE RK 26-131) en
II.
een machtiging tot uithuisplaatsing (C/09/698587 / JE RK 26-147)
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, 'sGravenhage,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2024 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] ,
hierna ook tezamen te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. S. Ben Ahmed uit Rotterdam,
Stichting Jeugdbescherming west, regio Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Bij spoedbeschikking van 27 januari 2026 van de kinderrechter in deze rechtbank zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorlopig onder toezicht gesteld van 27 januari 2026 tot 6 februari 2026 (zaak I: C/09/698413 / JE RK 26-131). De behandeling van het verzoek is voor het overige aanhouden.
1.2.
Bij spoedbeschikking van 30 januari 2026 van de kinderrechter in deze rechtbank is een machtiging verleend om [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg verlengd van 30 januari 2026 tot 6 februari 2026 (zaak II: C/09/698587 / JE RK 26-147). De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden tot deze zitting.
1.3.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 27 januari 2026 en de daarin genoemde stukken;
  • de beschikking van 30 januari 2026 en de daarin genoemde stukken;
  • het verweer van de moeder, ontvangen op 4 februari 2026;
  • het bericht van de vader, via de weg van zijn advocaat: mr. A.F. Mandos, uit Den Haag, ontvangen op 5 februari 2026.
1.4.
De kinderrechter heeft verder ambtshalve kennisgenomen van het proces-verbaal verhoor verdachte in raadkamer van 28 januari 2026 in de strafzaak van de vader. De kinderrechter heeft een korte samenvatting gegeven van de inhoud van dit proces-verbaal. De aanwezigen hebben hierop kunnen reageren.
1.5.
Op 5 februari 2026 heeft op de zitting met gesloten deuren van de kinderrechter van deze rechtbank een
gecombineerde behandelingplaatsgevonden van zowel het aangehouden verzoek met betrekking tot de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] (zaak I: C/09/698413 / JE RK 26-131) als het aangehouden verzoek tot de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] (zaak II: C/09/698587 / JE RK 26-147). Bij de behandeling op de zitting waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- [naam 1] namens de Raad;
- [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
De vader is per bericht van afwezigheid van 5 februari 2026 niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
2.2.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven in een voorziening voor pleegzorg.

3.De verzoeken

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorlopig onder toezicht te stellen voor de resterende duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg of in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de resterende duur van de voorlopige ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Voorlopige ondertoezichtstelling
3.2.
De Raad heeft de verzoeken als volgt gemotiveerd. Er zijn ernstige zorgen over de ontwikkeling en de veiligheid van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Vanuit de vader is sprake van fors huiselijk geweld richting de moeder, wat vaak gepaard gaat met het middelengebruik van de vader. De kinderen zijn niet alleen getuige geweest van dit geweld, maar ook van meerdere invallen van de politie en zij hebben gezien en gehoord dat de vader onder invloed is van alcohol en of drugs. De opgestelde veiligheidsafspraken en het aan de vader opgelegde huis- en locatieverbod heeft onvoldoende effect. Zo heeft de moeder op 17 januari 2026 opnieuw 112 gebeld wegens de aanwezigheid van de vader in de woning. Volgens de Raad is bij de vader en de moeder onvoldoende sprake van probleembesef en probleeminzicht. Tijdens een huisbezoek van de Raad op 27 januari worden de zorgen over de kinderen door de moeder niet herkend. Zij wil de vader niet afvallen. Ook tegenover de hulpverlening vanuit het [hulpverlener] heeft de moeder het incident van 17 januari ontkend, en aangegeven dat de vader niemand van het gezin fysiek heeft aangeraakt, de kinderen tijdens het incident lagen te slapen, er geen crackpijp in de woning was en tegen de vader geen stroomstootwapen gebruikt zou zijn. De vader verbleef naar aanleiding van het voornoemde incident in voorlopige hechtenis en is per 29 januari onder voorwaarden geschorst. Door de politie en de hulpverlening vanuit het [hulpverlener] is aangegeven dat zij, wanneer er niets verandert, grote zorgen hebben over de veiligheid van de kinderen en de moeder. Hoewel in het vrijwillig kader intensieve hulpverlening is ingezet, is het tot op heden niet gelukt om de zorgen samen met de vader en de moeder te verminderen. Vanwege de onderlinge spanningen lukt het de vader en de moeder niet om de belangen van de kinderen voorop te stellen en hiernaar te handelen. Volgens de Raad moeten de moeder en de kinderen, gelet op het voornoemde, op een veilige plek ondergebracht worden en is de directe betrokkenheid van een jeugdbeschermer, vanwege de ambivalente houding van de moeder, noodzakelijk. Het is belangrijk dat een jeugdbeschermer toezicht houdt op de veiligheidsafspraken en dat de hulpverlening voor de kinderen wordt ingezet.
Machtiging tot uithuisplaatsing
3.3.
Op 27 januari 2026 zijn de moeder en de kinderen geplaatst bij de vrouwenopvang van [instelling] . Een dag later heeft de vrouwenopvang bij de Raad aangegeven dat de moeder, onder andere omdat zij ontevreden is over de ruimte en omdat zij het vervelend vindt dat [minderjarige 1] zijn school mist, naar huis wil. De Raad deelt hierna mee dat, als de moeder de plaatsing beëindigd, een machtiging uithuisplaatsing overwogen moet worden. Ook tijdens het gesprek tussen de moeder en de medewerkers van de vrouwenopvang in het kader van de screening op 29 januari 2026, laat de moeder geen inzicht zien in de problematiek en onveiligheid. Zo geeft zij aan dat zij de vader tijdens het incident van 17 januari jl gelokt heeft naar de woning, door aan te geven dat zij een overdosis zou hebben genomen. Omdat de moeder zelf geen hulpvraag had is de plaatsing bij [instelling] beëindigd. Volgens de Raad toont de moeder geen verantwoordelijkheidsgevoel rondom de kinderen, hun jonge leeftijd en het effect dat de huidige situatie op hen heeft. De moeder gaat steeds opnieuw voorbij aan de gemaakte veiligheidsafspraken en brengt daarmee niet alleen zichzelf, maar ook haar kinderen in grote onveiligheid. Een hulpverlenerstraject, zoals het intensieve ambulante traject dat is aangeboden door [instelling] , waarbij zij twee keer per week in de woning van de ouders aanwezig zijn, zal vanwege het ontbrekende probleembesef bij de moeder niet aansluiten. De Raad is zeer bezorgd om de veiligheid van de kinderen en het risico dat zij opnieuw getuige zijn van (ernstig) huiselijk geweld -met alle gevolgen van dien voor hun ontwikkeling- is fors. Volgens de Raad is een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen daarom noodzakelijk, zodat hun veiligheid gewaarborgd wordt. Ter zitting heeft de Raad hierbij aangevuld dat, om naar een thuisplaatsing van de kinderen toe te kunnen werken, het contact tussen de moeder en de kinderen zo spoedig mogelijk moet worden opgestart en, indien dit in het belang van de kinderen is, moet worden uitgebreid. Hiernaast moet -gelet op het feit dat de kinderen geen last leken te hebben van het moment dat zij uit huis geplaatst werden- gekeken worden naar de hechting en de responsiviteit met en van de moeder.

4.De standpunten en de informatie van de informant

4.1.
Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat zij in kan stemmen met de verzochte voorlopige ondertoezichtstelling; en is verweer gevoerd tegen de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing. Het contactverbod van de vader met de moeder gold sinds november en de moeder miste de vader. Op 17 januari jl heeft zij hem daarom geappt en de moeder heeft, nadat de vader naar het huis is gekomen, 112 gebeld. Daarmee heeft zij gehandeld zoals men van haar verwacht en zij heeft vrijwillig meegewerkt aan een plaatsing van haar en de kinderen bij de vrouwenopvang van [instelling] . Dat de moeder het lastig vond om een hulpvraag te formuleren tijdens de plaatsing bij de vrouwenopvang, maakt niet dat zij niet open staat voor de hulpverlening en hieraan wil meewerken. Bovendien heeft de moeder toestemming gekregen om de vrouwenopvang met de kinderen te verlaten, omdat haar thuissituatie volgens de hulpverleners veilig genoeg was. Ondanks dat de moeder een andere beleving heeft van de situatie en de gebeurtenissen, heeft zij na de recente spoed uithuisplaatsing van de kinderen inzicht gekregen in haar eigen handelen en de gevolgen daarvan voor de kinderen. Wat de moeder betreft is de relatie met de vader op dit moment over. De conflicten tussen haar en de vader worden veroorzaakt door zijn middelengebruik. De moeder ziet in dat deze relatie voor onrust en onveiligheid zorgt en wil zich focussen op de kinderen en hun veiligheid. Vanuit de Raad en vanuit de vader is gebleken dat er geen zorgen zijn over de opvoedvaardigheden van de moeder en de kinderen als individu. De moeder is in staat om de verzorging en de opvoeding van de kinderen te dragen en de kinderen horen bij haar. Door en namens de moeder wordt dan ook primair verzocht het verzoek tot de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen af te wijzen. Subsidiair wordt verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing voor een zo kort mogelijke duur te verlenen. Om een thuisplaatsing van de kinderen bij de moeder op zeer korte termijn te kunnen realiseren is het noodzakelijk dat intensieve hulpverlening in de thuissituatie van de moeder wordt ingezet en moet het contact tussen de moeder en de kinderen zo snel mogelijk in haar thuissituatie plaats gaan vinden.
4.2.
De gecertificeerde instelling heeft ter zitting naar voren gebracht dat het eerste contact tussen de moeder en de kinderen op 6 februari 2026 plaats zal vinden. Er zal een plan voor dit contact in de komende periode worden gemaakt. Hiernaast zullen -mede op verzoek van de moeder- de mogelijkheden van een netwerkplaatsing van de kinderen worden onderzocht. Verder gaat het goed met de kinderen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in hetzelfde pleeggezin en [minderjarige 3] verblijft in een ander pleeggezin. De kinderen hebben elkaar op 4 februari gezien en dit contact verliep goed.
4.3.
De vader heeft per bericht van 5 februari 2026 het volgende aangegeven. De moeder draagt de volledige opvoeding en verzorging van de kinderen en de kinderen horen haar. Zij is hun thuis, hun veiligheid en hun toekomst. De kinderen hebben de moeder nodig en de vader maakt zich ernstig zorgen over de gevolgen van een langdurige scheiding tussen de kinderen en de moeder. De vader doet dan ook een dringend beroep om de kinderen zo spoedig mogelijk te herenigen met de moeder.

5.De beoordeling

5.1.
Allereerst overweegt de kinderrechter dat is verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg
ofin een gezinsgerichte voorziening. De kinderrechter stelt vast dat bij beschikking van 30 januari 2026 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg is verleend van 30 januari 2026 tot 6 februari 2026. Het verzoek is voor het overige deel aangehouden. Uit de stukken en ter zitting is gebleken dat verzocht wordt om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg en gebleken is dat de kinderen in een pleeggezin verblijven. De kinderrechter begrijpt het aangehouden deel van het verzoek dan ook zo dat een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg wordt verzocht.
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] uit huis worden geplaatst. [2]
5.3.
Daartoe overweegt de kinderrechter het volgende. Uit de stukken en ter zitting is gebleken dat de relatie tussen de vader en de moeder wordt gekenmerkt door huiselijk geweld van de vader naar de moeder. Het middelengebruik van de vader lijkt daarbij een escalerende factor te zijn. Er is sprake van een complex systeem waarin de moeder en de vader, ondanks het aan de vader opgelegde contactverbod met de moeder, herhaaldelijk geen afstand van elkaar kunnen nemen. Uit het proces-verbaal van verhoor verdachte in raadkamer volgt dat uit de telefoon van de vader blijkt dat de moeder de vader op 17 januari heeft geappt dat zij een overdosis nam. De moeder heeft ter zitting toegelicht dat zij dit appje stuurde omdat zij de vader miste. Toen de vader vervolgens is gekomen, onder invloed (b)leek en niet meer wilde vertrekken heeft moeder 112 gebeld. De politie is vervolgens gekomen en de situatie in de woning is geëscaleerd in het bijzijn van de kinderen. Hiermee is opnieuw onveiligheid ontstaan voor de kinderen, wat beide ouders valt aan te rekenen. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] groeien te midden van deze onveilige en instabiele situatie op en zijn getuige van het huiselijk geweld, het middelengebruik van de vader (en mogelijk ook van de moeder) en de spanningen tussen de vader en de moeder. Dit heeft ongetwijfeld impact op de kinderen en maakt dat er ernstige zorgen zijn over hun ontwikkeling. De Raad heeft eerder onderzoek verricht naar de opvoedsituatie van de kinderen. De ouders zijn toen verwezen naar vrijwillige hulpverlening. De hulpverlening in het vrijwillig kader is echter, mede vanwege de ambivalente houding van de moeder waarbij de hulpverlening buiten de deur werd gehouden, onvoldoende van de grond gekomen. Ook is het, ondanks meerdere pogingen van de hulpverlening vanuit het [hulpverlener] , de vader en de moeder niet gelukt om de veiligheidsafspraken na te komen. Naar het oordeel van de kinderrechter is de betrokkenheid van een jeugdbeschermer dan ook noodzakelijk. Een jeugdbeschermer kan zicht houden op de ontwikkeling en veiligheid van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , kan ervoor zorgen dat de hulpverlening wordt ingezet en wordt voortgezet en kan ondersteuning aan de moeder bieden. Ook zal de Raad – en de gecertificeerde instelling – de komende tijd verder onderzoek moeten doen naar de opvoedvaardigheden van de moeder.
5.4.
Op 27 januari 2026 heeft, op advies van de Raad, een plaatsing van de moeder en de kinderen bij de vrouwenopvang van [instelling] plaatsgevonden. Dit omdat de vader hoogstwaarschijnlijk vrij zou komen en er zorgen waren over de veiligheid van de kinderen. De moeder heeft aangevoerd dat zij op 29 januari 2026 met de kinderen toestemming kreeg om naar huis te gaan, omdat de hulpverleners van de vrouwenopvang de thuissituatie veilig genoeg achtten. Anders dan de moeder heeft de Raad aangegeven dat deze plaatsing vroegtijdig beëindigd is wegens – kort gezegd – onvoldoende intrinsieke motivatie van de moeder en onvoldoende inzicht van de moeder in de onveiligheid van de situatie. Zoals onder 5.3. is overwogen, kenmerkt de relatie tussen de vader en de moeder zich door geweld en is dit een hardnekkig en jarenlang patroon. Zowel de vader als de moeder lijken de negatieve gevolgen voor de kinderen en hun ontwikkeling onvoldoende in te zien. Daarbij is het de vraag, nu de moeder tijdens de zitting naar voren heeft gebracht dat wat haar betreft de relatie met de vader beëindigd is, in hoeverre zij zich voldoende los kan maken van de vader om de kinderen met de noodzakelijke veiligheid op te voeden en te verzorgen. Naar het oordeel van de kinderrechter is de moeder -gelet op het bovenstaande- momenteel niet in staat om de veiligheid van de kinderen in de thuissituatie te waarborgen en is een machtiging uithuisplaatsing noodzakelijk. De kinderrechter zal dan ook het verzoek om [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] uit huis te plaatsen toewijzen, maar vooralsnog voor kortere duur, te weten tot 16 maart 2026. De behandeling van het verzoek wordt voor het overige aangehouden. Een uithuisplaatsing is een zeer ingrijpend middel, de kinderen zijn gelet op hun leeftijd kwetsbaar en het is belangrijk dat de kinderrechter een vinger aan de pols houdt om zo zicht te houden op hoe het nu verder gaat. De komende tijd is het belangrijk dat gesprekken met de vader en de moeder worden gevoerd, zodat bekeken kan worden wat er nodig is en om tot goede veiligheidsafspraken te komen. Ook moet worden onderzocht welke (intensieve) hulpverlening op korte termijn kan worden ingezet om terugplaatsing mogelijk te maken. Verder is het van uiterst belang dat het contact tussen de moeder en de kinderen op structurele basis plaats gaat vinden, waarbij -indien dit in het belang van de kinderen is- de contactmomenten ook in de thuissituatie van de moeder moeten plaatsvinden.
5.5.
De kinderrechter wil dat de Raad of de gecertificeerde instelling op korte termijn duidelijkheid geeft over het bovenstaande en de kinderrechter ontvangt dan ook graag uiterlijk één week voorafgaand aan de volgende zitting een schriftelijke update van de gecertificeerde instelling (al dan niet in samenwerking met de Raad) met daarin de huidige stand van zaken beschreven en of een langere uithuisplaatsing van de kinderen noodzakelijk wordt geacht.
5.6.
Daarom stelt de kinderrechter [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorlopig onder toezicht tot 27 april 2026. Ook machtigt de kinderrechter de gecertificeerde instelling om [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] uit huis te plaatsen tot 16 maart 2026. Het verzoek wordt voor het overige aangehouden.
5.7.
De beslissing tot de voorlopige ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [3]
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
In zaak I: : C/09/698413 / JE RK 26-131
6.1.
stelt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met ingang van 6 februari 2026 tot 27 april 2026;
6.2.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
In zaak II: C/09/698587 / JE RK 26-147
6.3.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 6 februari 2026 tot 16 maart 2026;
6.4.
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot de zitting van
12 maart 2026 om 16:00 uur bij mr. O.F. Bouwman;
6.6.
verzoekt de Raad uiterlijk één week voorafgaand aan deze zitting aan de rechtbank en de belanghebbenden te informeren of het verzoek tot de machtiging uithuisplaatsing wordt gehandhaafd of niet en verzoekt de gecertificeerde instelling uiterlijk één week voorafgaand aan deze zitting aan de rechtbank en de belanghebbenden een verslag te overleggen met onder meer een schriftelijke update;
6.7.
gelast de griffier voor die zitting op te roepen:
- de Raad voor de Kinderbescherming;
- de moeder;
- de advocaat van de moeder: mr. S. Ben Ahmed uit Rotterdam;
- Stichting Jeugdbescherming west, regio Haaglanden;
- de vader als informant.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026 door mr. O.F. Bouwman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Klopper als griffier, en op schrift gesteld op 25 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:257 BW Pro.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).
3.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.