ECLI:NL:RBDHA:2026:4552

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
NL25.51931
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek herziening uitspraak terugkeerbesluit asielprocedure

Eiser verzocht om herziening van de uitspraak van 24 december 2024 waarin zijn beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en het opgelegde terugkeerbesluit ongegrond werd verklaard. Eiser stelde dat verweerder al vóór de zitting op de hoogte was dat hij niet de Egyptische nationaliteit bezat, wat volgens hem tot een andere uitspraak had moeten leiden.

De rechtbank constateerde dat verweerder niet transparant was geweest en verkeerde of onvolledige informatie had verstrekt, maar oordeelde dat dit niet tot een andere uitspraak zou hebben geleid. De beoordeling van de geloofwaardigheid van de nationaliteit van eiser was niet afhankelijk van het bezit van de Egyptische nationaliteit.

Ook de aanwijzing van Egypte als land van terugkeer was gebaseerd op de banden van eiser met dat land, ongeacht zijn nationaliteit. Daarom voldeed het verzoek niet aan de voorwaarden voor herziening volgens artikel 8:119 Awb Pro en werd het afgewezen.

De rechtbank legde geen proceskostenveroordeling op en informeerde over de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het verzoek om herziening van de uitspraak wordt afgewezen omdat de nieuwe feiten niet tot een andere uitspraak zouden hebben geleid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.51931

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. M.A.L. van de Glind),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Inleiding

1. Bij brief van 24 juni 2025 heeft eiser verzocht om herziening [1] van de uitspraak van deze rechtbank van 24 december 2024 in de zaak met zaaknummer NL24.37076. [2]
1.1.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het verzoek op 19 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiser deelgenomen. Eiser en verweerder zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft op 27 augustus 2024 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond en daarbij een terugkeerbesluit opgelegd en Egypte en Syrië als landen van terugkeer benoemd. De rechtbank heeft bij uitspraak van 24 december 2024 het beroep gericht tegen deze afwijzing ongegrond verklaard. [3] In rechtsoverweging 11.1 van deze uitspraak is overwogen dat verweerder tijdens de zitting Syrië als land van terugkeer heeft laten vallen vanwege het toen ten aanzien van Syrië geldende Besluit- en vertrekmoratorium.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser heeft verzocht om herziening van de uitspraak van 24 december 2024. De zitting in dat beroep heeft plaatsgevonden op 12 december 2024. Eiser voert daarbij aan dat uit de latere uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 mei 2025 [4] blijkt dat verweerder al sinds 29 november 2024 wist dat eiser de Egyptische nationaliteit niet bezit. Ten tijde van de zitting op 12 december 2024 was verweerder hier dus van op de hoogte en heeft dit verzwegen, terwijl dit van doorslaggevend belang is geweest voor de ongegrondverklaring van het beroep. Indien de rechtbank ervan op de hoogte was geweest dat eiser geen erkende staatsburger was in Egypte, zou de grondslag van het terugkeerbesluit zijn komen te vervallen, hetgeen tot een ander oordeel had moeten leiden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank stelt voorop dat de handelswijze van verweerder niet transparant is geweest, nu er zowel aan eiser als aan de rechtbank verkeerde of onvolledige informatie lijkt te zijn verstrekt tijdens de hierboven genoemde zittingen. Verweerder is in deze procedure niet ter zitting verschenen en heeft ook met het verweerschrift geen duidelijkheid kunnen bieden over de gang van zaken. De rechtbank neemt dat verweerder kwalijk. In deze procedure ligt echter de vraag voor of sprake is van feiten en omstandigheden die tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. De rechtbank is van oordeel dat daar geen sprake van is en overweegt daartoe als volgt.
4.1.
Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de bestuursrechter een uitspraak op verzoek van een partij herzien op grond van feiten of omstandigheden die (a) hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, die (b) bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn en, (c) waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen aanknopingspunten dat de feiten en omstandigheden die eiser naar voren heeft gebracht, waren zij bij de rechtbank eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. In de bestreden uitspraak is de rechtbank er namelijk niet van uitgegaan dat eiser de Egyptische nationaliteit zou hebben. Ook is in het oordeel van de rechtbank niet betrokken dat eiser die nationaliteit zou bezitten.
4.3.
In de beoordeling van de vraag of verweerder de identiteit, herkomst en nationaliteit van eiser niet geloofwaardig heeft mogen vinden, heeft de rechtbank niet aangenomen of betrokken dat eiser de Egyptische nationaliteit zou hebben. Ook verweerder heeft in zijn besluitvorming niet aangenomen dat eiser de Egyptische nationaliteit zou hebben. Het hebben of niet hebben van de Egyptische nationaliteit is niet de kern geweest in de beoordeling die verweerder heeft gemaakt van de nationaliteit van eiser, noch in de toetsing daarvan door de rechtbank. De rechtbank heeft immers overwogen dat verweerder ook andere feiten en omstandigheden terecht heeft betrokken in de beoordeling van eisers identiteit, herkomst en nationaliteit. [5] Deze onderdelen van de motivering van verweerder zijn niet afhankelijk van de (al dan niet) veronderstelde Egyptische nationaliteit en de later gebleken informatie waar verweerder over beschikte. Verder heeft de rechtbank overwogen dat verweerder aan eiser heeft mogen tegenwerpen dat hij wisselend heeft verklaard over de nationaliteit van zijn moeder. De informatie die eiser in het herzieningsverzoek naar voren heeft gebracht betreft zijn nationaliteit (en niet die van zijn moeder), waardoor ook dit onderdeel van het oordeel van de rechtbank niet anders zou kunnen zijn geweest.
4.4.
Ten aanzien van de aanwijzing van Egypte als land van terugkeer in het terugkeerbesluit, heeft de rechtbank in haar toetsing erop gewezen dat verweerder één of meerdere landen van terugkeer kan aanwijzen wanneer daar banden mee bestaan – ook wanneer de nationaliteit van een vreemdeling niet is vastgesteld. [6] In de toetsing van het terugkeerbesluit hebben de banden van eiser met Egypte een belangrijke rol gespeeld. Niet is gebleken dat de vraag of hij die nationaliteit heeft een rol heeft gespeeld Eiser heeft verklaard dat hij lang in Egypte heeft verbleven en dat zijn familieleden daar verblijven. Zelfs indien verweerder uit zou zijn gegaan van een veronderstelde Egyptische nationaliteit bij het opnemen van dat land in het terugkeerbesluit, zou gelet op de (niet weersproken) banden van eiser met Egypte het niet hebben van deze nationaliteit het oordeel van de rechtbank niet anders hebben gemaakt.
5. Gelet op het voorgaande wordt niet voldaan aan onderdeel (c) van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Het verzoek om herziening wordt daarom afgewezen.

Conclusie en gevolgen

6. De rechtbank wijst het verzoek om herziening af.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:119, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
4.ECLI:NL:RBDHA:2025:9977, over de bewaring van eiser.
5.Zie rechtsoverwegingen 7 en 8 van de bestreden uitspraak, waarin ook wordt ingegaan op de beoordeling die verweerder heeft gemaakt van de verklaringen van eiser over het hebben beschikt over documenten, over het zijn verloren van zijn documenten en zijn koffer, en op de beoordeling die verweerder heeft gemaakt van de documenten die eiser later heeft overgelegd.
6.Zie rechtsoverweging 11.2 van de bestreden uitspraak.