ECLI:NL:RBDHA:2026:4525

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
C/09/670788 / FA RK 24-5740
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met overeenstemming en vaststelling ouderschapsplan en verdeling gemeenschap van goederen

Partijen zijn gehuwd sinds 2021 en hebben een minderjarig kind geboren in 2023. Zij hebben gezamenlijk verzocht om echtscheiding wegens duurzame ontwrichting van het huwelijk. De rechtbank wijst het verzoek toe en neemt het door partijen opgestelde ouderschapsplan op in de beschikking.

De hoofdverblijfplaats van het kind wordt bij de vrouw vastgesteld, met afspraken over zorg- en opvoedingstaken en vakanties. De woning wordt toegewezen aan de vrouw, aangezien partijen hierover overeenstemming hebben bereikt. De man is verplicht een maandelijkse kinderalimentatie van €400 te betalen, ingaande op 22 december 2025, de datum van ondertekening van het ouderschapsplan.

De verdeling van de gemeenschap van goederen wordt vastgesteld conform de door partijen overeengekomen verdeling, waarbij schulden buiten de verdeling blijven en ieder voor zijn eigen schulden verantwoordelijk is. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van de echtscheiding zelf. Meer of anders verzochte punten worden afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank spreekt de echtscheiding uit en wijst de overeengekomen regelingen met betrekking tot het ouderschapsplan, woning, kinderalimentatie en verdeling van de gemeenschap van goederen toe.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Familie
zaaknummer / rekestnummer: C/09/670788 / FA RK 24-5740
Beschikking d.d. 2 februari 2026 betreffende de echtscheiding
in de zaak van:
[de man] ,
met een voor de rechtbank bekend briefadres,
hierna te noemen de man,
advocaat voorheen mr. R. Shahbazi, gevestigd te Den Haag,
tegen
[de vrouw] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. S. Toughza, gevestigd te Amsterdam.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van de man, ingekomen op 8 augustus 2024;
- het F9-formulier van 19 september 2024 van de zijde van de man, met bijlagen;
- het F9-formulier van 27 september 2024 van de zijde van de man;
- het F9-formulier van 20 november 2024 van de zijde van de man, met bijlagen
waarmee de bescheiden behorende bij het verzoekschrift zijn gecompleteerd;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoeken, ingekomen op 4 december 2024;
- het F9-formulier van 2 december 2024 van de zijde van de vrouw, met bijlage;
- het verweerschrift op de zelfstandige verzoeken, ingekomen op 1 mei 2025;
- het F9-formulier van 3 juni 2025 van de zijde van de man, waaruit blijkt dat partijen
overeenstemming hebben bereikt;
- het F9-formulier van 12 augustus 2025 met bijlagen;
- het F9-formulier van 24 december 2025 van de zijde van de man, met het daarbij
meegezonden ouderschapsplan.

2.De beoordeling

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2021 te [plaats] .
2.2.
Het minderjarige kind van partijen is [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] .
2.3.
Scheiding
2.3.1.
Partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.
2.4.
Ouderschapsplan
2.4.1.
Partijen hebben een ouderschapsplan opgesteld. De rechtbank zal overeenkomstig het verzoek bepalen dat het ouderschapsplan deel uitmaakt van deze beschikking.
2.4.2.
De man heeft verzocht de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vrouw en een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) vast te stellen. Tevens is verzocht te bepalen dat indien aanpassing van de zorgregeling in de toekomst wenselijk blijkt, partijen hierover in gesprek gaan. Bij eventuele conflicten over de zorgregeling zullen de ouders zich inspannen om via passende middelen, zoals bemiddeling, tot een oplossing te komen, en dat [de minderjarige] met moeder mee op vakantie mag gaan. Wanneer [de minderjarige] ouder wordt en tekenen van zelfstandigheid laat zien (zoals zindelijkheid en doorslapen), zullen partijen in overleg treden om te bezien of een meer evenwichtige verdeling van de vakantiedagen mogelijk is.
De ouders hebben daarover in het ouderschapsplan afspraken vastgelegd. Aangezien de rechtbank het ouderschapsplan zal opnemen in de beschikking, zal zij de afzonderlijke verzoeken met betrekking tot [de minderjarige] wegens gebrek aan belang afwijzen.
2.5.
Woning
2.5.1.
De man heeft verzocht om het huurrecht van de woning toe te kennen aan de vrouw.
Nu partijen hier overeenstemming over hebben bereikt zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen.
2.6.
Onderhoudsbijdrage(n)
2.6.1.
De man heeft de rechtbank verzocht om door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: kinderbijdrage) vast te stellen van € 400,00 per maand.
Nu partijen hierover overeenstemming hebben bereikt zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen.
2.6.2.
Op 19 december 2025 is door de vrouw het ouderschapsplan ondertekend en op
22 december 2025 door de man. Partijen zijn in het ouderschapsplan overeengekomen dat de kinderalimentatie ingaat op de datum van ondertekening van het ouderschapsplan.
Nu op 22 december 2025 het ouderschapsplan door beide partijen is ondertekend
zal de rechtbank deze datum als ingangsdatum in de beschikking opnemen.
2.7.
Verdeling
2.7.1.
De man heeft verzocht te bepalen dat de tussen de partijen bestaande gemeenschap van goederen wordt verdeeld op de door hem voorgestelde wijze.
2.4.2.
Nu partijen hierover overeenstemming hebben bereikt zal de rechtbank het verzoek met betrekking tot de vaststelling van de verdeling als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen. Daarbij merkt de rechtbank op dat schulden niet voor verdeling in aanmerking komen. Wel kunnen partijen overeenkomen wie van hen beiden in de onderlinge verhouding welke schulden voor zijn/haar rekening neemt.
2.8.
Ingetrokken verzoeken
2.8.1.
De rechtbank beschouwt hetgeen eerder in deze procedure meer of anders is verzocht als ingetrokken.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op
[datum] 2021;
3.2.
bepaalt dat het aangehechte ouderschapsplan deel uitmaakt van deze beschikking;
3.3.
bepaalt dat de vrouw huurster zal zijn van de woning aan het adres [adres]
met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;
3.4.
bepaalt dat de man € 400,00 per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de voornoemde minderjarige, met ingang van
22 december 2025, vanaf nu telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
3.5.
stelt de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap als volgt vast:
aan de man wordt toegedeeld:
- de persoonlijke spullen van de man uit de echtelijke woning;
- het saldo van de zakelijke bankrekening van de man bij Knap;
- het saldo van de persoonlijke rekening van de man bij ING;
- de auto van de man, zonder verdere verrekening;
aan de vrouw wordt toegedeeld:
- de inboedel van de echtelijke woning, behoudens de persoonlijke spullen van de man;
- het saldo van de persoonlijke rekening van de vrouw bij ING, zonder nadere verrekening;
- de auto van de vrouw, zonder verdere verrekening;
bepaalt dat in de interne verhouding tussen partijen de man draagplichtig is voor schulden die op zijn naam staan en de vrouw draagplichtig is voor schulden die op haar naam staan;
3.6.
verklaart deze beschikking, tot zover, met uitzondering van de beslissing met betrekking tot de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad;
3.7.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier A.M.C. Guit-van den Berg op 2 februari 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Den Haag. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv Pro openlijk bekend is gemaakt.