In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 13 januari 2026, wordt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser, een Congolese nationaliteit, behandeld. Eiser heeft op 2 mei 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, welke door de minister van Asiel en Migratie op 16 juni 2023 als ongegrond is afgewezen. Eiser is het niet eens met deze afwijzing en heeft beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 22 december 2025 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren, evenals een tolk en de gemachtigde van de minister.
De rechtbank oordeelt dat de door eiser gestelde problemen van zijn familie in Congo niet geloofwaardig zijn. Eiser heeft verklaard dat zijn vader is vermoord vanwege zijn werk voor de Congolese inlichtingendienst, maar de rechtbank vindt dat hij onvoldoende bewijs heeft geleverd om deze claim te onderbouwen. De rechtbank wijst erop dat eiser geen asiel heeft aangevraagd in Oekraïne, waar hij eerder verbleef, en dat dit afbreuk doet aan zijn gestelde vrees voor terugkeer naar Congo. De rechtbank concludeert dat de minister de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen en verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten.
De uitspraak benadrukt het belang van geloofwaardigheid in asielzaken en de verplichting van de aanvrager om voldoende bewijs te leveren voor zijn claims. De rechtbank heeft de minister in zijn standpunt gesteund dat er meer van eiser verwacht mocht worden in zijn verklaringen over de dood van zijn vader en de situatie van zijn familie in Congo.