ECLI:NL:RBDHA:2026:4557

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
NL25.57351
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 31 lid 6 Vreemdelingenwet 2000Art. 30a Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielverzoek wegens ongeloofwaardigheid seksuele gerichtheid en identiteit

Eiser, een Marokkaanse man geboren in 1992, vroeg asiel aan in Nederland op grond van zijn homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen bij terugkeer naar Marokko. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat eiser geen geloofwaardige identiteit kon aantonen en zijn seksuele gerichtheid onvoldoende aannemelijk maakte.

De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening. De rechtbank oordeelde dat eiser tegenstrijdige verklaringen gaf over zijn identiteitsdocumenten en het contact met de ambassade, en dat hij onvoldoende inzicht gaf in zijn seksuele gerichtheid, ondanks meerdere verzoeken om toelichting. Ook werd meegewogen dat eiser zijn eerdere asielaanvraag had ingetrokken en pas laat zijn huidige aanvraag indiende.

De rechtbank vond dat verweerder voldoende had gemotiveerd dat er geen sprake was van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer naar Marokko. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.57351 en NL25.57352

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. N. Birrou),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Eiser heeft op 6 november 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 21 november 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1992 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ter grondslag gelegd dat hij eind 2024 erachter is gekomen dat hij homoseksueel is en dat hij bij terugkeer naar Marokko problemen zal ervaren met zijn familie en de maatschappij vanwege zijn homoseksuele gerichtheid. Eiser verblijft naar eigen zeggen sinds een aantal jaar in Nederland.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiseres bestaat volgens verweerder uit twee asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Homoseksuele gerichtheid en problemen omdat eiser uitsluitend op mannen valt.
3.1.
Verweerder vindt de nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig, maar de identiteit van eiser niet. [1] Eiser heeft geen identiteitsdocumenten overgelegd en heeft geen inspanning verricht voor het verkrijgen daarvan. Ook heeft eiser tegenstrijdig verklaard over het verlies van zijn documenten en over het contact met de ambassade. Verder heeft eiser gesteld dat hij er eind 2024 achter is gekomen dat hij homoseksueel is, maar heeft hij pas na staandehouding in september 2025 voor het eerst asiel aangevraagd. Ten slotte heeft hij die eerdere aanvraag ingetrokken en opnieuw asiel aangevraagd nadat eiser gesprekken had met de Dienst Terugkeer en Vertrek over terugkeer naar Marokko.
3.2.
Verweerder vindt ook de homoseksuele gerichtheid en daaruit volgende problemen niet geloofwaardig. [2] De verklaringen van eiser zijn niet samenhangend en aannemelijk. Zo is eiser niet in staat uit te leggen wat zijn seksuele gerichtheid is, terwijl hij heeft verklaard dat hij zich dat eind 2024 heeft gerealiseerd en dat hij van organisaties in Amsterdam hulp heeft gehad om te begrijpen wie hij is. Eiser heeft verklaard dat hij transgender is, maar ook dat hij zich enkel als man identificeert. Verder heeft eiser geen inzicht geboden in het ontdekken van zijn gerichtheid en in wat er in hem omging en met wie hij contact had in die periode – ook niet nadat hij in het gehoor erop is gewezen dat zijn verklaringen oppervlakkig zijn. Daarnaast heeft eiser verklaard dat zijn seksuele gerichtheid en zijn religieuze overtuigingen botsen, maar heeft hij geen inzicht geboden in wat deze botsing met eiser doet. Verweerder heeft eiser ook tegengeworpen dat hij tijdens eerdere gehoren in 2025 heeft verklaard dat hij een vriendin heeft met wie hij zou gaan trouwen. Eiser heeft niet kunnen uitleggen hoe deze verklaringen zich verhouden tot de gestelde ontdekking van zijn homoseksuele geaardheid in 2024. Verder heeft eiser tegenstrijdig verklaard over zijn problemen en over hoe zijn familie in Marokko zou hebben ontdekt dat hij homoseksueel is. Verweerder heeft ook tegengeworpen dat eiser niet zo spoedig mogelijk zijn asielaanvraag heeft ingediend en dat hij zijn eerdere asielaanvraag heeft ingetrokken.
3.3.
Verweerder heeft ten slotte overwogen dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiser te vrezen heeft voor vervolging of schending van artikel 3 van Pro het EVRM [3] bij terugkeer naar Marokko. Verweerder heeft de aanvraag vervolgens afgewezen als kennelijk ongegrond
. [4]
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte zijn asielmotieven ongeloofwaardig heeft geacht. Ten aanzien van de identiteit van eiser, heeft verweerder ten onrechte vastgehouden aan kleine inconsistenties in de verklaringen van eiser. Die inconsistenties zijn bovendien te verklaren door de spanning, het taalverschil en de chaotische omstandigheden waaronder eiser jarenlang in Europa verbleef. Verweerder heeft hierbij ook onvoldoende rekening gehouden met het feit dat eiser homoseksueel is en daarom niet naar de autoriteiten kan stappen voor nieuwe documenten. Ten aanzien van de seksuele gerichtheid van eiser heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser. Eiser ervaart beperkingen in het verklaren vanwege culturele schaamte, religieuze druk en een gebrek aan woordenschat om over seksuele identiteit te spreken. Het is onredelijk om van hem te verlangen hij meer inzicht in zijn innerlijke proces biedt. Verweerder handelt hiermee in strijd met de Werkinstructie 2019/17 en artikel 4 van Pro de Kwalificatierichtlijn. Verder voert eiser aan dat hem ten onrechte is tegengeworpen dat hij niet zo spoedig mogelijk zijn aanvraag heeft ingediend. Hij is immers pas in Nederland aarzelend tot de realisatie gekomen van zijn homoseksuele gerichtheid. Zijn eerdere aanvraag heeft hij op advies van medegedetineerden ingetrokken, in verwarring en zonder te overzien wat de gevolgen daarvan zouden zijn. Ten slotte heeft verweerder ten onrechte niet beoordeeld of eiser een risico loopt op schending van artikel 3 EVRM Pro. [5] Eisers familie heeft hem bedreigd en in Marokko is er strafbaarstelling van homoseksualiteit en een maatschappelijke vijandigheid.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat de identiteit van eiser niet geloofwaardig is. Verweerder heeft mogen tegenwerpen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over het verlies van zijn identiteitsdocumenten en over het al dan niet ondernemen van pogingen om nieuwe identificerende documenten te verkrijgen. De rechtbank acht daarbij van belang dat eiser tijdens het nader gehoor is geconfronteerd met de tegenstrijdigheden en deze niet heeft kunnen verklaren. De omstandigheden die eiser in beroep heeft aangevoerd om de tegenstrijdigheden te verklaren, maken het oordeel van de rechtbank niet anders. Eiser heeft namelijk niet onderbouwd hoe deze (algemene) omstandigheden zijn verklaringen hebben beïnvloed.
6. De rechtbank is ook van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat de gestelde seksuele gerichtheid van eiser niet geloofwaardig is. Verweerder heeft mogen tegenwerpen dat eiser geen inzicht heeft geboden in wat volgens hem zijn (homoseksuele) gerichtheid inhoudt, wat dit voor hem betekent, hoe hij dit ervaart en hoe dit zich verhoudt tot zijn religieuze overtuigingen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat onvoldoende rekenschap is gegeven van zijn referentiekader. Tijdens het gehoor is eiser meermaals gevraagd om meer uitleg en toelichting te geven, waarbij verweerder de (vervolg)vragen juist aan heeft laten sluiten bij de verklaringen van eiser. Verweerder heeft ook tijdens het gehoor aangegeven welke informatie miste en wat van eiser verwacht werd. In beroep heeft eiser bovendien niet geconcretiseerd welke verklaringen anders gelezen of gewogen hadden moeten worden in het licht van zijn referentiekader. Verder heeft verweerder in zijn motivering ook het moment van eisers eerste aanvraag mogen betrekken en dat hij die aanvraag heeft ingetrokken, hetgeen geen blijk geeft van een behoefte aan internationale bescherming.
7. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van schending van artikel 3 van Pro het EVRM bij terugkeer naar Marokko. Gelet op de voorgaande overwegingen heeft verweerder terecht niet beoordeeld of eiser vanwege zijn gestelde seksuele oriëntatie in de problemen zou komen in Marokko. Daarbij heeft verweerder kenbaar beoordeeld of eiser vanwege andere omstandigheden een risico zou lopen bij terugkeer naar Marokko. Het beroep op het arrest Adrar slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
9. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, zesde lid, onder b, c, d en e van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Op grond van artikel 31, zesde lid, onder c, d en e van de Vw.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Op grond van artikel 30a, eerste lid, onder f, g en h van de Vw.
5.Eiser verwijst daarbij naar het arrest Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ECLI:EU:C:2025:647.