ECLI:NL:RBDHA:2026:4576

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
7 maart 2026
Zaaknummer
C/09/682235 / FA RK 25-2114
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • G. van Zeben-de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging kinderalimentatie wegens minimale draagkracht en jong-meerderjarigheid

De man verzocht de rechtbank om de vastgestelde kinderalimentatie uit 2017 te wijzigen naar nihil of een lagere bijdrage vanwege zijn minimale draagkracht en het feit dat hij sinds 2021 onder bewind staat. De vrouw heeft geen verweer gevoerd. De rechtbank oordeelde dat de oorspronkelijke alimentatie was vastgesteld op basis van onvolledige gegevens, aangezien de man een inkomen rond of onder de bijstandsnorm had.

De rechtbank volgde de aanbevelingen van de expertgroep alimentatie en stelde de alimentatie vast op €25 per maand per kind, met een maximum van €50 voor twee kinderen, met ingang van 5 april 2017. De jong-meerderjarige dochter werd alleen meegenomen tot haar meerderjarigheid op 29 mei 2024, waarna het verzoek voor die periode niet-ontvankelijk werd verklaard.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders verzochte werd afgewezen. Hiermee wordt de alimentatie aangepast aan de feitelijke draagkracht van de man en rekening gehouden met de jong-meerderjarigheid van een van de kinderen.

Uitkomst: De alimentatie wordt verlaagd naar €25 per maand per kind vanaf 5 april 2017 en het verzoek voor de periode na jong-meerderjarigheid wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-2114
Zaaknummer: C/09/682235
Datum beschikking: 4 februari 2026

Alimentatie

Beschikking op het op 5 maart 2025 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
bewindvoerder: OpRecht Leiden B.V.
advocaat: mr. L. Leenders te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 10 april 2025 van de zijde van de man, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 19 mei 2025 van de zijde van de man, met bijlagen.
Op 17 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij is verschenen: de advocaat van de man. De vrouw en de man zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Verzoek en verweer

De man verzoekt de vastgestelde alimentatie in de beschikking van deze rechtbank van 14 augustus 2017 op nihil te stellen met ingang van 4 april 2017, danwel datum indiening verzoekschrift, danwel te bepalen op een in goede justitie te bepalen bijdrage met ingang van een in goede justitie te bepalen datum.
De vrouw heeft geen verweer gevoerd.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie gehad met elkaar.
- Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
- -
[minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats] ,
en de inmiddels jong-meerderjarige:
- -
[jongmeerderjarige], geboren op [geboortedatum 2] 2006 te [geboorteplaats] .
- Bij beschikking van deze rechtbank van 12 oktober 2017 is bepaald dat de man met ingang van 5 april 2017 een bedrag van € 659,50 per maand dient te betalen ten behoeven van de kinderen van partijen.
- Bij beschikking van de kantonrechter van 26 april 2021 is een bewind ingesteld over de (toekomstige) goederen van de man van 27 april 2021 tot 1 mei 2026.

Beoordeling

Ontvankelijkheid
De man beroept zich op het vierde lid van artikel 1:401 Burgerlijk Pro Wetboek (BW). De man voert aan dat de bijdrage destijds is vastgesteld in een procedure waar hij niets van wist. Sinds april 2021 staat hij onder bewind. Hij had eerst een bewindvoerder die zijn werk niet deed. Inmiddels heeft hij een nieuwe bewindvoerder en is hij erop gewezen dat hij nihilstelling van de alimentatieverplichting kan verzoeken. Daarom dient hij dit verzoek nu pas in.
De vrouw heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de man.
De rechtbank zal daarom de man ontvangen in het verzoek en hierna overgaan tot een inhoudelijke beoordeling om te onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre de wijzigingsgrondslag leidt tot een wijziging van de rechterlijke uitspraak.
Inhoudelijke beoordeling
Een rechterlijke uitspraak over levensonderhoud kan worden gewijzigd of ingetrokken in het geval zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord, doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Voor een wijziging op grond van dit artikel is voldoende dat verzoeker aannemelijk maakt dat bij de uitspraak is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens en dat deze als gevolg daarvan van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord (zie HR 21 april 2006, ECLI:NL:HR:2006: AU9734, NJ 2006, 269).
Volgens vaste jurisprudentie kan een beroep op artikel 1:401 lid 4 BW Pro in beginsel slagen indien de situatie waarvan bij de vaststelling van de onderhoudsbijdrage is uitgegaan, wezenlijk blijkt te verschillen van de daadwerkelijke feitelijke situatie op dat moment, of, anders gezegd indien bij de vaststelling van de alimentatie is uitgegaan van feitelijke omstandigheden die achteraf niet juist of niet volledig blijken te zijn.
Bij toepassing van lid 4 is niet van belang of het (mede) aan de verzoekende partij zelf te wijten is dat de rechter bij zijn eerdere beslissing is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens. Ook staat niet aan toewijzing van het verzoek in de weg dat de te wijzigen uitspraak niet op enig onderzoek berust, omdat de wederpartij zich aan het oordeel van de rechter heeft gerefereerd.
De man voert aan dat hij niet wist van de eerste procedure. Hij heeft niet voldoende inkomen om de vastgestelde alimentatie te betalen. Het is de afgelopen jaren ook niet mogelijk geweest om de alimentatie te betalen, waardoor een betalingsachterstand is ontstaan bij het LBIO. De man kan deze kosten niet voldoen, daarom wenst hij dat beschikking wordt herzien en dat de betalingsachterstand komt te vervallen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de man verklaringen van zijn geregistreerde inkomen bij de belastingdienst overgelegd over de jaren 2012 tot en met 2023.
Uit de door de man overgelegde verklaringen geregistreerd inkomen is de rechtbank gebleken dat de man in de jaren 2017 tot en met 2023 een inkomen rond, en soms net onder, de bijstandsnorm had. De rechtbank volgt in dat kader de aanbevelingen van de expertgroep alimentatie, op grond waarvan bij (niet-verzorgende) ouders met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij ouders met een inkomen tot bijstandsniveau wordt aanbevolen om een minimumdraagkracht aan te nemen. Deze minimumdraagkracht bedraagt € 25,- per maand per kind met maximum van € 50,- per maand bij twee of meer kinderen.
Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de man met ingang van 5 april 2017 een bijdrage van € 50,- per maand is verschuldigd voor beide kinderen samen, te weten € 25,- per kind per maand.
Jong-meerderjarigheid
Zoals hierboven onder het kopje ‘feiten’ al is vermeld, is [jongmeerderjarige] inmiddels jong-meerderjarig. Zij is op [geboortedatum 2] 2024 meerderjarig geworden. Omdat zij niet door de man niet is betrokken in deze procedure, ziet de wijziging van de alimentatie slechts op de periode dat beide kinderen minderjarig waren en dat de vrouw rechthebbende was op de alimentatie. De rechtbank zal daarom de eerder vastgestelde alimentatie ten aanzien van [jongmeerderjarige] alleen verlagen voor de periode waarin zij nog minderjarig was. De man zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard voor de periode vanaf 29 mei 2024.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van
12 oktober 2017 – :
bepaalt de door de man met ingang van 5 april 2017 te betalen alimentatie voor de minderjarigen
[minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats] op € 25,- per maand, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
bepaalt de door de man met ingang van 5 april 2017 tot 29 mei 2024 te betalen alimentatie voor de inmiddels jong-meerderjarige
[jongmeerderjarige], geboren op [geboortedatum 2] 2006 te [geboorteplaats] , op € 25,- per maand;
*
verklaart de man niet-ontvankelijk voor zover zijn verzoek ziet op de periode vanaf 29 mei 2024 met betrekking tot [jongmeerderjarige] ;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. G. van Zeben-de Vries, rechter, bijgestaan door
mr. N.C. Gantenbein als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 4 februari 2026.