De officier van justitie verzocht op 2 februari 2026 om voortzetting van een crisismaatregel die op 31 januari 2026 was genomen ten aanzien van betrokkene, een internationale student geboren in 2007. De mondelinge behandeling vond plaats op 5 februari 2026, waarbij betrokkene, haar advocaat, een arts en haar moeder werden gehoord.
Betrokkene gaf aan dat zij bij opname erg in de war was door stress gerelateerd aan haar studie, maar dat haar situatie inmiddels verbeterd is. Zij heeft geen nare gedachten meer en werkt vrijwillig mee aan de behandeling, inclusief medicatie. De arts bevestigde dat het grootste gevaar, waaronder suïcidaliteit en ontremd gedrag, is geweken en dat voortzetting van de crisismaatregel niet noodzakelijk is.
De rechtbank concludeerde dat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor voortzetting van de crisismaatregel. Er is geen sprake van verzet en er zijn mogelijkheden voor zorg op vrijwillige basis. Daarom wees de rechtbank het verzoek af. Tegen deze beschikking staat cassatie open.