6.3.Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf en maatregelen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging, belaging en diefstal van de sleutelbos van zijn ex-partner [benadeelde 1]. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat [benadeelde 1] zich onveilig voelt en bang is dat de verdachte haar gaat vermoorden. [benadeelde 1] geeft aan dat zij niet meer voor de verdachte wil vluchten. Ze hoopt dat de verdachte wordt behandeld. Daarnaast is zij verdrietig over wat haar kinderen mee moeten maken. Uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij blijkt dat [benadeelde 1] onder behandeling is bij de psycholoog. De verdachte heeft met deze feiten een grove inbreuk gemaakt op de geestelijke integriteit van [benadeelde 1]. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling van onderdelen van een auto van de neef van [naam 1], de vriend van zijn dochter. Dit heeft geleid tot angstgevoelens bij de vriend van zijn dochter en heeft hinder en financiële schade opgeleverd bij de eigenaar van de auto.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 26 mei 2025. De verdachte is in 2022 veroordeeld voor geweldsfeiten tegen dezelfde (ex)partner. De rechtbank constateert dat de verdachte ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten in een proeftijd liep van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf. Deze straf heeft hem er niet van weerhouden om strafbare feiten te plegen. De rechtbank weegt dit in strafverzwarende zin mee.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende rapportages:
- de Pro Justitia-rapportage van 11 december 2025, opgesteld door psychiater dr. [naam 2];
- de Pro Justitia-rapportage van 17 december 2025, opgesteld door GZ-psycholoog [naam 3];
- de Pro Justitia-rapportage, opgesteld door milieuonderzoeker [naam 4];
- het reclasseringsadvies van 20 januari 2026, opgesteld door [naam 5].
De Pro Justitia-rapportages
In de Pro Justitia-rapportage (hierna: PJ-rapportage) van 11 december 2025 concludeert de psychiater dat bij de verdachte sprake is van een narcistische persoonlijkheidsstoornis, waarvan paranoïde en antisociale persoonlijkheidskenmerken een uitvloeisel zijn. De stoornis was aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten. De psychiater adviseert de aan hem ten laste gelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen. De psychiater schat het recidiverisico in als hoog. De verdachte ervaart sneller een grote krenking dan anderen en dit leidt tot grote boosheid. Er zijn weinig beschermende factoren en de verdachte heeft geen of nauwelijks ziektebesef. Volgens de psychiater moet eerst worden gewerkt aan ziektebesef en motivatie voor gedragsverandering. Vervolgens kan er worden gewerkt aan de gedragsproblematiek van de verdachte. Deze behandeling zou klinisch moeten beginnen in een Forensisch Psychiatrische Kliniek (FPK). De psychiater adviseert bij bewezenverklaring de tbs-maatregel op te leggen. Volgens de psychiater is de tbs-maatregel met voorwaarden mogelijk. Daarnaast adviseert de psychiater een GVM in de zin van artikel 38z Sr op te leggen.
In de PJ-rapportage van 17 december 2025 concludeert de psycholoog eveneens dat bij de verdachte sprake is van een narcistische persoonlijkheidsstoornis. De stoornis was aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten. De verdachte is snel gekrenkt, geneigd zichzelf in een gunstig daglicht te stellen en verantwoordelijkheden buiten zichzelf te leggen. Daarnaast beschikt de verdachte over weinig empathie. De psycholoog adviseert de aan de verdachte ten laste gelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen. De psycholoog schat het recidiverisico in als hoog. De verdachte stelt zijn eigen belangen op de voorgrond. Er zijn geen beschermende factoren. De verdachte heeft volgens de psycholoog geen intrinsieke motivatie voor behandeling en geen ziektebesef. De psycholoog stelt dat de behandeling klinisch zal moeten starten. De psycholoog adviseert bij bewezenverklaring de tbs-maatregel op te leggen. Volgens de psycholoog is de tbs-maatregel met voorwaarden mogelijk, maar de zorgen over de motivatie en het ziektebesef, en het feit dat de feiten zijn gepleegd tijdens een proeftijd en de zorgen over wraak door de verdachte, pleiten voor de tbs-maatregel met dwangverpleging. De psycholoog laat het aan de rechtbank of de tbs-maatregel met voorwaarden of met dwangverpleging nodig is. Indien de rechtbank komt tot de tbs-maatregel met voorwaarden, dan is het van belang dat er scherp toezicht bestaat op de verdachte, wellicht na de klinische opname met elektronisch toezicht, zodat te allen tijde duidelijk is waar de verdachte verblijft. Daarnaast adviseert de psychiater een GVM in de zin van artikel 38z Sr op te leggen.
In de PJ-rapportage heeft de milieuonderzoeker milieuonderzoek gedaan. De milieuonderzoeker heeft gesproken met verschillende familieleden van de verdachte. De familie van de verdachte vreest dat de verdachte wraak wil nemen op [benadeelde 1].
Reclasseringsadvies
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het reclasseringsadvies over de verdachte van 20 januari 2026. De reclassering schat het recidiverisico in als hoog. De reclassering acht een klinische behandeling noodzakelijk om het risico op recidive en verdere escalatie te verlagen. Aangezien de verdachte weinig tot geen intrinsieke motivatie voor behandeling heeft en probleem- en ziekte-inzicht bij hem ontbreekt, is bij een veroordeling een strikter kader geïndiceerd. Aangezien de verdachte de noodzaak van de behandeling niet inziet, de persoonlijkheidsproblematiek een langdurige behandeling vraagt en de tbs-maatregel met voorwaarden een vrijwillig kader is, acht de reclassering de kans reëel aanwezig dat de verdachte zich op de langere termijn aan de behandeling zal onttrekken. De reclassering adviseert negatief over de tbs-maatregel met voorwaarden. Als de rechtbank wel komt tot de oplegging van de tbs-maatregel met voorwaarden heeft de reclassering voorwaarden opgenomen in het reclasseringsadvies. De reclassering adviseert bij een veroordeling tot tbs of tot een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38z Sr op te leggen.
Aanvullende verklaring van reclasseringswerker
[naam 6], een collega van de reclasseringswerker die het reclasseringsadvies heeft opgesteld, was aanwezig tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak. De reclasseringswerker heeft verklaard dat de tbs-maatregel met dwangverpleging het beste kader is, gelet op het gebrek aan ziektebesef bij de verdachte, het feit dat de verdachte niet goed kan benoemen wat hij in een behandeling zou moeten doen en hij verantwoordelijkheden buiten zichzelf legt. De behandeling start met een delictanalyse. Daarvoor is inzicht en openheid geven over het eigen aandeel in het delict c.q. de delicten noodzakelijk. De verdachte heeft eerder meegewerkt aan toezicht, maar geeft weinig openheid over wat er speelt in zijn leven. De reclassering was niet op de hoogte van de hervatte relatie tussen de verdachte en het slachtoffer. De tbs-maatregel met voorwaarden heeft een vrijwillig karakter en daarbij is de kans van slagen afhankelijk van de eigen inzet van de verdachte. Als de verdachte zijn problemen niet erkent en geen verantwoordelijkheid neemt heeft de behandeling een langere aanloop nodig. De tijd voor behandeling is beperkt bij de tbs-maatregel met voorwaarden. Bij de tbs-maatregel met dwangverpleging is er meer tijd om tot een geslaagde behandeling te komen. De reclassering schat de kans op onttrekking aan de voorwaarden na verloop van tijd hoog in.
De tbs-maatregel met dwangverpleging
De rechtbank gaat uit van de PJ-rapportages van de psychiater en de psycholoog ten aanzien van de gestelde diagnoses en de verminderde toerekeningsvatbaarheid, aangezien deze conclusies en adviezen worden gedragen door een uitgebreide en deugdelijke onderbouwing, zodat er geen reden bestaat om aan de juistheid van deze adviezen te twijfelen. De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in haar betoog dat de PJ-rapportages niet deugdelijk tot stand zijn gekomen omdat de gesproken referenten vijandig ten opzichte van de verdachte zouden staan. Dat de kinderen van de verdachte niet als referenten zijn gehoord, maakt naar het oordeel van de rechtbank ook niet dat deze rapporten ondeugdelijk of onvolledig zijn.
De rechtbank zal, conform de PJ-rapportages van de psychiater en de psycholoog, de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan de verdachte toerekenen. De rechtbank is, net als rapporterende psychiater en psycholoog, van oordeel dat het noodzakelijk is dat de verdachte wordt behandeld voor zijn problematiek om zo te voorkomen dat hij nieuwe strafbare feiten pleegt. De rechtbank ziet het kader van de tbs-maatregel als enig passend kader om te waarborgen dat de verdachte die behandeling krijgt.
De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van de tbs-maatregel. De door de verdachte bij dagvaarding I onder 1 (bedreiging) en onder 2 (belaging) bewezenverklaarde feiten zijn misdrijven zoals omschreven in artikel 37a, eerste lid, sub 2, Sr waarvoor de maatregel kan worden opgelegd. Volgens de rapporterend psychiater en psycholoog bestond tijdens het begaan van de bewezenverklaarde feiten bij de verdachte een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, namelijk een narcistische persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast vereist de veiligheid van anderen, met name de veiligheid van zijn ex-partner [benadeelde 1], dat de maatregel wordt opgelegd, aangezien naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een hoog recidiverisico. De verdachte is al eerder tot een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf veroordeeld voor agressie richting hetzelfde slachtoffer, wat de hardnekkigheid van de problematiek onderstreept.
De verdachte geeft aan dat hij zich aan de voorwaarden van een tbs-maatregel met voorwaarden wil houden. De rechtbank ziet echter, net als de rapporterend psycholoog en de reclassering, geen intrinsieke motivatie bij de verdachte om te werken aan zijn problematiek. De complexe problematiek van de verdachte, het hoge recidiverisico, het gebrek aan ziekte-inzicht en het ontbreken van intrinsieke motivatie bij de verdachte vereist intensieve behandeling binnen het forensische kader. Dit alles leidt tot de conclusie dat aan de verdachte de tbs-maatregel met dwangverpleging moet worden opgelegd.
Op grond van artikel 38e, eerste lid, Sr gaat de totale duur van de tbs-maatregel een periode van vier jaren niet te boven, tenzij de tbs-maatregel is opgelegd ter zake een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank is van oordeel dat de bewezenverklaarde bedreiging en belaging gelet op de context waarbinnen de gedragingen zijn verricht en het delictverleden van de verdachte jegens [benadeelde 1] gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van [benadeelde 1], de ex-partner van de verdachte. Hieruit volgt dat er in de onderhavige zaak sprake is van een ongemaximeerde terbeschikkingstelling en dat de totale duur van de maatregel een periode van vier jaar te boven kan gaan.
De 38z-maatregel
Uit de PJ-rapportages van de psychiater en de psycholoog en het reclasseringsadvies volgt dat behandeling noodzakelijk is om gedragsverandering bij de verdachte teweeg te brengen. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het noodzakelijk dat de 38z-maatregel wordt opgelegd in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen. De rechtbank stelt verder vast dat aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van een maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z, eerste lid, Sr is voldaan. De rechtbank gelast immers de terbeschikkingstelling van de verdachte.
De straf
De rechtbank is van oordeel dat er naast de tbs-maatregel met dwangverpleging ook een straf aan de verdachte moet worden opgelegd. De ernst van de feiten maakt dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
Voorlopige hechtenis
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de voorlopige hechtenis van de verdachte moet worden opgeheven, aangezien artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering van toepassing is, dan wel dat de voorlopige hechtenis van de verdachte moet worden geschorst. De rechtbank wijst deze verzoeken af, gelet op de op te leggen straf en tbs-maatregel.