ECLI:NL:RBDHA:2026:4546
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroepsprocedure
In deze zaak heeft de voorzieningenrechter uitspraak gedaan over een verzoek om voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag door de minister van Asiel en Migratie.
De minister had op 3 november 2025 een beslissing genomen op het bezwaarschrift van verzoeker. Verzoeker heeft echter geen beroep ingesteld tegen deze beslissing op bezwaar. Volgens artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een verzoek om voorlopige voorziening alleen worden gedaan als er een beroepsprocedure tegen het besluit op bezwaar loopt.
Omdat in deze zaak geen beroep is ingesteld, is het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek daarom niet inhoudelijk en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan door rechter C.H. de Groot en griffier M.S.G. van der Werf, en is openbaar gemaakt op 6 maart 2026. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een beroepsprocedure tegen het besluit op bezwaar.