ECLI:NL:RBDHA:2026:460

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
NL25.62787
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring van een vreemdeling en de gronden voor de maatregel

Deze uitspraak betreft de maatregel van bewaring die de minister van Asiel en Migratie aan de eiser heeft opgelegd. Eiser is het niet eens met deze maatregel en heeft verschillende beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank heeft op 5 januari 2026 geoordeeld dat de minister de maatregel van bewaring terecht heeft opgelegd, omdat de gronden hiervoor voldoende zijn en de minister niet verplicht was om een lichter middel toe te passen. De rechtbank heeft vastgesteld dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, wat de maatregel rechtvaardigt. De rechtbank heeft de beroepsgronden van eiser, waaronder de betwisting van de zware en lichte gronden, niet gegrond verklaard. Eiser had op 22 december 2025 de maatregel van bewaring opgelegd gekregen, en de rechtbank heeft op 30 december 2025 de zaak behandeld. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en wijst ook het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak is openbaar gemaakt en er kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.62787

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. W.R.S. Ramhit),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van bewaring die de minister aan eiser heeft opgelegd. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister de maatregel van bewaring mocht opleggen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de maatregel van bewaring aan eiser mocht opleggen. Dat komt omdat de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en de minister niet hoefde te volstaan met het opleggen van een lichter middel. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft op 22 december 2025 de maatregel van bewaring aan eiser opgelegd. [1]
2.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. [2]
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde (beide via een beeldverbinding), en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser: [3] 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
3.1.
De minister heeft op zitting de lichte gronden 4d en 4f laten vallen. Deze gronden liggen dus niet langer aan de maatregel van bewaring ten grondslag.
3.2.
Eiser betwist alle zware gronden en de lichte gronden 4a en 4c. Eiser meent dat zware grond 3a onterecht is opgelegd, omdat hij volgens de Dublinverordening door Zwitserland aan Nederland is overgedragen. Ook meent eiser dat hij zich niet aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken, waardoor de zware grond 3b onjuist is. Eiser is namelijk meteen na zijn overdracht in bewaring genomen. Over zware grond 3c betoogt eiser dat hij nooit een besluit heeft gekregen waarin staat dat hij Nederland moest verlaten. Hij bestrijdt ook zware grond 3d, omdat hij alle informatie over zijn identiteit en nationaliteit aan de minister heeft gegeven die hij kon geven. Tot slot stelt eiser dat zware grond 3e niet klopt, omdat hij geen tegenstrijdige gegevens over zijn identiteit heeft gegeven. Wel legt eiser uit dat hij eerst andere gegevens gebruikte om zichzelf te beschermen. Omdat hij asiel heeft aangevraagd, kan dat hem niet worden tegengeworpen. Eiser betwist verder de lichte grond 4a. Uit het besluit blijkt onvoldoende aan welke verplichtingen hij zich niet heeft gehouden. Eiser betwist verder de lichte grond 4c en voert hierover aan dat hij voor zichzelf kan zorgen.
3.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Wat eiser aanvoert, geeft geen aanleiding om de gronden van bewaring onvoldoende te achten. De reden hiervoor is dat de zware gronden 3b en 3c feitelijk juist zijn. De zware grond 3b is feitelijk juist. Eisers eerdere aanvraag is in 1 april 2022 buiten behandeling gesteld en eiser is eerder in maart 2022 met onbekende bestemming vertrokken. Vervolgens is hij naar (onder meer) Zwitserland gegaan, maar hij heeft geen melding gemaakt van zijn vertrek. Dat maakt dat hij aan het toezicht is onttrokken. Ook is de zware grond 3c feitelijk juist. De eerdere asielaanvraag van eiser is op 1 april 2022 buiten behandeling gesteld. Dit besluit bevatte ook een terugkeerbesluit en een inreisverbod, maar eiser heeft hier geen gevolg aan gegeven. Het betoog van eiser dat hij het besluit nooit heeft ontvangen, slaagt niet. De minister verwijst terecht naar het rapport van bevindingen van diezelfde datum. Daaruit blijkt dat het besluit op de juiste manier aan eiser is bekendgemaakt. Vast stond dat eiser de opvanglocatie in maart 2022 had verlaten. Daarom is het besluit ter inzage gelegd op het aanmeldcentrum Den Bosch en is de terinzagelegging gemeld op de daarvoor bestemde plek. Daarmee is het besluit op de correcte wijze bekendgemaakt. [4] Omdat de zware gronden 3b en 3c feitelijk juist zijn, zijn deze voldoende als grondslag voor de maatregel van bewaring. [5] De rechtbank beoordeelt daarom de beroepsgronden die zijn aangevoerd tegen de overige aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden niet.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
4. Eiser betoogt dat de minister een lichter middel had moeten toepassen, zodat hij de asielprocedure in vrijheid met een meldplicht kan afwachten. Eiser houdt zich beschikbaar.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals de rechtbank onder 3.3 heeft vastgesteld kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen. Uit deze gronden volgt dat er een risico op onttrekking bestaat De minister mocht eiser daarom in bewaring stellen. Daarbij heeft de minister terecht in zijn motivering betrokken dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken in 2022. De minister stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Het betoog van eiser dat hij zijn asielprocedure het liefst in vrijheid afwacht, slaagt niet. Het doet namelijk niet af aan het bestaande onttrekkingsrisico.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan. [6]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de maatregel van bewaring in stand blijft. Daarom wijst de rechtbank ook het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr.S.M. Hampsink, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Dat staat in artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000.
3.Onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).
4.Zie paragraaf C1/2.13 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
5.Zie ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
6.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (