ECLI:NL:RBDHA:2026:4432

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
C/09/677630 / FA RK 24-9135
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 815 RvArt. 6:248 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met vaststelling hoofdverblijfplaats en zorgregeling voor minderjarige kinderen

Partijen zijn gehuwd sinds 2010 en hebben twee minderjarige kinderen. Na een ernstig incident in november 2024, waarvoor de man strafrechtelijk is veroordeeld, is het ouderschapsplan komen te vervallen. De rechtbank heeft voorlopige voorzieningen getroffen, waaronder begeleide omgang van de man met de kinderen onder strikte voorwaarden.

De vrouw verzoekt de echtscheiding uit te spreken, de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar vast te stellen en een kinderalimentatie van €278 per kind per maand toe te wijzen. De man verzoekt eveneens echtscheiding, maar wil de hoofdverblijfplaats van één kind bij hem en een reguliere zorgregeling met geleidelijke uitbreiding van contactmomenten.

De rechtbank oordeelt dat de hoofdverblijfplaats van beide kinderen bij de vrouw blijft, gelet op de feitelijke situatie en het belang van de kinderen. De zorgregeling wordt vastgesteld als begeleide omgang onder professionele regie met een opbouw naar meer contact. De man moet voorafgaand aan contactmomenten een negatieve urinetest overleggen.

De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw tot kinderalimentatie toe, berekend op €291 per kind per maand, en neemt het echtscheidingsconvenant integraal over. Verzoeken over de verdeling van de woning en hypotheekrenteaftrek worden niet inhoudelijk behandeld vanwege de aanhechting van het convenant. De inboedel wordt verdeeld conform de gemaakte afspraken. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, behalve de echtscheiding zelf.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, hoofdverblijfplaats kinderen bij vrouw vastgesteld, begeleide zorgregeling en kinderalimentatie van €291 per kind per maand toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummers: FA RK 24-9135 (echtscheiding)
FA RK 25-5679 (verdeling)
Zaaknummers: C/09/677630 (echtscheiding)
C/09/689178 (verdeling)
Datum beschikking: 3 februari 2026

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 20 december 2024 ingekomen verzoekschrift van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L.L. Schipper-Heikens in Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.A. van der Heiden in Honselersdijk, gemeente Westland.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het bericht van 6 januari 2025 van de vrouw, met bijlage;
  • het verweerschrift met zelfstandige verzoeken, met bijlagen, ingekomen op 19 maart 2025;
  • het verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken, met bijlagen, ingekomen op 10 juli 2025;
  • het bericht van 8 december 2025 van de vrouw, met bijlagen;
  • het bericht van 8 december 2025 van de man, met bijlagen.
De minderjarige [minderjarige 1] heeft op 15 december 2025 met de kinderrechter gesproken en heeft een brief geschreven aan de kinderrechter. De minderjarige [minderjarige 2] heeft een brief geschreven aan de kinderrechter.
Op 18 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vrouw bijgestaan door haar advocaat;
  • de man bijgestaan door zijn advocaat;
  • [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
Na de zitting heeft de rechtbank ontvangen:
- het bericht van 13 januari 2026 van de man, met bijlage.

Feiten

  • Partijen zijn met elkaar gehuwd op [dag] 2010 in [plaats] , in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen.
  • Partijen zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
  • [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum 1] 2013 in [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats] .
  • Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.
  • De kinderen verblijven op dit moment bij de vrouw.
  • Deze rechtbank heeft op 31 januari 2025 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover hier relevant, inhoudende dat:
  • de kinderen aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;
  • de kinderen voorlopig contact zullen hebben met de man onder begeleiding van de hulpverleners van [hulpverlener 1] , dan wel een gelijksoortige andere professionele instantie, waarbij de wijze van het contact, de frequentie van het contact en de duur van het contact door de betrokken hulpverleners zal worden bepaald en waarbij de man voorafgaand aan het contactmoment met een urinetest moet aantonen dat hij geen alcohol heeft genuttigd;
  • de man, met ingang van 14 januari 2025, voorlopig een kinderalimentatie voor de kinderen van € 285,- per kind per maand zal betalen.
- Bij vonnis in kort geding van 6 augustus 2025 van de voorzieningenrechter in deze rechtbank, voor zover hier relevant, is:
  • de moeder veroordeeld om de in de beschikking van 31 januari 2025 vastgestelde voorlopige zorgregeling na te komen en uit te voeren, waarbij op dit moment een zorgregeling geldt van 1,5 uur begeleide omgang per twee weken alsmede twee keer per week videobelcontact, en voorts de adviezen van [hulpverlener 2] dient op te volgen ten aanzien van de wijze van het contact, de frequentie van het contact en de duur van het contact tussen de kinderen en de vader;
  • de moeder veroordeeld om aan de vader een dwangsom te betalen van € 250,- voor iedere dag of ieder dagdeel dat zij haar medewerking aan nakoming van deze zorgregeling weigert, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt;
  • aan de moeder vervangende toestemming verleend, die de toestemming van de vader vervangt, voor de voortzetting van de speltherapie van de kinderen bij [hulpverlener 3] , alsmede voor de hulpverleningstrajecten die op basis van deze therapie door de behandelaren geadviseerd worden, na voorafgaande schriftelijke mededeling van een dergelijk advies door JGH of [hulpverlener 3] aan de vader.

Verzoek en verweer

De vrouw verzoekt, zoals dat nu luidt en naar de rechtbank begrijpt, uitvoerbaar bij voorraad:
de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;
de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw te bepalen;
te bepalen dat de man, met ingang van de datum van de beschikking dan wel met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding, een kinderalimentatie van € 278,- per kind per maand, dan wel een bedrag dat de rechtbank in goede justitie juist acht, bij vooruitbetaling aan de vrouw moet betalen;
te bepalen dat artikel 2.3.2 en artikel 2.9.1 van het door partijen ondertekende echtscheidingsconvenant niet van toepassing zijn en dat de waarde van de echtelijke woning opnieuw vastgesteld moet worden via een taxatie die binnen vier weken na inschrijving van de echtscheiding door partijen gedaan moet worden;
de man te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan het laten uitvoeren van een taxatie van de echtelijke woning binnen vier weken na inschrijving van de echtscheiding;
te bepalen dat de echtelijke woning aan de man wordt toebedeeld, onder verrekening van de helft van de overwaarde die resteert nadat de hypotheek en de kosten die samenhangen met de levering van de echtelijke woning aan de man van de in de taxatie vastgestelde waarde zijn afgetrokken, onder de opschortende voorwaarde dat de vrouw wordt ontslagen uit de aansprakelijkheid van de aan de echtelijke woning gekoppelde hypotheek en de man er zijn medewerking aan zal verlenen dat de woning binnen twee maanden na inschrijving van de echtscheiding wordt geleverd aan de man;
te bepalen dat als er door toedoen van de man niet voldaan wordt aan de voorwaarden onder V., de echtelijke woning binnen drie maanden na inschrijving van de echtscheiding te koop wordt aangeboden en verkocht zal worden en de man te veroordelen hier zijn medewerking aan te verlenen;
de man te veroordelen om de inboedelgoederen uit de lijst bij productie 23 aan de vrouw te geven binnen twee weken na de datum van de beschikking, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat de man daartoe in gebreke blijft met een maximum van € 50.000,-, dan wel de man te veroordelen tot betaling van € 20.000,- aan de vrouw ter compensatie van de inboedel;
de man te veroordelen om ervoor zorg te dragen dat de vrouw beheerder wordt van de iPad van [minderjarige 1] binnen twee weken na de datum van de beschikking, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag dat de man daartoe in gebreke blijft met een maximum van € 10.000,-.
De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast verzoekt de man zelfstandig, zoals dat nu luidt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;
te bepalen dat [minderjarige 1] zijn hoofdverblijfplaats zal hebben bij de man en [minderjarige 2] bij de vrouw;
een reguliere zorgregeling vast te stellen, waarbij de kinderen bij de man verblijven:
  • de eerste weken na de datum van de beschikking: één zondagmiddag per twee weken van 13.00 uur tot 17.00uur;
  • de volgende zes weken: één zondag per twee weken van 10.00 uur tot 17.00 uur;
  • de volgende zes weken: een volledige zaterdag en zondag per twee weken van 10.00 uur tot 17.00 uur, zonder overnachting;
  • de volgende zes weken: een volledige zaterdag en zondag per twee weken van 10.00 uur tot 17.00 uur, met overnachting;
  • de volgende zes weken: om de week van vrijdag uit school tot maandag naar school;
  • de volgende zes weken: om de week van vrijdag uit school tot woensdag naar school;
  • daarna: om de week van vrijdag uit school tot vrijdag naar school, waarbij geldt dat er op vrijdag om 8.30 uur gewisseld wordt ingeval van een vrijde dag, studiedag of als een kind ziek is;
  • te bepalen dat de vrouw een dwangsom verbeurt van € 250,- voor iedere keer dat zij de zorgregeling niet nakoming;
  • te bepalen dat de partij bij wie de kinderen verblijven verantwoordelijk is voor het ophalen van de kinderen bij de andere partij;
te bepalen dat de reguliere zorgregeling op basis van co-ouderschap zal doorlopen tijdens de feestdagen;
te bepalen dat de vakanties als volgt worden verdeeld:
  • voorjaars- en herfstvakantie: de reguliere zorgregeling loopt door, waarbij het wisselmoment plaatsvindt op vrijdag 15.00 uur, aan het eind van de vakantieweek;
  • mei- en kerstvakantie: de reguliere zorgregeling loopt door, waarbij de wisselmomenten plaatsvinden op vrijdag 15.00 uur aan het eind van weken 1 en 2;
  • zomervakantie: de kinderen zijn eerste drie weken bij de partij waar zij op grond van de reguliere zorgregeling het eerste weekend verblijven en de laatste drie weken bij de andere partij, waarbij de wisselmomenten plaatsvinden op vrijdag 15.00 uur aan het eind van weken 3 en 6;
  • te bepalen dat de partij bij wie de kinderen verblijven verantwoordelijk is voor het ophalen van de kinderen bij de andere partij;
te bepalen dat de man aan de vrouw een kinderalimentatie voor [minderjarige 2] moet betalen van
€ 104,- per maand en dat de vrouw aan de man een kinderalimentatie voor [minderjarige 1] moet betalen van € 131,- per maand;
de inhoud van het echtscheidingsconvenant, zoals overgelegd als productie 2, in de beschikking op te nemen en partijen te veroordelen over en weer na te komen wat zij daarin zijn overeengekomen;
voorwaardelijk, als artikel 2.3.2 en artikel 2.9.1 van het door partijen ondertekende echtscheidingsconvenant niet van toepassing is, ten aanzien van de hypotheekrenteaftrek:
  • primair: te bepalen dat de man als enige van partijen gerechtigd is om de betaalde hypotheekrente als aftrekpost op te voeren in de aangifte Inkomstenbelasting vanaf
  • subsidiair: te bepalen dat de vrouw de door de man misgelopen hypotheekrenteaftrek van € 168,50 per maand aan hem moet vergoeden met ingang van 1 januari 2025;
te bepalen dat de vrouw haar inboedelgoederen uiterlijk 1 februari 2026 op moet halen bij de man, bij gebreke waarvan:
  • primair: de man gerechtigd zal zijn om een verhuisbedrijf hiervoor in te schakelen op kosten van de vrouw;
  • subsidiair: op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag dat de vrouw hier niet aan voldoet.

Beoordeling

Echtscheiding
Ontvankelijkheid
Door partijen is een door hen beiden op 28 oktober 2024 ondertekend ouderschapsplan ingediend, maar partijen zijn het erover eens dat het ouderschapsplan vanwege het incident op 9 november 2024 (waarvoor de man strafrechtelijk is veroordeeld) niet meer geldt. Het is partijen daarna niet gelukt om een nieuw ouderschapsplan op te stellen, zoals op grond van artikel 815 Wetboek Pro van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is vereist. Toch zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding, omdat het partijen vanwege de ernstig verstoorde verstandhouding en communicatie en onderlinge spanningen niet lukt om samen afspraken te maken over de kinderen. Partijen hebben hier beslissingen van de rechtbank voor nodig.
Inhoudelijke beoordeling
Partijen hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en zij verzoeken om de echtscheiding uit te spreken. De rechtbank zal de verzoeken tot echtscheiding daarom in zoverre, als niet weersproken en op de wet gegrond, toewijzen.
Het verzoek van de vrouw om de echtscheiding uitvoerbaar bij voorraad te verklaren zal de rechtbank afwijzen, omdat deze beslissing uit de aard van de zaak niet uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard.
Hoofdverblijfplaats
De vrouw verzoekt om de hoofdverblijfplaats van beide kinderen bij haar te bepalen. Het is in hun belang dat zij veilig bij de vrouw zijn. Bepaling van de hoofdverblijfplaats van één van de kinderen bij de man, zoals door hem is verzocht, kan volgens de vrouw vanwege het contact- en locatieverbod tussen haar en de man en de huidige zorgregeling niet aan de orde zijn.
De man verzoekt om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij hem te bepalen en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] bij de vrouw te bepalen. Dit doet op termijn recht aan de feitelijke situatie, omdat de man wil dat de kinderen op termijn ongeveer evenveel tijd bij iedere partij zullen verblijven. Dit past ook bij gelijkwaardig ouderschap.
De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van de kinderen is om hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw vast te stellen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Gebleken is dat de kinderen in ieder geval al sinds 9 november 2024 nagenoeg volledig bij de vrouw wonen en dat de vrouw nagenoeg alle zorg- en opvoedingstaken voor de kinderen draagt. Door de rechtbank is op 31 januari 2025 een voorlopige zorgregeling tussen de man en de kinderen vastgesteld, op grond waarvan de kinderen voorlopig contact zullen hebben met de man onder begeleiding van [hulpverlener 2] . Voor [minderjarige 1] wordt op dit moment echter geen uitvoering gegeven aan deze voorlopige zorgregeling, omdat [minderjarige 1] zich daartegen verzet. [minderjarige 2] heeft op dit moment één keer in de twee weken op zondag een vier uur durend fysiek begeleid contactmoment met de man. Bij deze stand van zaken past het niet om, zoals de man verzoekt, de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij hem te bepalen. Met de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van beide kinderen bij de vrouw wordt juridisch aangesloten bij de feitelijke situatie zoals die nu al geruime tijd is. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar vast te stellen dus toewijzen, onder afwijzing van het verzoek van de man.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Uit de stukken en uit dat wat op de zitting is besproken, is de rechtbank het volgende
gebleken. Op 31 januari 2025 is een voorlopige zorgregeling tussen de man en de kinderen
vastgesteld, die – samengevat – inhoudt dat de kinderen voorlopig contact zullen hebben
met de man onder begeleiding van een hulpverleningsinstantie, waarbij de wijze van het
contact, de frequentie van het contact en de duur van het contact door de betrokken
hulpverleners zal worden bepaald en waarbij de man voorafgaand aan het contactmoment
met een urinetest moet aantonen dat hij geen alcohol heeft genuttigd. Op 23 maart 2025 is
bij [hulpverlener 2] gestart met de begeleide omgang, inhoudende dat de man de ene week op
zondagmiddag voor de duur van anderhalf uur fysiek contact heeft met de kinderen en dat
de man de andere week op zondagavond om 19.00 uur een videobelmoment heeft met de
kinderen. De vrouw heeft de begeleide omgang eenzijdig stopgezet op 15 juni 2025,
vanwege een vermeende doodsbedreiging van de man. Op 6 augustus 2025 is de vrouw in
kort geding veroordeeld tot nakoming van de vastgestelde voorlopige zorgregeling tussen de
man en de kinderen, waarbij de vrouw de adviezen van [hulpverlener 2] ten aanzien van de
wijze van het contact, de frequentie van het contact en de duur van het contact tussen de
man en de kinderen moet opvolgen, onder verbeurte van een dwangsom. Op 20 augustus
2025 is de begeleide omgang weer opgestart. Bij [minderjarige 1] bestaat veel weerstand en hij wilde
niet meer naar de man toe, waardoor zij elkaar sinds 31 augustus 2025 niet meer hebben
gezien. De begeleide omgang met [minderjarige 2] is wel doorgegaan. Op 21 oktober 2025 heeft [hulpverlener 2]
de man bericht dat zij zullen adviseren om de omgangsmomenten voort te zetten op
zelfbegeleidebasis, met een uitbreiding van de duur van de omgangsmomenten naar vier
uur per keer. Vervolgens heeft de zorgcoördinator van [hulpverlener 2] het advies op 22
oktober 2025 als volgt verduidelijkt:
“[…] Het advies van [hulpverlener 2] is uitbreiding van
begeleide omgang van 1,5 uur naar 4 uur. De betrokken coach [naam 2] zal nog steeds de
begeleide omgangsmomenten bijwonen om te observeren en signaleren. Wel zijn wij van
mening dat de videobelmomenten niet meer onder begeleiding hoeven plaats te vinden. Tot
slot wil ik nogmaals benadrukken dat wij enkel een adviserende rol hebben. Het JGH neemt
uiteindelijk besluit.” Op 30 oktober 2025 heeft JGH de man bericht dat zij meegaan in het
advies van [hulpverlener 2] om de fysieke contactmomenten uit te breiden naar vier uur, maar
om de videobelmomenten begeleid te houden. [minderjarige 2] heeft op dit moment de ene week op
zondagmiddag voor de duur van vier uur fysiek contact met de man en de andere week een
videobelmoment op woensdag en zondag. Het begeleide omgangsmoment op 9 november
2025 ging niet door, omdat de urinetest van de man positief was.
De man vindt dat hij niet langer moet boeten voor de fout die hij op 9 november 2024 heeft gemaakt. Volgens de man is er geen aanleiding om het contact nog veel langer onder begeleiding te laten plaatsvinden, temeer nu de hulpverlening heeft aangegeven dat er geen veiligheidsrisico’s zijn en [hulpverlener 4] heeft aangegeven dat er op alcoholgebied geen problemen zijn. Op de zitting heeft de man verklaard dat hij bij De Waag op een wachtlijst staat in verband met zijn agressie. De man wil graag de kans krijgen om aan de vrouw te bewijzen dat hij het contact goed kan vormgeven. De man wil via een opbouw toewerken naar een week-op-week-af-regeling. Daarbij acht de man een dwangsom, gelet op de houding van de vrouw, noodzakelijk.
De vrouw heeft geen vertrouwen in de man en zij verzet zich tegen het verzoek van de man. Zij wil dat de voorlopige zorgregeling die is vastgesteld, waarbij sprake is van begeleide omgang, nu definitief wordt vastgesteld. Volgens de vrouw moet de hulpverlening beslissen over de wijze van het contact, de frequentie van het contact en de duur van het contact tussen de man en de kinderen, omdat zij zicht hebben op het belang van de kinderen. De vrouw zal de kinderen blijven stimuleren in het contact met de man en zich conformeren aan de adviezen van de hulpverlening. Mede vanwege het contact- en locatieverbod van de man en het gebrek aan vertrouwen van de vrouw in de man, kan van onbegeleid contact met en overnachtingen bij de man geen sprake zijn. De man is recent voor een begeleid omgangsmoment positief getest op alcohol, maar hij erkent nog steeds niet dat hij een alcoholprobleem heeft en hij aanvaardt nog steeds geen hulp daarvoor. De moeder stelt zich verder op het standpunt dat een dwangsom niet nodig is.
De Raad heeft op de zitting aangegeven dat het contact tussen de man en de kinderen op dit moment nog onder begeleiding moet plaatsvinden en dat het aan de hulpverlening is om te adviseren wanneer het contact onbegeleid kan plaatsvinden. Het is belangrijk dat beide partijen voor zichzelf hulp zoeken.
Op de zitting heeft de rechtbank uitgebreid met partijen gesproken over de zorgregeling tussen de man en de kinderen. Duidelijk is geworden dat partijen het niet eens zijn over de manier waarop het contact moet worden vormgegeven, of het contact moet worden uitgebreid en wat het uiteindelijke doel is. Daarom zal de rechtbank een beslissing nemen over de zorgregeling tussen de man en de kinderen.
De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel de rechtbank de wens van de man om met een opbouw op termijn weer tot een co-ouderschapsregeling met de kinderen te komen invoelbaar acht, is de rechtbank van oordeel dat dit – mede gelet op dat wat door toedoen van de man is voorgevallen, het contact- en locatieverbod van de man ter bescherming van de vrouw, het vooralsnog beperkte contact tussen de man en [minderjarige 2] en het ontbreken van contact tussen de man en [minderjarige 1] – op dit moment niet haalbaar en ook niet in het belang van de kinderen is. Voor nu is het belangrijkste dat de kinderen de ruimte en professionele begeleiding krijgen om op een veilige manier weer het contact met hun vader op te bouwen.
De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat onder regie van JGH , in samenspraak met [hulpverlener 2] en [hulpverlener 3] , stapsgewijs wordt toegewerkt naar een zorgregeling, waarbij de kinderen om de week van zaterdagochtend 10.00 uur tot zondagavond 19.00 uur bij de man zullen zijn. De rechtbank denkt daarbij concreet aan de volgende stappen vanaf de datum van deze beschikking:
  • minimaal vier keer: om de week op zondag van 13.00 uur tot 17.00 uur;
  • minimaal vier keer: om de week op zondag van 10.00 uur tot 17.00 uur;
  • minimaal vier keer: om de week op zaterdag van 10.00 uur tot 17.00 uur en op zondag van 10.00 uur tot 17.00 uur (zonder overnachting);
  • daarna: om de week van zaterdagochtend 10.00 uur tot zondagavond 17.00 uur (met overnachting).
JGH , [hulpverlener 2] en [hulpverlener 3] zijn al langere tijd intensief betrokken bij het gezin. De rechtbank laat de concrete, stapsgewijze opbouw van de zorgregeling, de manier waarop de zorgregeling wordt uitgevoerd en de vraag of het contact onder begeleiding of onbegeleid moet plaatsvinden over aan hun expertise, waarbij ook een combinatie van begeleide en onbegeleide contactmomenten mogelijk helpend kan zijn. De betrokken hulpverlening houdt daarmee dus het voortouw en de regie als het om (de opbouw van) de zorgregeling tussen de man en de kinderen gaat, waarbij uitbreiding alleen kan plaatsvinden als de hulpverlening dit in het belang van de kinderen vindt. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat partijen zich zullen conformeren aan de adviezen van de betrokken hulpverlening en daaraan zullen meewerken, zoals zij op de zitting ook hebben toegezegd.
De rechtbank wil de vrouw nog meegeven dat het belangrijk is dat zij de kinderen emotionele toestemming blijft geven voor het contact met de man en dat zij het contact blijft stimuleren. Op dit moment is er geen contact tussen de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 1] laat veel weerstand zien in het contact met de man. De rechtbank verwacht van de hulpverlening dat zij hierop zullen inzetten en dit blijven monitoren, opdat het contact tussen de man en [minderjarige 1] (op termijn) met behulp van de betrokken hulpverlening hersteld kan worden.
De rechtbank verwacht van de man dat hij voorafgaand aan en tijdens de contactmomenten met de kinderen geen alcohol zal nuttigen en zal bepalen dat de man, in ieder geval nog gedurende zes maanden voorafgaand aan de contactmomenten via een urinetest zal moeten aantonen dat hij geen alcohol heeft genuttigd.
De rechtbank verwacht verder van de man dat hij verslagen van [hulpverlener 4] en De Waag in ieder geval zal delen met [hulpverlener 2] en JGH , zodat zij deze informatie kunnen meenemen bij hun beoordeling of de omgang kan worden uitgebreid, en ook (via de betrokken hulpverlening) met de vrouw, zodat het vertrouwen van de vrouw in de man kan groeien.
Omdat de begeleide omgang bij [hulpverlener 2] (in ieder geval voorlopig) wordt voortgezet, ziet de rechtbank op dit moment geen aanleiding om een haal- en brengregeling vast te stellen, zoals door de man is verzocht.
De rechtbank zal nu ook geen vakantie- en feestdagenregeling vaststellen, zoals door de man is verzocht, omdat er op dit moment niet kan worden ingeschat in hoeverre dit haalbaar en in het belang van de kinderen is.
De rechtbank gaat ervan uit dat, zodra enige tijd uitvoering is gegeven aan de zorgregeling die in deze beschikking wordt vastgelegd, partijen weer in staat zullen zijn om, eventueel met behulp van een derde, in het belang van de kinderen nadere afspraken te maken en alsnog een ouderschapsplan op te stellen.
Dwangsom
Omdat de vrouw op de zitting desgevraagd heeft toegezegd dat zij zich zal conformeren aan het advies van de hulpverlening over (de uitbreiding van) het contact tussen de man en de kinderen, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de nakoming van de zorgregeling een dwangsom te verbinden. De rechtbank gaat er vanuit dat de vrouw zich in het belang van de kinderen aan deze toezegging zal houden.
De rechtbank zal aldus beslissen en het meer of anders verzochte over de zorgregeling afwijzen.
Kinderalimentatie
Omdat de rechtbank hiervoor heeft beslist dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw zullen hebben, zal de rechtbank hierna beoordelen welk bedrag de man aan de vrouw aan kinderalimentatie voor de kinderen moet betalen.
Behoefte
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van de kinderen € 1.470,- per maand bedraagt in 2024. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van de kinderen afgerond € 1.638,- per maand.
Draagkracht man
De rechtbank zal voor de berekening van de draagkracht de man de door hem overgelegde salarisspecificaties van september tot en met november 2025 als uitgangspunt nemen en rekening houden met:
  • salaris: € 5.864,55 per maand;
  • IKB: € 967,65 per maand;
  • premie ABP Pensioen/NP: € 405,22 per maand;
  • premie ABP AP: € 7,53 per maand;
De rechtbank zal verder rekening houden met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting.
De rechtbank berekent het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man op € 4.378,- per maand en de draagkracht van de man voor de kinderalimentatie op € 1.190,- per maand in 2026.
Draagkracht vrouw
De rechtbank zal voor de berekening van de draagkracht de vrouw de door haar overgelegde salarisspecificaties van september tot en met november 2025 als uitgangspunt nemen en rekening houden met:
  • salaris: € 6.110,94 per maand;
  • IKB: € 1.008,30 per maand;
  • premie ABP Pensioen/NP: € 411,72 per maand;
  • premie ABP AP: € 7,77 per maand;
Omdat de vrouw onbetwist heeft gesteld dat zij vanaf januari 2026 weer volledig aan het werk zal zijn, zal de rechtbank geen rekening houden met (de uitbetaling en inhouding van) ziekte-uren.
De rechtbank zal verder rekening houden met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de arbeidskorting;
  • de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
De rechtbank zal ook rekening houden met een kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop.
De rechtbank berekent het NBI van de vrouw op € 5.214,- per maand en de draagkracht van de vrouw voor de kinderalimentatie op € 1.600,- per maand in 2026.
Zorgkorting
De rechtbank volgt in dit opzicht het rapport Alimentatienormen 2026 van de Expertgroep Alimentatie, waarin staat dat de zorgkorting in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag) bedraagt, omdat partijen onderling en jegens hun kinderen het recht en de verplichting hebben tot omgang en in ieder geval tot dat bedrag zou de partij bij wie de kinderen niet hun hoofdverblijfplaats hebben in de zorg moeten kunnen voorzien.
Gelet hierop en gelet op de vastgestelde zorgregeling, zal de rechtbank rekening houden met een zorgkorting van 5%.
De behoefte van de kinderen is afgerond € 1.638,- per maand in 2026, zodat de zorgkorting (0,05 x 1638 =) afgerond € 82,- per maand is.
Draagkrachtvergelijking
De rechtbank stelt de gezamenlijke forfaitaire draagkracht van partijen gelet op het voorgaande vast op (1190 + 1600 =) € 2.790,- per maand. Omdat de totale draagkracht van partijen de behoefte van de kinderen van € 1.638,- per maand overstijgt, zal de rechtbank een draagkrachtvergelijking maken. De verdeling van de kosten over beide partijen wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het eigen aandeel van de man bedraagt: 1190 / 2790 x 1638 = € 699,-
het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 1600 / 2790 x 1638 = € 939,-
samen € 1.638,-
Van de totale behoefte van de kinderen komt dus een gedeelte van afgerond € 699,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van afgerond € 939,- per maand voor rekening van de vrouw.
Rekening houdend met de zorgkorting van afgerond € 82,- per maand, zoals hiervoor is overwogen, zou de man aan de vrouw een kinderalimentatie voor de kinderen moeten betalen van (699 – 82 =) € 617,- per maand.
Ingangsdatum
De rechtbank zal de datum van deze beschikking als ingangsdatum hanteren.
Conclusie
Het door de vrouw verzochte bedrag aan kinderalimentatie van € 278,- per kind per maand dateert van 10 juli 2025. Met inachtneming van de wettelijke indexering beloopt dat bedrag inmiddels € 290,79. Omdat de vrouw om een (iets) lager bedrag heeft verzocht dan de rechtbank heeft berekend en de rechtbank niet meer kan toewijzen dan is verzocht, zal de rechtbank aansluiten bij het verzoek van de vrouw en dat verzoek – verhoogd met de wettelijke indexering – toewijzen.
De rechtbank zal gelet op het voorgaande bepalen dat de man, met ingang van 3 februari 2026, afgerond € 291,- per kind per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen. De rechtbank zal het meer of anders verzochte over de kinderalimentatie afwijzen.
Aanhechten berekeningen
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt van de draagkracht van partijen. Deze berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan onderdeel uit.
Echtscheidingsconvenant
Partijen hebben afspraken gemaakt over de kinderen, de vermogensrechtelijke afwikkeling van de huwelijksgemeenschap en de onderhoudsverplichtingen, die zijn opgenomen in een door beide partijen op 28 oktober 2024 ondertekende vaststellingsovereenkomst, bestaande uit een ouderschapsplan en een echtscheidingsconvenant. De man stelt zich op het standpunt dat het incident tussen partijen op 9 november 2024 waarvoor hij strafrechtelijk is veroordeeld wel van invloed is op de in het ouderschapsplan gemaakte afspraken, maar niet op de in het echtscheidingsconvenant gemaakte afspraken. De man heeft dan ook verzocht om te bepalen dat het ondertekende echtscheidingsconvenant in de beschikking wordt opgenomen. De vrouw staat niet meer volledig achter de inhoud van het echtscheidingsconvenant. Zij stelt dat zij bij de opstelling daarvan veel water bij de wijn heeft gedaan, zodat de echtscheiding snel gerealiseerd kon worden, de echtelijke woning aan de man geleverd kon worden en de vrouw haar aandeel in de overwaarde zou krijgen. Door het incident met de man op 9 november 2024 kon dit alles niet gerealiseerd worden. De woning is op 17 juli 2024 getaxeerd op € 730.000,-. Deze waarde is niet meer reëel. Door hiervan uit te gaan profiteert de vrouw niet in de waardestijging van de woning, terwijl zij wel voor de helft eigenaar is van de woning. De vrouw stelt dan ook dat artikelen 2.3.2 en 2.9.1 van het echtscheidingsconvenant buiten toepassing gelaten moeten worden op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid artikel 6:248 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 6:248 lid 2 BW Pro is een tussen partijen als gevolg van een overeenkomst geldende regel niet van toepassing voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Volgens vaste jurisprudentie moet bij toepassing van dit artikel de nodige terughoudendheid worden betracht. De rechtbank is van oordeel dat het in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is om de vrouw onverkort aan de door partijen gemaakte afspraken te houden. Het echtscheidingsconvenant is een pakketovereenkomst waarin partijen op 28 oktober 2024 (met elkaar samenhangende) afspraken hebben gemaakt over de gehele vermogensrechtelijke afwikkeling. De omstandigheid dat de vrouw met de kennis van nu – bijna anderhalf jaar later – andere afspraken zou hebben gemaakt over de verdeling van de echtelijke woning, doet daaraan niet af. Daar komt bij dat de vrouw haar stelling dat de taxatiewaarde van de echtelijke woning nu om en nabij € 900.000,- zou zijn niet heeft onderbouwd met relevante bewijsstukken. De enkele stelling dat de woningmarkt oververhit is, is onvoldoende om aan de strenge toets van artikel 6:248 lid 2 BW Pro te voldoen. Nu de rechtbank van oordeel is dat de vrouw – ook mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de man – haar verzoek onvoldoende heeft onderbouwd, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw om de artikelen 2.3.2 en 2.9.1 van het echtscheidingsconvenant buiten toepassing te laten afwijzen. De rechtbank zal het verzoek van de man om te bepalen dat het echtscheidingsconvenant deel uitmaakt van deze beschikking toewijzen en zal een kopie van de betreffende deelovereenkomsten van het echtscheidingsconvenant, te weten de delen Vaststellingovereenkomst Algemeen en Financieel, aan de beschikking hechten.
Gelet op het voorgaande moeten partijen, voor zover nog niet is gebeurd, overgaan tot uitvoering van de in het echtscheidingsconvenant vastgelegde afspraken.
Verdeling echtelijke woning en hypotheekrenteaftrek
Omdat de rechtbank hiervoor heeft beslist dat het echtscheidingsconvenant in zijn geheel wordt aangehecht aan deze beschikking, komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de verzoeken van de vrouw onder V., VI., en VII over de verdeling van de echtelijke woning en het voorwaardelijk verzoek van de man onder VIII. over de hypotheekrenteaftrek.
Verdeling inboedelgoederen
Partijen hebben de rechtbank bericht dat zij na de zitting alsnog overeenstemming bereikt over de verdeling van de inboedelgoederen. Zij zijn overeengekomen dat de inboedelgoederen die op de bijgevoegde inboedellijst staan aan de vrouw worden toegedeeld, met uitzondering van de daarop doorgehaalde inboedelgoederen, die aan de man worden toegedeeld. Partijen zullen in januari 2026 een datum afspreken voor de overdracht van de inboedelgoederen.
Partijen verzoeken nu, onder intrekking van hun initiële verzoeken over de verdeling van de inboedelgoederen, om deze afspraak op te nemen in de beschikking. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
iPad [minderjarige 1]
Op de zitting heeft de vrouw haar verzoek om de man te veroordelen om ervoor zorg te dragen dat de vrouw binnen twee weken na de datum van de beschikking beheerder wordt van de iPad van [minderjarige 1] , op straffe van een dwangsom, ingetrokken. De rechtbank hoeft daarom geen beslissing meer te nemen op de dit verzoek.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, met elkaar gehuwd op [dag] 2010 in [plaats] ;
*
bepaalt dat de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 in
[geboorteplaats] en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats] hun
hoofdverblijfplaats bij de vrouw zullen hebben;
*
bepaalt dat de kinderen, als opbouw naar de hierna te noemen zorgregeling, contact zullen hebben met de man onder begeleiding van professionele hulpverlening, waarbij de wijze van het contact, de frequentie van het contact en de duur van het contact tussen de man en de kinderen wordt bepaald door JGH , in samenspraak met [hulpverlener 2] en [hulpverlener 3] , dan wel een gelijksoortige andere professionele hulpverlening, waarbij de man in ieder geval gedurende zes maanden voorafgaand aan ieder contactmoment met een urinetest moet aantonen dat hij geen alcohol heeft genuttigd en waarbij moet worden toegewerkt naar een zorgregeling waarbij de kinderen om de week van zaterdagochtend 10.00 uur tot zondagavond 17.00 uur bij de man zullen zijn;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 3 februari 2026, een kinderalimentatie voor de kinderen van € 291,- per kind per maand moet betalen, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
*
neemt op in deze beschikking de tussen partijen getroffen onderlinge regelingen zoals vastgelegd in de op 28 oktober 2024 door partijen getekende Vaststellingsovereenkomst, deelovereenkomsten Algemeen en Financieel, waarvan een kopie aan deze beschikking wordt gehecht;
*
stelt vast dat partijen zijn overeengekomen dat de inboedelgoederen op de aan deze beschikking gehechte inboedellijst aan de vrouw worden toegedeeld, met uitzondering van de daarop doorgehaalde inboedelgoederen, die aan de man zullen worden toegedeeld, en dat partijen in januari 2026 een datum zouden afspreken voor de overdracht van de inboedelgoederen;
*
verklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Sluijmer als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van
3 februari 2026.