ECLI:NL:RBDHA:2026:4585

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
7 maart 2026
Zaaknummer
C/09/678221 / FA RK 24-9362
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • G. van Zeben-de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing gezag, omgang en kinderalimentatie na verzoek tot wijziging en ouderschapsbemiddeling

De rechtbank Den Haag behandelde op 4 februari 2026 een verzoek van de vader tot wijziging van de omgangsregeling, gezag en kinderalimentatie voor hun minderjarige kind. De moeder voerde verweer en deed een zelfstandig verzoek tot een andere omgangsregeling. De rechtbank constateerde moeizame communicatie tussen ouders, wat de omgang negatief beïnvloedt, en stelde vast dat het kind niet belast mag worden met ouderlijke conflicten.

De rechtbank verwees de ouders naar een traject ouderschapsbemiddeling om de communicatie te verbeteren en stelde een voorwaardelijke opdracht aan de Raad voor de Kinderbescherming in voor het geval het traject niet succesvol is. De beslissing over het gezag en de omgang werd aangehouden tot 15 juli 2026.

Voor de kinderalimentatie berekende de rechtbank de behoefte van het kind op €414 per maand en de draagkracht van de ouders op respectievelijk €659 en €480. Na toepassing van de zorgkorting werd de bijdrage van de vader vastgesteld op €172 per maand, te voldoen vanaf de datum van het verzoek. De rechtbank legde tevens rapportageverplichtingen op aan de hulpverleningsinstanties en de Raad.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en bevat een uitgebreide regeling voor de begeleiding van de ouders en het monitoren van het bemiddelingsproces, met het oog op het belang van het kind en het voorkomen van verdere conflicten.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot wijziging van kinderalimentatie toe, verwijst ouders naar ouderschapsbemiddeling en houdt beslissing over gezag en omgang aan tot juli 2026.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-9362
Zaaknummer: C/09/678221
Datum beschikking: 4 februari 2026

Gezag, omgangsregeling c.q. zorgregeling en alimentatie

Beschikking op het op 30 december 2024 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.J. Meijer te Haarlem .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R. van Venetiën te [woonplaats] .

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
- het F9-formulier van 3 december 2025 van de zijde van de moeder, met bijlagen;
- twee F9-formulieren van 5 december 2025 van de zijde van de moeder, met bijlagen;
- het F9-formulier van 9 december 2025 van de zijde van de vader, met bijlage en een aanvullend verzoek;
- het F9-formulier van 16 december 2025 van de zijde van de moeder, met bijlage.
Op 17 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat en A.I. Polac, een tolk;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Van de zijde van de vader zijn pleitnotities overgelegd.
[minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek.
Na de terechtzitting heeft de rechtbank ontvangen:
- de brief van 8 januari 2026 van de zijde van de man, met bijlagen.

Verzoek en verweer

De vader verzoekt, na wijziging, – met wijziging van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 5 januari 2023 –:
  • te bepalen dat hij samen met de moeder wordt belast met het gezag over [minderjarige 1] ;
  • een zorgregeling vast te stellen tussen de vader en [minderjarige 1] , inhoudende dat [minderjarige 1] de ene week bij de vader en de andere week bij de moeder verblijft, en dat de overdrachtsmomenten telkens plaatsvinden op vrijdagmiddag om 18.00 uur en dat de feestdagen en vakanties bij helfte worden verdeeld;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens heeft de moeder zelfstandig verzocht:
- te bepalen dat de volgende omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige 1] zal gelden en zal dienen te worden uitgevoerd:
o omgang gedurende een weekend per twee weken;
o de helft van de schoolvakanties en feestdagen;
althans een omgangsregeling door de rechtbank in goede justitie te bepalen;
- de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van € 437,- per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] , althans een zodanige bijdrage als Uw Rechtbank in goede justitie vaststelt, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en vermeerderd met iedere uitkering die de man op grond van geldende wetten of andere regelingen voor [minderjarige 1] zal of kan worden verleend, met ingang van de datum van de in deze te wijzen beschikking, althans met ingang van de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Feiten

- Partijen hebben een affectie relatie gehad met elkaar.
- Zij zijn de ouders van het volgende thans nog minderjarige kind:
- -
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats 1] .
- De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] belast.
- [minderjarige 1] woont bij de moeder.
- Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 5 januari 2023 is – voor zover van belang voor deze procedure – het ouderschap van de vader en een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige 1] vastgesteld. Daarnaast is bepaald dat de moeder alleen belast zal zijn met het gezag over [minderjarige 1] .
- De moeder is tevens de moeder van [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats 2] .
- De vader is tevens de vader van:
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2009 te [geboorteplaats 3] , [geboorteland] , en
- [minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2025 te [geboorteplaats 4] .

Beoordeling

Gezag en omgangsregeling
Uit de overgelegde stukken en wat op de zitting met partijen is besproken, is gebleken dat de communicatie tussen partijen moeizaam verloopt. Hierdoor verloopt ook de omgangsregeling moeizaam en loop de communicatie grotendeels via [minderjarige 1] . Met partijen is op de zitting besproken dat dit moet stoppen en dat het in het belang van [minderjarige 1] is dat zij zo min mogelijk wordt belast met de problematiek die tussen de ouders speelt. In dat kader is met de ouders ook gesproken over de mogelijkheid om deel te nemen aan een traject ouderschapsbemiddeling, met het doel om te leren met elkaar te communiceren op een betere manier.
Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling / parallel (solo) ouderschap. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Jeugdteams Leidse Regio voor deelname aan voornoemd traject en/of training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Jeugdteams Leidse Regio.
De rechtbank verzoekt de ouders om de rechtbank tijdig te informeren over het verloop van voornoemd traject. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat – zoals op de zitting met de ouders is besproken – zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is.
Voorwaardelijke opdracht aan de Raad (lus)
Als het traject niet heeft geleid tot een positief resultaat dient de instantie de eindrapportage ook tegelijkertijd te zenden aan de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). De griffier van de rechtbank stuurt binnen één week na ontvangst van deze rapportage een afschrift van de beschikking en van de voor de beoordeling relevante processtukken aan de Raad. Aan de hand hiervan zal de Raad bezien of er een onderzoek van de Raad noodzakelijk is. De Raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van de stukken de rechtbank hierover te informeren en, indien de Raad onderzoek noodzakelijk acht, dit te verrichten en daarvan bij de rechtbank een rapport in te dienen. De Raad wordt in dat geval verzocht om de volgende vragen te beantwoorden:
  • bestaat in geval van toewijzing van het verzoek tot gezamenlijke gezag van de ouders een onaanvaardbaar risico dat de kinderen klem of verloren zullen raken tussen de ouders, terwijl niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt, of is wijziging van het gezag anderszins in het belang van de kinderen?
  • welke zorgregeling is in het belang van [minderjarige 1] en op welke wijze kan het contact worden vormgegeven?
  • is verdere hulpverlening voor de ouders en/of [minderjarige 1] noodzakelijk, en zo ja, welke?
Deze beschikking geldt als voorwaardelijke opdracht aan de Raad om een onderzoek te verrichten voor het geval dat het traject volgens de uitvoerende hulpverleningsinstantie niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
In afwachting van de resultaten van de ouderschapsbemiddeling zal de rechtbank iedere beslissing ten aanzien van het gezag en de omgangsregeling aanhouden tot na te noemen pro formadatum.
Kinderalimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de man in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] . Op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] zal de rechtbank op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
Onderhoudsverplichtingen
De vrouw is onderhoudsplichtig jegens [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , haar zoon uit haar huidige relatie.
De man is onderhoudsplichtig jegens [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] .
De huidige partner van de vrouw is onderhoudsplichtig jegens [minderjarige 2] , [minderjarige 5] en [minderjarige 6] , zijn kinderen uit een eerdere relatie.
De moeder van [minderjarige 5] en [minderjarige 6] is onderhoudsplichtig jegens [minderjarige 5] en [minderjarige 6] .
Behoefte [minderjarige 1]
De rechtbank overweegt dat stijging van het inkomen van een ouder, voor zover dit inkomen door die stijging hoger wordt dan het gezinsinkomen tijdens de samenleving, in beginsel invloed behoort uit te oefenen op de vaststelling van de behoefte. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging namelijk ook een positieve invloed hebben uitgeoefend op het bedrag dat ten behoeve van het kind zou zijn uitgegeven.
Tussen partijen is niet in geschil dat het NBI van zowel de man als de vrouw het voormalig NBGI overstijgt. Het NBI van de man is hoger dan het NBI van de vrouw, zodat de rechtbank de behoefte van [minderjarige 1] aan de hand van dit NBI zal vaststellen.
De rechtbank houdt hierbij rekening met een gemiddelde winst uit onderneming van
€ 44.954,-. De rechtbank gaat voor het jaar 2025 uit een winst van € 60.000,-, zoals op de zitting door de man ook is gesteld. Ook houdt de rechtbank rekening met de zelfstandigenaftrek, de startersaftrek en de MKB-winstvrijstelling. Het NBI van de man bedraagt € 3.216,- per maand.
De rechtbank berekent de behoefte van [minderjarige 1] op een bedrag van € 414,- per maand.
Behoefte [minderjarige 2]
De rechtbank zal de behoefte van [minderjarige 2] berekenen aan de hand van de meest recente inkomensgegevens van de vrouw en haar huidige partner. Aan de zijde van de huidige partner van de vrouw houdt de rechtbank rekening met een jaarinkomen van € 40.031,- en
€ 2.861,- bruto per maand aan de zijde van de vrouw. De rechtbank berekend de behoefte van [minderjarige 2] op een bedrag van € 764,- per maand. De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking aangehechte berekening.
Behoefte [minderjarige 5] en [minderjarige 6]
Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van [minderjarige 5] en [minderjarige 6] € 314,- per kind per maand bedraagt. De rechtbank zal in haar berekening uitgaan van dit bedrag.
Behoefte [minderjarige 4] en [minderjarige 3]
De rechtbank berekent de behoefte van [minderjarige 4] en [minderjarige 3] aan de hand van de gemiddelde winst uit onderneming van € 44.954,- aan de zijde van de man, zoals hiervoor reeds vermeld. Aan de zijde van de moeder van [minderjarige 4] zal de rechtbank in het kader van de behoefteberekening geen rekening houden met enig inkomen, nu ter zitting is gebleken dat zij haar baan heeft opgezegd in verband met de zwangerschap. Ook aan de zijde van de moeder van [minderjarige 3] zal de rechtbank geen rekening houden met een inkomen. De rechtbank berekent de behoefte van [minderjarige 4] en [minderjarige 3] op € 781,- voor beide kinderen samen, te weten € 390,- per kind per maand.
Draagkracht vrouw
De rechtbank berekent de draagkracht van de vrouw aan de hand van een bruto maandinkomen van € 2.861,-, zoals blijkt uit de door de vrouw overgelegde loonstroken van 2025. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de pensioenpremie en de premie Sociaal Fonds RNF.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar NBI in 2025 op € 2.852,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.125,, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan € 480,- per maand.
Draagkracht man
De rechtbank berekent de draagkracht van de man aan de hand van hiervoor berekende gemiddelde winst uit onderneming van € 44.954,- en de hiervoor genoemde fiscale heffingskortingen. Het NBI van de man bedraagt € 3.216,-.
Omdat het NBI van de man ook hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht dezelfde formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan € 659,- per maand.
Draagkracht moeder [minderjarige 4]
De rechtbank ziet aanleiding om in het kader van de draagkrachtberekening rekening te houden met een bruto maandinkomen van € 3.000,- aan de zijde van de moeder van [minderjarige 4] . Uit de overgelegde stukken en wat op de zitting is besproken, is gebleken dat de zij voorafgaand aan haar bevalling werkte en een salaris van ongeveer € 3.000,- per maand verdiende. Volgens de man werkt de vrouw op dit moment niet, maar niet is gebleken dat dit niet haar eigen keuze is geweest. De rechtbank houdt daarom rekening met een NBI van € 2.987,- per maand, zoals blijkt uit de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de huidige partner van de man ook hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht dezelfde formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de partner van de man bedraagt dan € 547,- per maand.
Draagkracht moeder [minderjarige 3] en moeder [minderjarige 5] en [minderjarige 6]
De vrouw heeft gesteld dat de moeder van [minderjarige 5] en [minderjarige 6] geen draagkracht heeft en ook niet bijdraagt in hun levensonderhoud. De man heeft hetzelfde gesteld ten aanzien van de moeder van [minderjarige 3] . De rechtbank zal derhalve de standpunten van partijen volgen en geen draagkracht aannemen bij de moeders van [minderjarige 3] en [minderjarige 5] en [minderjarige 6] .
Draagkrachtvergelijking
De rechtbank zal de draagkracht van partijen naar rato verdelen op de kinderen waarvoor zij onderhoudsplichtig zijn. Dit betekent dat van de totale draagkracht van de man een bedrag van € 228,- beschikbaar is voor [minderjarige 1] . Van de totale draagkracht van de vrouw is een bedrag van € 169,- beschikbaar voor [minderjarige 1] . De gezamenlijke draagkracht voor [minderjarige 1] bedraagt derhalve € 502,- per maand. Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige 1] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale gezamenlijke draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 228 / 502 x 414 = € 275,-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 169 / 502 x 414 =
€ 139,-
samen € 414,-
Van de totale behoefte van [minderjarige 1] komt een gedeelte van € 275,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 169,- per maand komt voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
Partijen zijn het erover eens dat sprake is van een zorgkortingspercentage van 25. De zorgkorting bedraagt dan € 103,- per maand (25% van € 414,-).
De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel van de man. De door de man te betalen bijdrage bedraagt dan € 172,- per maand (€ 275,-
(aandeel)-/- € 103,- (
bedrag aan zorgkorting)).
Conclusie
De rechtbank zal conform het voorgaande bepalen dat de man met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift een bijdrage van € 172,- per maand dient te betalen als bijdrage in de kosten van onderhoud van [minderjarige 1] .

BeslissingDe rechtbank:

*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 30 december 2024 een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats 1] , (bij co-ouderschap eventueel:
medeverzorgt en opvoedt) van € 172,- per maand zal betalen, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad;
*
stelt vast dat de ouders, te weten:
[de vader],
(de vader)
wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats]
en

[de moeder] , (de moeder)

wonende op een geheim adres,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Jeugdteams Leidse Regio voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:
Jeugdteams Leidse Regio, Haarlemmerstraatweg 31 – 8519 –, 2343 LA Oegstgeest;
en de Raad voor de Kinderbescherming;
bepaalt dat de ouders de rechtbank vóór na te melden pro formadatum informeren over het verloop van voornoemd traject;
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject, met kopie aan beide ouders;
bepaalt dat de griffier binnen één week na ontvangst van de rapportage van een niet positief afgerond traject een afschrift van deze beschikking, de rapportage en de relevante processtukken die na deze beschikking zijn ingekomen aan de Raad voor de Kinderbescherming toestuurt;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming bij een niet positief verlopen traject na ontvangst van de brief van de rechtbank met de hiervoor genoemde stukken te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen, de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren en, indien dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag en de omgang aan tot
15 juli 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. G. van Zeben-de Vries, kinderrechter, bijgestaan door mr. N.C. Gantenbein als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
4 februari 2026.