3.13.Op 6 december 2024 heeft de tweede zitting bij de Geschillencommissie plaatsgevonden, waarin de overige klachten van [eiser] zijn behandeld. Vervolgens heeft de Geschillencommissie op 10 januari 2025 een bindend advies uitgebracht (hierna: het tweede bindend advies). Het tweede bindend advies vermeldt als onderwerp van het geschil:
“
Het geschil betreft de gebrekkige dienstverlening van de advocaat, waardoor de cliënt stelt schade te hebben opgelopen in zijn echtscheidingszaak.”
In het tweede bindend advies heeft de Geschillencommissie de klachten van [eiser] als volgt samengevat:
“
De advocaat heeft nalatig en verwijtbaar gehandeld bij de behandeling van de echtscheidingsprocedure van de cliënt. De cliënt heeft hierdoor schade geleden en eist een schadevergoeding van € 22.575,25
Deze vergoeding is als volgt door de cliënt onderbouwd:
- € 2.715,75 doordat de advocaat heeft nagelaten verweer te voeren in de voorlopige voorzieningenprocedure tegen een verzoek van de tegenpartij waardoor de ingangsdatum van de alimentatieverplichting van de cliënt op een verkeerde datum is vastgesteld.
- € 13.534,-- wegens onjuist informeren/handelen van de advocaat wat heeft geresulteerd in een hogere alimentatiedraagkracht van de cliënt voor de periode van 101 maanden (01.08.2021-01.01.2029) totdat de jongste dochter van de cliënt 12 jaar oud wordt.
- € 3.825,50 doordat de advocaat niet tijdig genoeg heeft kennis genomen van het verweerschrift van de tegenpartij om daarop professioneel te reageren middels het opstellen van een duidelijke schuldenoverzicht voor de peildatum 13 oktober 2021 en het tijdig voor de mondelinge behandeling in het geding brengen van dit overzicht voor de zitting van 8 juni 2022. Het verweerschrift is evenmin tijdig aan de cliënt toegestuurd.
- € 2.500,-- door na te laten om ondanks het nadrukkelijk verzoek van de cliënt de verhuiskosten op de tegenpartij te verhalen.”
De Geschillencommissie heeft de klachten gedeeltelijk gegrond verklaard. Verder heeft de Geschillencommissie bepaald dat [advocatenkantoor] een vergoeding van € 4.500 aan [eiser] moet betalen en dat [advocatenkantoor] het klachtengeld van € 102,50 aan [eiser] moet vergoeden. De Geschillencommissie heeft hiertoe het volgende overwogen:
“
Klacht terzake ingangsdatum alimentatie
(…).
Vastgesteld wordt derhalve dat geen althans onvoldoende verweer is gevoerd tegen de ingangsdatum, zoals verzocht in het verzoekschrift van de tegenpartij.
(…).
Gezien het voorgaande acht de commissie aannemelijk dat de rechtbank, indien deugdelijk verweer was gevoerd tegen de ingangsdatum, dit verweer zou hebben gehonoreerd en de ingangsdatum op datum beschikking zou hebben vastgesteld. De commissie acht dit klachtonderdeel gegrond. Wat betreft de gestelde schade is de commissie van oordeel, mede in aanmerking genomen dat latere pogingen van de advocaat om een beroep op verrekening te doen zijn gestrand, dat de cliënt is benadeeld voor € 1.482,--, overeenkomend met het alimentatiebedrag van 1 augustus tot 17 september 2021
Niet adviseren over kosten van oudste dochter:
Uit de beschikking van 17 september 2021 blijkt dat de rechtbank de kosten van de oudste dochter expliciet heeft meegewogen bij de vaststelling van de draagkracht van de cliënt. De klacht is in zoverre ongegrond.
Ter zitting heeft de cliënt aandacht gevraagd voor het aspect welstand waarop de rechtbank had gedoeld. De commissie kan niet vaststellen dat dit aspect is aangevoerd. Uit de (eind)beschikking van de rechtbank van 13 juli 2022 blijkt echter niet dat dit aspect, of het ontbreken daarvan, een rol heeft gespeeld bij de vaststelling van de bedragen tot levensonderhoud. Evenmin blijkt dit uit de beschikking van het gerechtshof van 10 juli 2024 in het hoger beroep dat cliënt heeft ingesteld. Op dit punt is de conclusie dat onvoldoende is komen vast te staan dat de advocaat is tekortgeschoten noch dat de cliënt schade heeft geleden. Op dit punt is de klacht ongegrond.
Klacht over te laat toesturen verweerschrift/toesturen belastingstukken aan de rechtbank:
De advocaat heeft erkend dat het verweerschrift door haar medewerkers te laat aan de cliënt is toegestuurd. Wat de belastingstukken betreft, heeft de cliënt ter zitting nader toegelicht dat de advocaat geen aandacht heeft gevraagd voor zijn specifieke overzicht van de belastingschulden. Indien hij het verweerschrift tijdig had ontvangen, had hij dit met verweerster kunnen afstemmen. De advocaat heeft dit niet voldoende weersproken. De rechtbank overweegt in de beschikking van 13 juli 2022 dat niet voor alle schulden is aangetoond wanneer deze zijn ontstaan en hoeveel daarop wordt afgelost. De rechtbank houdt daarom in redelijkheid rekening met een bepaald bedrag. De commissie is van oordeel dat tijdig overleg voorafgaande aan de zitting hier tot een andere uitkomst had kunnen leiden. Door het nalaten van de advocaat is dit overleg er niet gekomen. Zoals hierna aan de orde zal komen, zal de commissie in redelijkheid een vergoeding toekennen
Schade door niet verhalen van verhuiskosten
De advocaat heeft hierover in haar verweerschrift en ter zitting aangegeven dat zij aan de cliënt heeft laten weten dat verhuiskosten moeilijk te verhalen zijn en dit goed onderbouwd moet worden. De cliënt heeft dit niet kunnen onderbouwen en daarom zijn deze kosten buiten beschouwing gelaten. De cliënt stelt dat de advocaat een schatting had kunnen maken. De cliënt had hiervoor een berekening gemaakt, maar gebleken is dat hij deze berekening niet aan de advocaat heeft toegestuurd. Dit verwijt kan haar dus niet worden gemaakt. Dit klachtonderdeel acht de commissie ongegrond.
Conclusie
Concluderend is de commissie van oordeel dat de advocaat op onderdelen niet heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat. Van een advocaat mag, zeker in een procedure als deze, waarin de advocaat een grote hoeveelheid informatie van de cliënt aangeleverd krijgt, verwacht worden dat deze zijn/haar cliënt spreekwoordelijk bij de hand neemt, duidelijk en begrijpelijk communiceert en uitleg geeft, de ontvangen informatie op de juiste wijze en tijdig naar voren brengt in de procedure en eventueel om nadere informatie vraagt. Op relevante punten is dat onvoldoende gebeurd. Ter zitting is niet gebleken van enige zelfreflectie, hetgeen naar oordeel van de commissie op zijn plaats was geweest.
Schadevergoeding
(…).
Terzake het eerste klachtonderdeel staat vast dat de cliënt hierdoor schade heeft geleden, welke schade kan worden vastgesteld op € 1.482,--. Terzake het derde klachtonderdeel heeft de cliënt aangevoerd dat sprake is van schade van € 3.825,50. Hoewel de commissie de exacte hoogte van de schade niet kan vaststellen, is aannemelijk dat de cliënt als gevolg van de handelwijze van de advocaat schade heeft geleden. De commissie zal op grond van redelijkheid en billijkheid een vergoeding door de advocaat aan de cliënt te betalen vaststellen van in totaal € 4.500,--.”