Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:4488

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
C/09/690163 / HA ZA 25-715
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:400 BWArt. 7:401 BWArt. 7:904 BWArt. 6:233 BWArt. 130 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis over vernietiging bindende adviezen en onredelijk kostenbeding advocaat

Eiser was ontevreden over de juridische bijstand van zijn advocaat in een echtscheidingsprocedure en diende klachten in bij de Geschillencommissie Advocatuur, die bindende adviezen uitbracht. Eiser vorderde vernietiging van deze adviezen en schadevergoeding wegens vermeende tekortkomingen.

De rechtbank oordeelt dat partijen gebonden zijn aan de bindende adviezen en dat eiser onvoldoende feiten heeft gesteld om vernietiging te rechtvaardigen. Ook is geen tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst van opdracht door de advocaat vastgesteld, mede omdat eiser een dagvaardingsprocedure tot verrekening niet wilde starten.

Wel vernietigt de rechtbank het kostenbeding in de overeenkomst tussen eiser en het advocatenkantoor omdat dit niet duidelijk en begrijpelijk was geformuleerd en daardoor oneerlijk is. Dit leidt tot terugbetaling van €484 aan eiser. De overige vorderingen worden afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst vernietiging van de bindende adviezen af, oordeelt geen tekortkoming door de advocaat en vernietigt het onduidelijke en oneerlijke kostenbeding, waardoor terugbetaling van €484 aan eiser wordt toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaak- / rolnummer: C/09/690163 / HA ZA 25-715
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van
[eiser]te [woonplaats] ,
eiser,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat mr. M.J.S. Spanjersberg te Zoetermeer,
tegen
[gedaagde], handelend onder de naam
[advocatenkantoor]te [woonplaats] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] of [advocatenkantoor] ,
advocaat mr. J.H. Huitema te Rotterdam.

1.Waar gaat deze zaak over?

1.1.
Mr. [naam] (hierna: mr. [naam] ) heeft [eiser] als advocaat bijgestaan in een echtscheidingszaak. Mr. [naam] was destijds in dienst van [advocatenkantoor] . Omdat [eiser] niet tevreden was over de dienstverlening van mr. [naam] heeft hij klachten ingediend bij de Geschillencommissie Advocatuur (hierna: de Geschillencommissie). De Geschillencommissie heeft in reactie op de klachten van [eiser] twee bindende adviezen uitgebracht, waarin hij de klachten van [eiser] deels gegrond heeft verklaard. Verder heeft de Geschillencommissie aan [eiser] een bedrag van € 4.500,- aan schadevergoeding toegewezen.
1.2.
[eiser] is het niet eens met de bindende adviezen van de Geschillencommissie en vordert vernietiging daarvan. Verder wil [eiser] een verklaring voor recht dat [advocatenkantoor] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht, schadevergoeding en betaling van diverse bedragen. [advocatenkantoor] is van mening dat er geen gronden zijn voor toewijzing van de vorderingen van [eiser] .
1.3.
De rechtbank stelt vast dat partijen aan de bindende adviezen van de Geschillencommissie zijn gebonden en dat er geen redenen zijn om de bindende adviezen te vernietigen. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een tekortkoming door mr. [naam] in de nakoming van de overeenkomst van opdracht. Verder oordeelt de rechtbank dat er geen grond is voor betaling van de door [eiser] gevorderde bedragen, afgezien van de teveel betaalde advocaatkosten in een andere zaak waarin [advocatenkantoor] [eiser] juridische bijstand heeft verleend. Hierna legt de rechtbank haar oordeel uit. Voordat de rechtbank dat doet, zet ze eerst op een rij op welke informatie ze zich baseert en wat [eiser] precies vordert.

2.De procedure

2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 19 december 2024, met producties 1 tot en met 18;
- de akte vermeerdering van eis, tevens akte aanvullende gronden, tevens akte wijziging van eis;
- de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid;
- de incidentele conclusie van antwoord;
- het vonnis van deze rechtbank, sectie kanton, van 22 juli 2025, waarin de kantonrechter zich onbevoegd heeft verklaard en de zaak heeft verwezen naar de handelskamer;
- de conclusie van antwoord, met één productie;
- de akte eisvermeerdering, tevens akte overlegging aanvullende producties, met producties 19 tot en met 22;
- de akte overlegging producties, met producties 2 en 3, van [advocatenkantoor] .
2.2.
Op 22 januari 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.
Hierbij waren partijen aanwezig, bijgestaan door hun advocaat. Ook was mr. [naam] aanwezig. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat tijdens de zitting is besproken.

3.De feiten

3.1.
[gedaagde] drijft een advocatenkantoor in de vorm van een eenmanszaak onder de naam [advocatenkantoor] . Mr. [naam] is als advocaat in dienst van [advocatenkantoor] geweest. Op dit moment is mr. [naam] niet meer als advocaat werkzaam.
3.2.
[eiser] is van 2006 tot 2014 getrouwd geweest met zijn eerste echtgenote. Uit dit huwelijk is op [datum 1] 2007 een dochter ( [dochter 1] ) geboren. In 2016 is [eiser] getrouwd met zijn tweede echtgenote. Uit dit huwelijk is op [datum 2] 2017 zijn tweede dochter ( [dochter 2] ) geboren.
3.3.
In december 2020 is de eerste echtgenote van [eiser] overleden. Hierna droeg [eiser] de kosten voor zijn beide kinderen en voor zijn tweede echtgenote, die geen inkomsten genoot.
3.4.
Medio 2021 heeft de tweede echtgenote van [eiser] te kennen gegeven te willen scheiden. Haar advocaat heeft op 3 augustus 2021 een verzoekschrift voorlopige voorzieningen bij de rechtbank ingediend. Vervolgens heeft [eiser] ook een advocaat ingeschakeld. Omdat [eiser] ontevreden was over deze advocaat heeft [eiser] zich op 19 augustus 2021 tot [advocatenkantoor] gewend. Op 30 augustus 2021 heeft een intakegesprek plaatsgevonden tussen [eiser] en mr. [naam] op het kantoor van [advocatenkantoor] . Mr. [naam] heeft de volgende dag, 31 augustus 2021, een verweerschrift ingediend bij de rechtbank.
3.5.
Op 1 september 2021 heeft [advocatenkantoor] de afspraken, over de juridische bijstand in de voorlopige voorzieningenprocedure, aan [eiser] per e-mail bevestigd. Als bijlagen bij de e-mail heeft hij de algemene voorwaarden en de brochure Klachten- en geschillenregeling advocatuur meegestuurd.
3.6.
Op 3 september 2021 heeft de mondelinge behandeling van de voorlopige voorzieningen plaatsgevonden en op 17 september 2021 volgde de beschikking van deze rechtbank. In deze beschikking van 17 september 2021 is onder meer bepaald dat [eiser] , met ingang van 1 augustus 2021, voorlopige kinderalimentatie moet betalen van € 330 per maand en voorlopige partneralimentatie van € 658 per maand.
3.7.
Bij beschikking van 13 juli 2022 heeft deze rechtbank de echtscheiding uitgesproken tussen [eiser] en zijn tweede echtgenote en is onder meer bepaald dat [eiser] met ingang van 13 juli 2022 kinderalimentatie moet betalen van € 357 per maand en partneralimentatie van € 563 per maand.
3.8.
Op 26 augustus 2022 heeft een gesprek plaatsgevonden op het kantoor van [advocatenkantoor] tussen [eiser] , mr. [naam] en [gedaagde] over de klachten van [eiser] over de juridische bijstand die mr. [naam] hem in de echtscheidingsprocedure heeft verleend.
3.9.
Omdat [eiser] niet tevreden was over de uitkomst van het gesprek met [advocatenkantoor] heeft hij zich gewend tot de Geschillencommissie. [eiser] heeft drie verschillende klachtformulieren ingediend bij de Geschillencommissie, omdat hij per klacht niet boven het (maximaal toegestane) bedrag van € 25.000,- wilde uitkomen. De Geschillencommissie heeft de klachten in twee procedures ondergebracht.
3.10.
Op 13 februari 2024 heeft de eerste zitting bij de Geschillencommissie plaatsgevonden. De Geschillencommissie heeft vervolgens op 25 september 2025 een bindend advies (hierna: het eerste bindend advies) uitgebracht. Hierin heeft de Geschillencommissie de klacht van [eiser] in de eerste procedure als volgt samengevat:

De cliënt heeft de advocaat op 16 mei 2022 zijn jaaropgave van 2021 toegestuurd. De advocaat heeft deze pas op 25 mei 2022 aan de rechtbank toegestuurd, zonder daarbij een nieuwe alimentatieberekening - op basis van de gewijzigde, lagere inkomsten van de cliënt - te voegen. De rechtbank is daardoor uitgegaan van de eerdere alimentatieberekening van de advocaat, die is gemaakt met de jaaropgave van 2020. Door de gebreken in de dienstverlening van de advocaat is de door de cliënt aan zijn ex-echtgenote te betalen alimentatie te hoog vastgesteld en lijdt de cliënt financiële schade.
De Geschillencommissie heeft de klacht van [eiser] ongegrond verklaard en heeft daartoe het volgende overwogen:

De commissie beslist naar redelijkheid en billijkheid, waarbij zij als maatstaf voor het handelen van de advocaat hanteert dat deze heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat.
Op grond van de stukken staat vast dat de cliënt de advocaat op 16 mei 2022 aanvullende stukken, waaronder met name de jaaropgave van 2021, heeft toegestuurd en dat de advocaat deze stukken op 25 dan wel 26 mei 2022 aan de rechtbank heeft doorgestuurd.
De commissie is met de cliënt van oordeel dat het op de weg van de advocaat had gelegen om aan de hand van de jaaropgave 2021 de alimentatieberekening aan te passen en een nieuwe alimentatieberekening aan de rechtbank te doen toekomen. Dit heeft zij nagelaten. Echter, de commissie kan niet vaststellen wat de rechtbank zou hebben beslist als de advocaat de aanvullende stukken wel had vergezeld van een nieuwe alimentatieberekening. De advocaat stelt in dit verband terecht dat het te doen gebruikelijk is dat de rechtbank een eigen berekening maakt. Vaststaat dat de rechtbank de jaaropgave van 2021 tijdig heeft ontvangen. Dat zij desondanks is uitgegaan van de jaaropgave 2020, valt de advocaat niet te verwijten.
De commissie neemt voorts in aanmerking dat de cliënt hoger beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank. Ter zitting heeft de cliënt desgevraagd medegedeeld dat deze procedure nog loopt. Niet te voorspellen valt wat de uitkomst van het hoger beroep zal zijn. Derhalve is thans nog onbekend of de jaaropgave van 2021 uiteindelijk een factor in de beslissing met betrekking tot de door de cliënt aan zijn ex-echtgenote te betalen alimentatie zal zijn. De commissie kan dus ook niet vaststellen of de cliënt uiteindelijk schade zal lijden.
3.11.
[eiser] is in hoger beroep gekomen van de echtscheidingsbeschikking van
13 juli 2022. Zijn ex-echtgenote heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Bij beschikking van 10 juli 2024 heeft het hof voormelde beschikking van 13 juli 2022 – voor zover hier van belang – vernietigd voor zover het de kinder- en partneralimentatie betreft en onder meer het volgende beslist:

bepaalt dat de man met betrekking tot de periode van 13 juli 2022 tot 1 augustus 2023 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter 2] , op hetgeen hij in die periode daadwerkelijk heeft betaald;
bepaalt dat de man met ingang van 1 augustus 2023 een bedrag van € 25,- per maand aan de vrouw moet betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter 2] ;
bepaalt dat de vrouw het in de periode vanaf 1 augustus 2023 eventueel te veel ontvangen bedrag aan kinderalimentatie niet terug hoeft te betalen;
bepaalt de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw met ingang van 6 januari 2023 op nihil;
bepaalt dat de vrouw in het verleden eventueel te veel ontvangen partneralimentatie niet hoeft terug te betalen;
3.12.
Omdat [eiser] zich niet met het eerste bindend advies van de Geschillencommissie kon verenigen, heeft hij de Geschillencommissie op 20 oktober 2024 gewraakt. De Geschillencommissie heeft [eiser] op 11 november 2024 niet-ontvankelijk verklaard in zijn wrakingsverzoeken.
3.13.
Op 6 december 2024 heeft de tweede zitting bij de Geschillencommissie plaatsgevonden, waarin de overige klachten van [eiser] zijn behandeld. Vervolgens heeft de Geschillencommissie op 10 januari 2025 een bindend advies uitgebracht (hierna: het tweede bindend advies). Het tweede bindend advies vermeldt als onderwerp van het geschil:

Het geschil betreft de gebrekkige dienstverlening van de advocaat, waardoor de cliënt stelt schade te hebben opgelopen in zijn echtscheidingszaak.
In het tweede bindend advies heeft de Geschillencommissie de klachten van [eiser] als volgt samengevat:

De advocaat heeft nalatig en verwijtbaar gehandeld bij de behandeling van de echtscheidingsprocedure van de cliënt. De cliënt heeft hierdoor schade geleden en eist een schadevergoeding van € 22.575,25
Deze vergoeding is als volgt door de cliënt onderbouwd:
- € 2.715,75 doordat de advocaat heeft nagelaten verweer te voeren in de voorlopige voorzieningenprocedure tegen een verzoek van de tegenpartij waardoor de ingangsdatum van de alimentatieverplichting van de cliënt op een verkeerde datum is vastgesteld.
- € 13.534,-- wegens onjuist informeren/handelen van de advocaat wat heeft geresulteerd in een hogere alimentatiedraagkracht van de cliënt voor de periode van 101 maanden (01.08.2021-01.01.2029) totdat de jongste dochter van de cliënt 12 jaar oud wordt.
- € 3.825,50 doordat de advocaat niet tijdig genoeg heeft kennis genomen van het verweerschrift van de tegenpartij om daarop professioneel te reageren middels het opstellen van een duidelijke schuldenoverzicht voor de peildatum 13 oktober 2021 en het tijdig voor de mondelinge behandeling in het geding brengen van dit overzicht voor de zitting van 8 juni 2022. Het verweerschrift is evenmin tijdig aan de cliënt toegestuurd.
- € 2.500,-- door na te laten om ondanks het nadrukkelijk verzoek van de cliënt de verhuiskosten op de tegenpartij te verhalen.
De Geschillencommissie heeft de klachten gedeeltelijk gegrond verklaard. Verder heeft de Geschillencommissie bepaald dat [advocatenkantoor] een vergoeding van € 4.500 aan [eiser] moet betalen en dat [advocatenkantoor] het klachtengeld van € 102,50 aan [eiser] moet vergoeden. De Geschillencommissie heeft hiertoe het volgende overwogen:

Klacht terzake ingangsdatum alimentatie
(…).
Vastgesteld wordt derhalve dat geen althans onvoldoende verweer is gevoerd tegen de ingangsdatum, zoals verzocht in het verzoekschrift van de tegenpartij.
(…).
Gezien het voorgaande acht de commissie aannemelijk dat de rechtbank, indien deugdelijk verweer was gevoerd tegen de ingangsdatum, dit verweer zou hebben gehonoreerd en de ingangsdatum op datum beschikking zou hebben vastgesteld. De commissie acht dit klachtonderdeel gegrond. Wat betreft de gestelde schade is de commissie van oordeel, mede in aanmerking genomen dat latere pogingen van de advocaat om een beroep op verrekening te doen zijn gestrand, dat de cliënt is benadeeld voor € 1.482,--, overeenkomend met het alimentatiebedrag van 1 augustus tot 17 september 2021
Niet adviseren over kosten van oudste dochter:
Uit de beschikking van 17 september 2021 blijkt dat de rechtbank de kosten van de oudste dochter expliciet heeft meegewogen bij de vaststelling van de draagkracht van de cliënt. De klacht is in zoverre ongegrond.
Ter zitting heeft de cliënt aandacht gevraagd voor het aspect welstand waarop de rechtbank had gedoeld. De commissie kan niet vaststellen dat dit aspect is aangevoerd. Uit de (eind)beschikking van de rechtbank van 13 juli 2022 blijkt echter niet dat dit aspect, of het ontbreken daarvan, een rol heeft gespeeld bij de vaststelling van de bedragen tot levensonderhoud. Evenmin blijkt dit uit de beschikking van het gerechtshof van 10 juli 2024 in het hoger beroep dat cliënt heeft ingesteld. Op dit punt is de conclusie dat onvoldoende is komen vast te staan dat de advocaat is tekortgeschoten noch dat de cliënt schade heeft geleden. Op dit punt is de klacht ongegrond.
Klacht over te laat toesturen verweerschrift/toesturen belastingstukken aan de rechtbank:
De advocaat heeft erkend dat het verweerschrift door haar medewerkers te laat aan de cliënt is toegestuurd. Wat de belastingstukken betreft, heeft de cliënt ter zitting nader toegelicht dat de advocaat geen aandacht heeft gevraagd voor zijn specifieke overzicht van de belastingschulden. Indien hij het verweerschrift tijdig had ontvangen, had hij dit met verweerster kunnen afstemmen. De advocaat heeft dit niet voldoende weersproken. De rechtbank overweegt in de beschikking van 13 juli 2022 dat niet voor alle schulden is aangetoond wanneer deze zijn ontstaan en hoeveel daarop wordt afgelost. De rechtbank houdt daarom in redelijkheid rekening met een bepaald bedrag. De commissie is van oordeel dat tijdig overleg voorafgaande aan de zitting hier tot een andere uitkomst had kunnen leiden. Door het nalaten van de advocaat is dit overleg er niet gekomen. Zoals hierna aan de orde zal komen, zal de commissie in redelijkheid een vergoeding toekennen
Schade door niet verhalen van verhuiskosten
De advocaat heeft hierover in haar verweerschrift en ter zitting aangegeven dat zij aan de cliënt heeft laten weten dat verhuiskosten moeilijk te verhalen zijn en dit goed onderbouwd moet worden. De cliënt heeft dit niet kunnen onderbouwen en daarom zijn deze kosten buiten beschouwing gelaten. De cliënt stelt dat de advocaat een schatting had kunnen maken. De cliënt had hiervoor een berekening gemaakt, maar gebleken is dat hij deze berekening niet aan de advocaat heeft toegestuurd. Dit verwijt kan haar dus niet worden gemaakt. Dit klachtonderdeel acht de commissie ongegrond.
Conclusie
Concluderend is de commissie van oordeel dat de advocaat op onderdelen niet heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat. Van een advocaat mag, zeker in een procedure als deze, waarin de advocaat een grote hoeveelheid informatie van de cliënt aangeleverd krijgt, verwacht worden dat deze zijn/haar cliënt spreekwoordelijk bij de hand neemt, duidelijk en begrijpelijk communiceert en uitleg geeft, de ontvangen informatie op de juiste wijze en tijdig naar voren brengt in de procedure en eventueel om nadere informatie vraagt. Op relevante punten is dat onvoldoende gebeurd. Ter zitting is niet gebleken van enige zelfreflectie, hetgeen naar oordeel van de commissie op zijn plaats was geweest.
Schadevergoeding
(…).
Terzake het eerste klachtonderdeel staat vast dat de cliënt hierdoor schade heeft geleden, welke schade kan worden vastgesteld op € 1.482,--. Terzake het derde klachtonderdeel heeft de cliënt aangevoerd dat sprake is van schade van € 3.825,50. Hoewel de commissie de exacte hoogte van de schade niet kan vaststellen, is aannemelijk dat de cliënt als gevolg van de handelwijze van de advocaat schade heeft geleden. De commissie zal op grond van redelijkheid en billijkheid een vergoeding door de advocaat aan de cliënt te betalen vaststellen van in totaal € 4.500,--.
3.14.
[advocatenkantoor] heeft de schadevergoeding van € 4.500 en het klachtengeld van € 102,50 aan [eiser] betaald.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert, na vermeerderingen van eis, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. het bindend advies van de Geschillencommissie van 25 september 2024 vernietigt;
II. het bindend advies van de Geschillencommissie van 10 januari 2025 vernietigt;
III.
primair[advocatenkantoor] veroordeelt tot betaling aan [eiser] van € 23.555,23, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van betekening van de dagvaarding;
subsidiairvoor recht verklaart dat [advocatenkantoor] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht en voor recht verklaart dat [advocatenkantoor] verplicht is de schade die [eiser] dientengevolge heeft geleden te vergoeden, een en ander op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vonnisdatum;
IV. [advocatenkantoor] veroordeelt tot betaling aan [eiser] van € 726 te vermeerderen met de wettelijke rente;
V. [advocatenkantoor] veroordeelt tot (terug)betaling aan [eiser] van € 484, te vermeerderen met de wettelijke rente;
VI. [advocatenkantoor] veroordeelt in de proceskosten en de wettelijke rente daarover.
4.2.
[advocatenkantoor] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
Ter beoordeling ligt allereerst voor of er redenen zijn om de bindende adviezen van de Geschillencommissie te vernietigen.
Vernietiging bindende adviezen
Toetsingskader
5.2.
Als partijen overeenkomen dat zij de beslissing van hun geschil aan een bindend adviseur opdragen, zijn zij in beginsel aan die beslissing gebonden. Alleen als gebondenheid daaraan in verband met de inhoud of de wijze van totstandkoming van het bindend advies in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, is die beslissing vernietigbaar (artikel 7:904 BW Pro [1] ). Gebondenheid is dus regel en strijd met de redelijkheid en billijkheid vormt een uitzondering. De terughoudende bewoordingen van deze maatstaf hebben als gevolg dat niet elke onjuistheid in de beslissing kan leiden tot vernietiging van het bindend advies. Alleen ernstige gebreken in de beslissing kunnen gebondenheid aan de beslissing naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar maken. Ook procedurele fouten zijn niet per definitie reden voor vernietiging: daarvoor moet worden beoordeeld of en in welke mate daardoor nadeel is ontstaan [2] .
5.3.
De stelplicht en de bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat er grond is voor vernietiging van de bindende adviezen rusten op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro [3] op [eiser] .
Standpunten [eiser]
5.4.
De Geschillencommissie heeft volgens [eiser] fouten gemaakt en heeft dat op de zitting van 6 december 2024 erkend. De voorzitter heeft toen excuses aangeboden voor de wijze waarop de klachten zijn behandeld. [eiser] verwijst ter onderbouwing naar productie 15a bij de dagvaarding. Daarom is het volgens [eiser] onredelijk en onbillijk dat hij gebonden blijft aan de bindende adviezen. [eiser] heeft de grondslag voor de vernietiging van de bindende adviezen tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd als volgt verduidelijkt.
  • [eiser] sprak slecht Nederlands. Daarom had de Geschillencommissie de zaak niet op zitting moeten behandelen anders dan met een tolk.
  • De Geschillencommissie had [eiser] er tijdens de eerste zitting op moeten wijzen dat hij zich kon laten bijstaan door een advocaat.
  • [eiser] had een slecht gevoel bij de wijze van totstandkoming van het eerste bindend advies door gebeurtenissen op de gang die plaatsvonden direct na de zitting. [gedaagde] was toen in gesprek met de voorzitter van de Geschillencommissie, zonder dat [eiser] daarbij aanwezig was.
  • De Geschillencommissie heeft de zaken gesplitst behandeld, terwijl het gaat om één en dezelfde procedure.
Standpunten [advocatenkantoor]
5.5.
[advocatenkantoor] heeft hier het volgende tegenover gesteld.
5.6.
De Geschillencommissie informeert klagers standaard, in meerdere talen, dat zij een tolk kunnen meebrengen en dat zij naar het Juridisch Loket kunnen gaan voor rechtsbijstand. Hiervan moet [eiser] dus op de hoogte zijn geweest.
5.7.
[gedaagde] betwist dat hij na afloop van de zitting alleen in gesprek met de voorzitter van de Geschillencommissie is geweest. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat hij te laat was voor de eerste zitting van de Geschillencommissie. De voorzitter van de Geschillencommissie had de behandeling van de zaak al gesloten toen [gedaagde] aankwam en [gedaagde] heeft hem toen gevraagd hoe het zat en waar het mis was gegaan. Vervolgens werd [gedaagde] weggestuurd.
5.8.
[eiser] heeft drie klachtenformulieren ingediend bij de Geschillencommissie. Hij heeft er zelf voor gekozen om de klachten te splitsen. De eerste zaak zag op de voorlopige voorzieningenprocedure en de tweede zaak zag op de bodemprocedure. [eiser] heeft er bovendien geen nadeel van ondervonden dat de zaken gesplitst zijn behandeld, het is juist in zijn voordeel geweest. Want als de twee zaken tegelijk zouden zijn afgedaan, zou de Geschillencommissie ook in de tweede zaak, net als in de eerste zaak, hebben geoordeeld dat de schade niet kon worden vastgesteld, omdat de procedure in hoger beroep nog liep.
Oordeel van de rechtbank
5.9.
De rechtbank is van oordeel dat [advocatenkantoor] de stellingen van [eiser] hiermee gemotiveerd heeft weersproken. Voor de beoordeling van de vraag of er grond is voor vernietiging van de bindende adviezen is verder nog het volgende van belang.
5.10.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] desgevraagd toegelicht dat de voorzitter van de Geschillencommissie tijdens de zitting op 6 december 2024 excuses heeft gemaakt maar dat dit in tegenstelling tot zijn eerder daarover ingenomen standpunt niet blijkt uit productie 15a bij de dagvaarding; daarin staat iets anders. Mr. [naam] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat er tijdens de zitting van de Geschillencommissie geen excuses zijn gemaakt over de procedure. [eiser] heeft zijn stelling vervolgens niet nader onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat. Nog daargelaten de vraag of de gestelde excuses grond voor vernietiging van de bindende adviezen kunnen opleveren.
5.11.
[eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat hij in de eerste procedure bij de Geschillencommissie niet werd bijgestaan door een advocaat, omdat hij het financieel moeilijk had. De rechtbank is van oordeel dat de Geschillencommissie hiervan geen verwijt kan worden gemaakt.
5.12.
Tijdens de mondelinge behandeling is over de procedure bij de Geschillencommissie nog het volgende vast komen te staan. De bedoeling was dat de Geschillencommissie de eerste zaak op 13 februari 2024 om 10.00 uur zou behandelen en de tweede zaak aansluitend om 11.00 uur. Dit was ook zo aan partijen gecommuniceerd door de Geschillencommissie. Mr. [naam] en/of [gedaagde] was om 10.00 uur niet aanwezig. Daarom heeft de Geschillencommissie tijdens de zitting besloten om beide zaken om 10.00 uur in één keer te behandelen. Toen [gedaagde] om 11.00 uur alsnog namens
mr. [naam] verscheen en dus voor de tweede zitting wel op tijd was, heeft de Geschillencommissie besloten de tweede zaak op een latere datum te behandelen. Op verzoek van [eiser] heeft een andere commissie de tweede zaak vervolgens in behandeling genomen.
5.13.
In het licht van de hiervoor geschetste gang van zaken met betrekking tot de behandeling van de twee zaken door de Geschillencommissie en gezien het feit dat [eiser] drie klachtenformulieren had ingediend, omdat hij per klacht niet boven het bedrag van € 25.000 wilde uitkomen, gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van [eiser] dat de Geschillencommissie de klachten niet in twee verschillende procedures had mogen behandelen.
5.14.
Zelfs als sprake zou zijn van een procedurefout, dan kan dat slechts een grond voor vernietiging opleveren als dat tot een bepaald nadeel geleid heeft bij de totstandkoming van de beslissing. De rechtbank is van oordeel dat dit hier niet aan de orde is. Tijdens de tweede zitting van de Geschillencommissie werd [eiser] bijgestaan door een advocaat. Dat zou eerder een voordeel voor [eiser] moeten zijn dan een nadeel. Bovendien zijn de klachten tijdens de tweede zitting, op verzoek van [eiser] , behandeld door een andere commissie. Niet is gesteld of gebleken dat [eiser] daar nadeel van zou hebben ondervonden. Zoals [advocatenkantoor] naar voren heeft gebracht, is de kans groot dat als de twee zaken tegelijk zouden zijn afgedaan, de Geschillencommissie ook in de tweede zaak zou hebben geoordeeld dat de schade niet kon worden vastgesteld omdat de procedure in hoger beroep nog liep. Er is dan ook geen sprake van een procedurefout die tot een bepaald nadeel geleid heeft bij de totstandkoming van de beslissing(en) van de Geschillencommissie.
5.15.
Ten slotte kan niet worden geoordeeld dat de bindende adviezen tegenstrijdig zijn, zoals [eiser] tijdens de mondelinge behandeling nog naar voren heeft gebracht. De beslissingen zien immers op verschillende klachten in verschillende procedures. Het eerste bindend advies zag alleen op de klacht over het niet tijdig verstrekken van de juiste jaaropgave van [eiser] aan de rechtbank in de voorlopige voorzieningenprocedure. Het tweede bindend advies behandelde vier andere klachten en had ook betrekking op de dienstverlening van de advocaat in de bodemprocedure.
5.16.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiser] tegenover de gemotiveerde betwisting door [advocatenkantoor] onvoldoende feiten aan zijn betoog ten grondslag heeft gelegd die kunnen leiden tot vernietiging van de bindende adviezen van de Geschillencommissie. In zoverre heeft [eiser] dus niet voldaan aan zijn stelplicht. Dit brengt mee dat vorderingen I, II en III (primair) worden afgewezen.
Tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst van opdracht
5.17.
[eiser] stelt subsidiair, kort gezegd, dat mr. [naam] , in haar hoedanigheid van advocaat van [eiser] , is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht, waardoor [eiser] schade heeft geleden. [advocatenkantoor] betwist dit.
5.18.
De rechtbank stelt voorop dat de rechtsverhouding tussen [eiser] en mr. [naam] moet worden gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht als bedoeld in artikel 7:400 BW Pro. Een opdrachtnemer moet bij de uitvoering van zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht nemen (artikel 7:401 BW Pro). Dit betekent dat een advocaat zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot te werk moet gaan. Hierbij moet een eventuele tekortkoming van mr. [naam] aan [advocatenkantoor] , als toenmalige werkgever van mr. [naam] , worden toegerekend als eigen gedraging. Partijen zijn hier ook van uitgegaan.
5.19.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] zijn vordering als volgt toegelicht. Als de rechtbank de bindende adviezen van de Geschillencommissie vernietigt, moet de rechtbank de gestelde tekortkomingen beoordelen zoals die zijn weergegeven in de bindende adviezen, alsmede de stellingen in de dagvaarding met betrekking tot de verrekeningsprocedure. Als de rechtbank de bindende adviezen niet vernietigt, moet de rechtbank alleen beoordelen of een verklaring voor recht kan worden gegeven dat er sprake is van een tekortkoming van de advocaat die bestaat uit het niet bij dagvaarding inleiden van de verrekeningsprocedure. De verrekeningsprocedure ziet op verrekening van door [eiser] voor zijn ex-echtgenote betaalde bedragen met door [eiser] betaalde of te betalen alimentatie.
5.20.
Nu de rechtbank de bindende adviezen niet vernietigt, zal de rechtbank beoordelen of een verklaring voor recht kan worden gegeven dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst van opdracht die bestaat uit het niet bij dagvaarding inleiden van de verrekeningsprocedure.
5.21.
[eiser] stelt dat mr. [naam] niet (tijdig) een dagvaardingsprocedure heeft geadviseerd of gestart tot verrekening van door [eiser] voor zijn ex-echtgenote betaalde bedragen met door hem betaalde of te betalen alimentatie. Mr. [naam] heeft deze verrekening in de verzoekschriftprocedure ingebracht en heeft daarmee nagelaten de juiste handelingen te verrichten, want van een advocaat mag worden verwacht dat zij weet dat de procedure tot verrekening moet worden ingeleid bij dagvaarding. Doordat mr. [naam] dit heeft nagelaten heeft [eiser] schade geleden. [advocatenkantoor] heeft dit gemotiveerd weersproken. Mr. [naam] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij heeft geprobeerd om de verrekening mee te nemen in de verzoekschriftprocedure om op die manier kosten te besparen. De rechtbank heeft de verrekening echter niet beoordeeld en daarna heeft mr. [naam] tegen [eiser] gezegd dat zij de verrekening alsnog bij dagvaarding kon vorderen, maar [eiser] wilde dat niet. [eiser] heeft dit vervolgens niet weersproken, zodat dit is komen vast te staan.
5.22.
De rechtbank is van oordeel dat causaal verband tussen de gestelde schade en het handelen van mr. [naam] ontbreekt en licht dit als volgt toe. Vast is komen te staan dat mr. [naam] in het belang van [eiser] heeft geprobeerd de verrekening mee te nemen in de destijds lopende verzoekschriftprocedure. Daarnaast heeft mr. [naam] [eiser] aangeboden alsnog een dagvaardingsprocedure tot verrekening op te starten, maar dat wilde [eiser] niet. Er is aldus geen sprake van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst van opdracht.
5.23.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat vordering III (subsidiair) wordt afgewezen.
Betaling van diverse bedragen
5.24.
Bij akte vermeerdering eis, tevens akte overlegging aanvullende producties heeft [eiser] betaling van diverse bedragen gevorderd. [advocatenkantoor] maakt bezwaar tegen de eiswijzing van [eiser] die zij, gelet op de nieuwe verwijten, in deze stand van de procedure in strijd acht met de eisen van de goede procesorde.
5.25.
De rechtbank verwerpt de bezwaren tegen de eiswijziging. Ingevolge artikel 130 lid 1 Rv Pro is, zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen, de eiser bevoegd zijn eis of de gronden daarvan schriftelijk, bij conclusie of akte ter rolle, te veranderen of te vermeerderen. De eiswijziging van [eiser] is dan ook tijdig ingesteld. Het betreft bovendien geen omvangrijke wijziging en [advocatenkantoor] heeft voldoende gelegenheid gehad om op de eiswijziging te reageren. Dit blijkt uit het feit dat [advocatenkantoor] als reactie op de eiswijziging de akte overlegging producties heeft ingediend, waarin zij haar bezwaren en verweer uiteen heeft gezet. Ook heeft [advocatenkantoor] haar verweer tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht. Daarom zal de rechtbank vorderingen IV en V hierna beoordelen en daarop beslissen.
Kosten hoger beroep en eigen bijdrage Geschillencommissie
5.26.
[eiser] vordert terugbetaling dan wel vergoeding van de door hem aan [advocatenkantoor] te veel betaalde eigen bijdrage en het aan het gerechtshof betaalde griffierecht. [eiser] legt hieraan ten grondslag dat het hoger beroep in de echtscheidingsprocedure vermeden had moeten dan wel kunnen worden. Hierdoor heeft [eiser] schade geleden die bestaat uit de eigen bijdrage van het hoger beroep van € 315, de griffierechten van het hoger beroep van € 343 en de eigen bijdrage voor de zaak bij de Geschillencommissie van twee maal € 102,50. [advocatenkantoor] heeft eenmaal de eigen bijdrage van € 102,50 aan [eiser] terugbetaald, zodat [eiser] betaling vordert van € 760,50.
5.27.
[advocatenkantoor] betwist dat [eiser] recht heeft op betaling van voormelde bedragen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [advocatenkantoor] naar voren gebracht dat de
ex-echtgenote van [eiser] ook hoger beroep heeft ingesteld tegen de echtscheidingsbeschikking, zodat [eiser] de kosten verbonden aan het hoger beroep hoe dan ook verschuldigd is geweest. [eiser] heeft dit niet weersproken, zodat dit tussen partijen vast staat.
5.28.
Het voorgaande brengt mee dat er geen grondslag is voor betaling door [advocatenkantoor] aan [eiser] van de kosten die verband houden met het hoger beroep tegen de echtscheidingsbeschikking, aangezien [eiser] deze kosten ook had moeten maken als hij geen hoger beroep zou hebben ingesteld. Zijn ex-echtgenote heeft immers (ook) hoger beroep ingesteld. Ook ontbreekt een grondslag voor vergoeding door [advocatenkantoor] van de eigen bijdrage voor de zaak bij de Geschillencommissie, nu [eiser] er zelf bij het indienen van zijn klachten bij de Geschillencommissie voor heeft gekozen om de klachten te splitsen en meerdere klaagschriften in te dienen. Bovendien heeft de Geschillencommissie de eerste klacht van [eiser] ongegrond verklaard, zodat er geen reden is voor vergoeding door [advocatenkantoor] van het klachtengeld in die procedure. [advocatenkantoor] heeft het klachtengeld in de tweede procedure aan [eiser] vergoed. Dit alles leidt ertoe dat vordering IV wordt afgewezen.
Advocaatkosten
5.29.
[eiser] vordert betaling van een bedrag van € 484 wegens teveel betaalde advocaatkosten. [eiser] legt hieraan het volgende ten grondslag. In augustus 2021 heeft [eiser] met [advocatenkantoor] een intakegesprek gevoerd in verband met te verlenen juridische bijstand bij een politieverhoor. Voordat [advocatenkantoor] in gesprek wilde gaan, moest [eiser] een voorschotnota van € 726 te voldoen. Het gesprek duurde uiteindelijk een uur, waarna [advocatenkantoor] bij e-mailbericht van 23 augustus 2021 aan [eiser] heeft bevestigd slechts één uur in rekening te brengen. Dit is een bedrag van € 242 inclusief btw. [advocatenkantoor] moest [eiser] dus € 484 terugbetalen. [advocatenkantoor] heeft dat nooit gedaan, zodat [eiser] in deze procedure om proceseconomische redenen eveneens terugbetaling van dit bedrag vordert. De hulp van [gedaagde] was minder dan van tevoren was afgesproken en gefactureerd. [gedaagde] heeft dat erkend en zou het verschil terugbetalen. Er zijn geen andere afspraken over het honorarium van [gedaagde] gemaakt dan voormelde afspraken. [eiser] verwijst ter onderbouwing naar de voorschotfactuur van 16 augustus 2021 en voormeld e-mailbericht van 23 augustus 2021 van [advocatenkantoor] .
5.30.
Op de factuur van [advocatenkantoor] van 16 augustus 2021 van € 726 inclusief btw staat het volgende vermeld:

Voorschotnota inzake voorgesprek d.d. 23 augustus 2021 en verhoorbijstand d.d. 24 augustus 2021 (minimaal 3 uren)
5.31.
Vervolgens heeft [advocatenkantoor] in een e-mailbericht van 23 augustus 2021 aan [eiser] onder meer geschreven:

Bijgaand bevestig ik hetgeen door ons hedenmiddag telefonisch is besproken.
U geeft aan morgen zelf en zonder mijn aanwezigheid het verhoor in te gaan bij de politie.
(…).
Ik zal morgen dan ook niet aanwezig zijn tijdens het verhoor en zal u slechts het door ons gevoerde intakegesprek in rekening brengen. Het gesprek duurde een uur. Ik zal u derhalve 1 uur aan kosten in rekening brengen.
(…).
U geeft aan dat u graag zou zien dat uw ex-partner vervolgd wordt voor het doen van een valse aangifte. Ook bent u door haar mishandeld.
Na uw verhoor en de afwikkeling hiervan kan ik namens u hiertoe de politie en het OM aanschrijven.
Indien u wilt kan ik u in dat kader tevens als slachtoffer bijstaan. Slachtofferzaken zijn doorgaans mogelijk op toevoegingsbasis. Hiertoe geldt geen inkomenstoets.
Ik kan u in die kwestie dan ook mogelijk kosteloos bijstaan.
Ik stel voor dat wij dit na uw verhoor bespreken.
Volgens [eiser] bevestigt [gedaagde] in voormeld e-mailbericht van 23 augustus 2021 dat [gedaagde] hem voor het vervolg van die procedure kosteloos wil bijstaan.
5.32.
[advocatenkantoor] betwist dit, stellende dat de zaak niet is geëindigd na de e-mail van 23 augustus 2021. De juridische bijstand van [advocatenkantoor] aan [eiser] heeft niet slechts bestaan uit een intakegesprek voorafgaand aan het politieverhoor van [eiser] . [advocatenkantoor] heeft in opdracht van [eiser] verschillende aanvullende werkzaamheden uitgevoerd, waaronder een bespreking op 24 augustus 2021, telefonische besprekingen, e-mailcontact en het opvragen van politiemutaties ten behoeve van een tegenaangifte tegen de ex-echtgenote van [eiser] . Ook was [eiser] voornemens deze bewijsstukken te gebruiken om – zo nodig – een artikel 12 Sv Pro procedure te starten dan wel om zich te voegen als benadeelde partij. [advocatenkantoor] verwijst ter onderbouwing naar een overzicht van haar werkzaamheden en naar e-mailcorrespondentie vanaf 23 augustus 2021 tussen [advocatenkantoor] en [eiser] . [advocatenkantoor] heeft uiteindelijk vier uur aan de zaak besteed en zoals afgesproken drie uur in rekening gebracht bij [eiser] . Er is volgens [advocatenkantoor] een uurtarief afgesproken.
5.33.
De rechtbank stelt vast dat niet duidelijk is wat partijen precies hebben afgesproken over de advocaatkosten die zien op het politieverhoor en de daarmee samenhangende werkzaamheden van [advocatenkantoor] , afgezien van de hoogte van het uurtarief. Uit de
e-mailcorrespondentie waar [advocatenkantoor] naar verwijst, volgt weliswaar dat [advocatenkantoor] werkzaamheden voor [eiser] heeft verricht, maar een duidelijke inschatting van de voorzienbare of totale kosten daarvan ontbreekt.
5.34.
[eiser] heeft bij het aangaan van de overeenkomst van opdracht met [advocatenkantoor] gehandeld als consument. De rechtbank stelt vast dat een afspraak over de kosten een kernbeding is. Ingevolge artikel 4 lid 2 van Pro de Richtlijn oneerlijke bedingen [4] moeten kernbedingen waarover niet afzonderlijk is onderhandeld alleen aan deze richtlijn (ambtshalve) worden getoetst als deze niet duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd.
5.35.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft zich in het arrest van 12 januari 2023 (ECLI:EU:C:2023:14) uitgelaten over de vraag of een beding in een tussen een advocaat en een consument gesloten overeenkomst over het verrichten van juridische diensten waarin, samengevat, de kosten uitsluitend worden vastgelegd op basis van het gehanteerde uurtarief, zonder verdere precisering, voldoet aan het vereiste dat bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd in de zin van artikel 4 lid 2 van Pro de Richtlijn oneerlijke bedingen. Het HvJEU heeft geoordeeld dat alleen het noemen van een uurtarief de gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument niet in staat stelt om alle financiële consequenties in te schatten die voor hem uit het beding voortvloeien, namelijk het totale bedrag dat hij voor die diensten zal moeten betalen. Verder heeft het HvJEU overwogen dat een advocaat de consument, vóórdat de overeenkomst wordt gesloten, informatie moet verstrekken die de consument in staat stelt om met de nodige voorzichtigheid zijn beslissing te nemen. Die informatie moet aanwijzingen bevatten die de consument in staat stellen bij benadering de totale kosten van die diensten te ramen, zoals een raming van het voorzienbare of minimale aantal uren dat nodig is om een bepaalde dienst te verlenen of een verbintenis om met redelijke tussenpozen tussentijds facturen of verslagen te bezorgen waarin het aantal al gepresteerde werkuren wordt vermeld.
5.36.
Het tussen [advocatenkantoor] en [eiser] overeengekomen kostenbeding is, gelet op het hiervoor geschetste kader, niet duidelijk en begrijpelijk geformuleerd. In de schriftelijke opdrachtbevestiging staat ten aanzien van de in rekening te brengen kosten slechts de hoogte van het uurtarief en het te betalen voorschot vermeld, zonder verdere precisering. Voor [eiser] is daarom niet vooraf in te schatten hoeveel uren door [advocatenkantoor] zullen worden besteed en welke andere kosten, waaronder voor derden, [advocatenkantoor] zal maken. Hierdoor zijn de totale kosten voor [eiser] niet te ramen. Op basis van slechts het uurtarief en de wetenschap dat op uurbasis wordt gefactureerd, is het dus niet mogelijk geweest voor [eiser] om met de nodige voorzichtigheid en met volledige kennis van de financiële consequenties van de overeenkomst zijn beslissing te nemen.
5.37.
Nu het kostenbeding niet duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd, moet het beding worden getoetst op mogelijke oneerlijkheid. Op grond van artikel 3 lid 1 van Pro de Richtlijn oneerlijke bedingen is een beding oneerlijk als het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. In artikel 6:233 BW Pro wordt in dit kader ook wel gesproken van een beding dat ‘onredelijk bezwarend’ is. Dat het kostenbeding niet duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd, leidt niet zonder meer tot de conclusie dat het beding ook oneerlijk is. Het onderzoek naar het mogelijk oneerlijke karakter van een beding dient in beginsel namelijk te berusten op een algehele beoordeling van het beding in het licht van alle omstandigheden van het geval. De onduidelijkheid van het kostenbeding is daarbij wel een van de factoren die in aanmerking moet worden genomen.
5.38.
Het tussen [advocatenkantoor] en [eiser] overeengekomen kostenbeding is, in het licht van alle omstandigheden van het geval, oneerlijk. Daarbij weegt mee dat [advocatenkantoor] op grond van artikel 17 van Pro de Gedragsregels advocatuur van de Nederlandse Orde van Advocaten verplicht is om haar cliënt een in redelijkheid te vormen inschatting te geven van de te verwachten tijdsbesteding en de totale kosten. [advocatenkantoor] heeft in dit geval nagelaten om voorafgaand aan de overeenkomst een dergelijke inschatting aan [eiser] te geven. Gelet op het hiervoor omschreven – met de gedragsregels strijdige – gebrek aan transparantie rondom de in rekening te brengen kosten, is door [advocatenkantoor] het vereiste van goede trouw onvoldoende nageleefd en is het evenwicht in de overeenkomst ten nadele van [eiser] aanzienlijk verstoord. Het kostenbeding is dan ook oneerlijk.
5.39.
Artikel 6:233 onder Pro a BW bepaalt dat een oneerlijk beding vernietigbaar is. De rechtbank vernietigt het kostenbeding omdat het oneerlijk is. Dit heeft als gevolg dat het kostenbeding geacht wordt nooit te hebben bestaan. Omdat het kostenbeding bij een overeenkomst van opdracht met een opdrachtnemer in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf niet kan bestaan zonder loon, betekent dat dat de hele overeenkomst vervalt. Het door [eiser] betaalde bedrag is dus onverschuldigd betaald aan [advocatenkantoor] . Hij heeft daarom recht op terugbetaling. Het door [eiser] gevorderde bedrag van € 484 zal dan ook worden toewezen.
5.40.
De gevorderde wettelijke rente zal worden toewezen zoals vermeld in de beslissing.
Proceskosten
5.41.
[eiser] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [advocatenkantoor] worden begroot op:
- griffierecht € 1.374
- salaris advocaat € 2.090 (2,5 punt x tarief III à € 836)
- nakosten
€ 189(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.653
5.42.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
veroordeelt [advocatenkantoor] tot (terug)betaling aan [eiser] van € 484,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening;
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [advocatenkantoor] , tot op heden begroot op € 3.653,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening van de proceskosten;
6.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Schueler en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.
type: 2339

Voetnoten

1.Burgerlijk Wetboek
2.Zie Hoge Raad 20 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5890
3.Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
4.Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten