ECLI:NL:RBDHA:2026:461

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
NL25.62788
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie aan eiser

Deze uitspraak betreft de maatregel van bewaring die de minister van Asiel en Migratie aan eiser heeft opgelegd. Eiser is het niet eens met deze maatregel en heeft verschillende beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank heeft op 5 januari 2026 de zaak behandeld en is tot de conclusie gekomen dat de minister de maatregel van bewaring terecht heeft opgelegd. De rechtbank oordeelt dat de gronden voor de maatregel voldoende zijn en dat de minister niet had hoeven volstaan met een lichter middel. De rechtbank heeft vastgesteld dat er een risico op onttrekking bestaat, wat de maatregel van bewaring rechtvaardigt. Eiser heeft betoogd dat zijn belang om vrij te zijn zwaarder weegt dan het belang van de minister, maar de rechtbank heeft dit argument verworpen. De rechtbank heeft ook ambtshalve geen gronden gevonden om de rechtmatigheid van de maatregel in twijfel te trekken. Uiteindelijk is het beroep van eiser ongegrond verklaard en is het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.62788

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. W.R.S. Ramhit),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van bewaring die de minister aan eiser heeft opgelegd. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister de maatregel van bewaring mocht opleggen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de maatregel van bewaring aan eiser mocht opleggen. Dat komt omdat de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en de minister niet heeft hoeven volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft op 22 december 2025 de maatregel van bewaring aan eiser opgelegd. [1]
2.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. [2]
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser (beiden via een beeldverbinding) en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser: [3] 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3.1.
De minister heeft op zitting de zware grond 3i en de lichte grond 4d laten vallen. Deze gronden liggen dus niet langer aan de maatregel van bewaring ten grondslag.
3.2.
Eiser betwist de zware gronden 3b, 3c en 3d, en de lichte gronden 4a en 4c. Hij stelt dat de zware grond 3b geen stand kan houden, omdat hij zich niet onttrekt aan het toezicht. Eiser is al 29 jaar in Nederland en al geruime tijd in beeld bij de minister. Verder betwist eiser dat hij een besluit heeft ontvangen waarin staat dat hij Nederland moet verlaten, waardoor de zware grond 3c niet klopt. Eiser betwist verder de zware grond 3d. Het klopt niet dat hij niet heeft meegewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit. Er is inmiddels een laissez-passer (lp) aan hem verstrekt en dat had zonder zijn medewerking niet gekund. Verder betwist eiser de lichte grond 4a. Uit het besluit volgt onvoldoende aan welke verplichtingen eiser niet heeft voldaan. Eiser betwist tot slot dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, waardoor de lichte grond 4c onjuist is.
3.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Wat eiser aanvoert, geeft geen aanleiding om de gronden van bewaring onvoldoende te achten. De reden hiervoor is dat de zware gronden 3b en 3d feitelijk juist zijn. De zware grond 3b is feitelijk juist, omdat eiser geen melding heeft gedaan van zijn onrechtmatig verblijf bij de korpschef. Dat had hij, gelet op artikel 4.39 van het Vb 2000, wel moeten doen. De minister heeft deze grond daarom terecht aan eiser tegengeworpen. De zware grond 3d is feitelijk juist omdat eiser tot op heden geen actie heeft ondernomen om aan eigen documenten te komen. Het klopt dat er een lp is toegezegd, maar dat heeft niet op basis van de medewerking van eiser plaatsgevonden. Omdat de zware gronden 3b en 3d feitelijk juist zijn, bieden deze een voldoende basis voor de maatregel van bewaring, omdat zij het risico op onttrekking aannemelijk maken. [4] Daarom ziet de rechtbank af van een inhoudelijke beoordeling van de overige beroepsgronden die tegen de maatregel zijn aangevoerd.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
4. Eiser betoogt dat zijn belang om vrij te zijn zwaarder weegt dan het belang van de minister om eiser in bewaring te houden. Hij woont al 29 jaar in Nederland, beschouwt dit als zijn thuis en probeert hier met familie een (rechtmatig) bestaan op te bouwen. Alleen redt hij dat niet, zeker niet als hij terug moet naar Marokko. Eiser heeft inmiddels begrepen dat hij op 7 januari 2026 wordt uitgezet naar Marokko. Hij wil daaraan meewerken. Nu zijn vertrek op 7 januari 2026 vaststaat, vraagt hij de minister om nog enkele dagen in vrijheid te zijn en met zijn familie door te brengen. Er is geen reden om te twijfelen dat hij niet zal voldoen aan zijn vertrekplicht. Eiser doet een beroep op medemenselijkheid, vooral in deze laatste dagen van het jaar.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister hoefde niet te volstaan met een lichter middel. De rechtbank heeft eerder, onder 3.3, vastgesteld dat de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen. Uit deze gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd volgt dat er een risico op onttrekking bestaat. De minister mag eiser daarom in bewaring houden met het oog op het veilig stellen van de uitzetting. De minister stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat in dit geval geen afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. In de omstandigheid dat eiser een lange tijd niet in Marokko is geweest en familie in Nederland heeft, heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om een lichter middel op te leggen. Eiser maakt namelijk niet inzichtelijk waarom zijn lange verblijf in Nederland afbreuk doet aan het onttrekkingsrisico en dat moet leiden tot het opleggen van een lichter middel. Ook het beroep van eiser op medemenselijkheid om hem enkele dagen voorafgaand zijn vlucht vrij te laten zodat hij tijd met zijn familie kan doorbrengen, slaagt niet gelet op het vastgestelde risico op onttrekking. Daarom is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Een lichter middel is dus onvoldoende om de uitzetting van eiser te waarborgen.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan. [5]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de maatregel van bewaring in stand blijft. Daarom wijst de rechtbank ook het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr.S.M. Hampsink, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)
2.Dat staat in artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000.
3.Onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).
4.Zie ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
5.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (