ECLI:NL:RBDHA:2026:4561

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
NL26.2186
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverantwoordelijkheid niet-ontvankelijk verklaard

De minister van Asiel en Migratie heeft op 6 januari 2026 de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag op grond van de Dublinverordening. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag.

De rechtbank heeft het beroep zonder zitting behandeld omdat het kennelijk niet-ontvankelijk was. Dit volgt uit het feit dat eiser in het beroepschrift geen gronden van beroep heeft vermeld, ondanks een schriftelijke oproep om dit binnen een week te herstellen. Eiser heeft geen redenen gegeven voor het verzuim en heeft de gronden niet alsnog ingediend.

De rechtbank oordeelt dat het beroep daarom niet-ontvankelijk is en dat het bestreden besluit in stand blijft. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Partijen wordt gewezen op de mogelijkheid van verzet binnen zes weken na verzending van deze uitspraak.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet-in behandeling nemen van de asielaanvraag is kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden van beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.2186

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. C.K.E.E. Fischer-Fuhler),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. De minister heeft op 6 januari 2026 de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen deze beslissing.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat eiser de gronden van het beroep niet heeft vermeld en dat verzuim niet tijdig heeft hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Iemand die beroep instelt moet in het beroepschrift de gronden van het beroep vermelden. [2] Dat houdt in: aangeven op welke specifieke punten hij of zij het niet eens is met het bestreden besluit. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank na een herstelmogelijkheid het beroep niet-ontvankelijk verklaren. [3]
Heeft eiser de gronden tijdig vermeld?
4. Eiser heeft geen beroepsgronden vermeld in het beroepschrift. De rechtbank heeft eiser in haar bericht van 14 januari 2026 verzocht om binnen één week dit verzuim te herstellen. Eiser heeft binnen deze termijn geen gronden ingediend.
Is het niet tijdig vermelden van de gronden verschoonbaar?
5. Eiser heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verschoonbare reden voor dit verzuim gebleken.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Dit staat in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb.
3.Dit staat in artikel 6:6 van Pro de Awb.