ECLI:NL:RBDHA:2026:4565

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
NL25.25231 en NL24.32099
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArtikel 64 VwArtikel 66a Vreemdelingenwet 2000Artikel 8:81 AwbArtikel 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsvergunning regulier wegens ontbreken mvv-vrijstelling ondanks medische situatie en familieband

Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende man, vroeg op 12 april 2024 een verblijfsvergunning regulier aan voor verblijf bij zijn partner in Nederland. Hij stelde vrijstelling van het mvv-vereiste te rechtvaardigen op medische gronden vanwege ernstig hersenletsel na een verkeersongeval en een lopend revalidatietraject.

De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af en legde een inreisverbod op, stellende dat eiser niet voldeed aan de medische vrijstellingscriteria en dat de belangenafweging in het kader van het recht op familie- en gezinsleven (artikel 8 EVRM Pro) in het nadeel van eiser uitviel. De rechtbank oordeelde dat het BMA-rapport juist was toegepast en dat geen medische noodsituatie bestond die vrijstelling rechtvaardigde.

Verder concludeerde de rechtbank dat de belangenafweging omtrent het familieleven zorgvuldig was gemaakt, dat eiser geen bijzondere persoonlijke omstandigheden had aangevoerd die een uitzondering rechtvaardigen, en dat de hoorplicht was nageleefd. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de uitspraak in het beroep was gedaan.

De rechtbank handhaafde het terugkeerbesluit en het opgelegde inreisverbod en wees het beroep af. Eiser kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.25231 en NL24.32099
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. H. Uzumcu),
en
de minister van Asiel en Migratie,
voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met verblijfsdoel ‘familie en gezin’ en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 14 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 juni 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2. De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, [referente] (de partner van eiser, hierna: referente), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1991 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser heeft op 12 april 2024 een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning voor verblijf bij referente. Eiser meent in aanmerking te komen voor vrijstelling van het mvv [1] -vereiste vanwege zijn gezondheidssituatie.
4. Eiser is in 2020 slachtoffer geworden van een ernstig verkeersongeval, waardoor hij in coma heeft gelegen, zijn geheugen kwijt was en blijvend hersenletsel heeft. Op 4 augustus 2021 is de aanvraag om een verblijfsvergunning met het verblijfsdoel “medische behandeling” afgewezen en hierin is een terugkeerbesluit aan eiser opgelegd met een vertrektermijn van 4 weken. Eiser heeft daarna driekeer uitstel van vertrek gevraagd op grond van artikel 64 Vw Pro vanwege zijn medische situatie. De afwijzingen van die aanvragen staan in rechte vast. Op 4 augustus 2021 heeft eiser ook een terugkeerbesluit opgelegd gekregen.
5. Verweerder heeft de aanvraag van eiser van 12 april 2024 afgewezen en heeft hem een inreisverbod opgelegd. Eiser wordt niet vrijgesteld van het mvv-vereiste op medische gronden. [2] Eiser krijgt ook geen vrijstelling van het mvv-vereiste op basis van artikel 8 van Pro het EVRM [3] , omdat de uitzetting niet in strijd is met het recht op het uitoefenen van familie- en gezinsleven of privéleven. In het bestreden besluit is wel familieleven met referente aangenomen, maar de belangenafweging valt in het nadeel van eiser uit. Eiser is op grond van de Dublinovereenkomst naar Oostenrijk is overgedragen vanwege zijn daar ingediende asielaanvraag onder een alias. Wanneer hij Nederland weer is ingereisd is onduidelijk, maar eiser heeft nimmer rechtmatig verblijf gehad. Verder is er geen sprake van een objectieve of subjectieve belemmering die ervoor zorgt dat eiser het gestelde familieleven niet in Marokko zou kunnen uitoefenen. De belangenafweging in het kader van artikel 17 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn valt in het nadeel van eiser uit. Ook heeft eiser geen bijzondere, persoonlijke omstandigheden aangevoerd op grond waarvan er sprake is van schending van het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Voorts is er, volgens verweerder, geen aanleiding om eiser op grond van de hardheidsclausule vrij te stellen van het mvv-vereiste.
Wat vindt eiser in beroep?
6. Eiser komt in aanmerking voor een mvv-vrijstelling. Verweerder heeft de persoonlijke omstandigheden van eiser onvoldoende in zijn beoordeling betrokken. Eiser volgt een revalidatietraject en onderbreking daarvan kan leiden tot verslechtering van zijn gezondheid, dat is ook het geval indien het revalidatietraject niet onder dezelfde omstandigheden wordt voortgezet in Marokko. Daarnaast haalt verweerder ten onrechte twee procedures door elkaar. Het BMA [4] -rapport dat ten grondslag is gelegd aan de besluitvorming is opgesteld in de procedure die ziet op verblijf in Nederland op basis van medische redenen, terwijl deze procedure ziet op verblijf op basis van familieleven. Het gaat daarom niet om de vraag of de behandeling enige tijd onderbroken mag worden, maar of dat gezien de belangenafweging toelaatbaar is. Eiser heeft een hechte relatie met zijn partner, zij zijn financieel en emotioneel aan elkaar gebonden. In tegenstelling tot het primaire besluit heeft verweerder in het bestreden besluit wel familieleven tussen eiser en referente aangenomen. Er is dan ook sprake van een compleet andere grondslag dan waartegen bezwaar is gemaakt. Dit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, nu eiser de mogelijkheid is ontnomen om hiertegen bezwaar aan te tekenen. Daarnaast is er ten onrechte geen rekening gehouden met het privéleven van eiser, afgezien van zijn medische toestand heeft eiser namelijk een hechte band met Nederland ontwikkeld. De afwijzing van de aanvraag is in strijd met het recht op familie- en privéleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Het bestreden besluit is onzorgvuldig voorbereid, omdat het beroep van eiser op privéleven buiten beschouwing is gelaten. Het bestreden besluit is daarnaast in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verweerder had eiser en zijn partner in de bezwaarfase ook moeten horen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
7. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
8. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen mvv-vrijstelling krijgt op medische gronden. Uit het BMA-advies van 24 juli 2024 blijkt namelijk dat er geen sprake is van een medische noodsituatie en dat eiser in staat is om te reizen. Verweerder heeft er daarbij op kunnen wijzen dat eiser tijdens de procedure geen medische bewijsstukken heeft overgelegd die tot een ander oordeel leiden. Ook heeft verweerder het BMA-rapport op de juiste wijze in de beoordeling betrokken. In tegenstelling tot wat eiser stelt, verschilt de wijze van BMA-advisering niet naar gelang de aard van de procedure. Het BMA adviseert namelijk in alle gevallen of iemand kan reizen en of iemand bij het uitblijven van behandeling binnen drie tot zes maanden in een medische noodsituatie terecht komt. [5] De stelling van eiser dat de toets of er binnen een periode van drie tot zes maanden een medische noodsituatie zal ontstaan bij terugkeer naar het land van herkomst een te korte periode betreft omdat de mvv-aanvraag vaak langer duurt, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft er ter zitting immers terecht op gewezen dat uit het BMA-rapport, onder punt 3, blijkt dat ook na 6 maanden enkel enige toename van pijnklachten kan worden ervaren en eiser daardoor mogelijk ook slechter gaat slapen. In tegenstelling tot was eiser stelt, is er geen aanleiding om op voorhand aan te nemen dat na het verstrijken van de periode van 3 tot 6 maanden wel een levensbedreigende situatie zal ontstaan.
9. Verweerder heeft zich daarnaast op het standpunt mogen stellen dat de uitzetting van eiser niet in strijd is met het recht op uitoefening van het familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat er tussen eiser en referente weliswaar sprake is van familieleven, maar dat de belangenafweging in hun nadeel uitvalt. Anders dan eiser stelt, is er geen sprake van een grondslagwijziging. Verweerder stelt daarbij terecht dat in bezwaar een volledige heroverweging plaatsvindt en zowel in het primaire besluit als in het bestreden besluit is een belangenafweging gemaakt in het kader van het familieleven. Verweerder heeft eiser ook niet hoeven volgen in zijn stelling dat de nadruk teveel op de medische situatie heeft gelegen in het primaire besluit. In de bestuurlijke fase heeft eiser immers voldoende gelegenheid gehad om aspecten in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM aan te voeren en eiser heeft dat niet gedaan.
10. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat aan de hoorplicht is voldaan. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser op 3 april 2025 is gehoord. Eisers stellingname dat hij wel is gehoord maar niet in de context van het familie- en privéleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM, maakt dit niet anders. Verweerder heeft eiser in de gelegenheid gesteld om over de relatie met referente te verklaren.
11. Ten aanzien van het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit, volgt de rechtbank verweerder dat hij gehouden is om bij vaststelling van een onrechtmatig verblijf een inreisverbod op te leggen. [6]
12. Verweerder heeft op juiste gronden eiser niet vrijgesteld van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule. Niet is gebleken van bijzondere, persoonlijke feiten en omstandigheden waardoor het onevenredig hard zou zijn voor eiser om terug te keren naar Marokko. Eiser heeft zijn stelling dat de nodige zorg en behandeling niet beschikbaar zou zijn, niet nader onderbouwd. Verweerder mocht daarbij ook betrekken dat referente niet aan het middelenvereiste voldoet.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
14. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [7] .
15. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift
sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd
waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden
ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener
de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de
indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep
of verzet open.

Voetnoten

1.Machtiging tot voorlopig verblijf.
2.Op grond van paragraaf B1/4.1 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Bureau Medische Advisering.
5.Zoals neergelegd in artikel B1/4.1.1.
6.Artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000.
7.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.