Art. 10:56 BWArt. 3 Protocol 23 november 2007Art. 3:194 lid 2 BWArt. 1:93 BWArt. 1:94 BW
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Echtscheiding met partneralimentatie en verdeling beperkte gemeenschap inclusief aandelenbedrijf
Partijen zijn gehuwd in 2019 in Egypte onder beperkte gemeenschap van goederen en hebben beiden de Nederlandse nationaliteit. De vrouw verzoekt echtscheiding met partneralimentatie en verdeling van de beperkte gemeenschap, waaronder aandelen in diverse besloten vennootschappen van de man. De man verzet zich tegen diverse nevenvoorzieningen en verzoekt tevens echtscheiding.
De rechtbank laat het verzoek tot nietigverklaring van het huwelijk wegens geestelijke stoornis buiten beschouwing wegens strijd met goede procesorde. De echtscheiding wordt toegewezen omdat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man wordt veroordeeld tot betaling van partneralimentatie van €2.147 bruto per maand vanaf inschrijving echtscheiding.
De beperkte gemeenschap wordt verdeeld: de woning wordt aan de man toegedeeld onder voorwaarden met taxatie en verrekening van overwaarde; bankrekeningen worden verdeeld en gedeeld; de boot wordt aan de man toegewezen met vergoeding aan de vrouw; de inboedel wordt geacht reeds verdeeld. De aandelen in [bedrijfsnaam 3] B.V. worden aan de man toegedeeld onder verrekening van €273.755 aan de vrouw. Verzoeken tot verdeling van aandelen in andere vennootschappen worden afgewezen. Vordering tot afgifte diamanten ringen wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Proceskosten worden ieder voor eigen rekening gelaten.
Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken met partneralimentatie en verdeling beperkte gemeenschap waarbij woning, bankrekeningen, boot en aandelen aan man worden toegedeeld onder verrekening met vrouw.
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummers: FA RK 24-1965 (scheiding) en FA RK 24-4798 (verdeling)
Zaaknummers: C/09/663225 (scheiding) en C/09/668978 (verdeling)
Datum beschikking: 3 februari 2026
Scheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 14 maart 2024 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Braat te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H.H.R. Bruggeman te Leiderdorp, voorheen mr. J.J.M. Kleiweg.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
- het F9-formulier met bijlage van 29 augustus 2024 van de zijde van de vrouw;
- het aanvullend verzoekschrift van 24 november 2025;
- het gewijzigd zelfstandig verzoek met bijlagen van 5 december 2025;
- het F9-formulier met bijlagen van 10 december 2025 van de zijde van de man;
- het F9-formulier met bijlagen van 12 december 2025 van de zijde van de vrouw;
- het F9-formulier met bijlagen van 15 december 2025 van de zijde van de man.
Op 16 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man en de vrouw met hun advocaten.
Na de zitting zijn de volgende stukken ontvangen:
- het F9-formulier van 19 december 2025 van de zijde van de vrouw;
- het F9-formulier van 22 december 2025 van de zijde van de man.
Feiten
- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2019 te [plaats 1] , [land 1] .
- Partijen zijn gehuwd in een beperkte gemeenschap van goederen;
- Partijen hebben beiden - in ieder geval - de Nederlandse nationaliteit.
Verzoek en verweer
Het verzoek zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:
- vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van
€ 2.147,-- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de datum van echtscheiding;
- vaststelling van de verdeling van de beperkte huwelijksgemeenschap, conform
het voorstel van de vrouw, te weten:
dat de echtelijke woning aan de man zal worden toebedeeld tegen een waarde van
€ 900.000,- danwel tegen de waarde, zoals vastgesteld door een onder punt 32 aangestelde taxateur, onder de voorwaarde dat de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening alsmede onder voldoening aan de vrouw haar aandeel in de overwaarde ten bedrage van € 190.873 PM, waarbij het spoorboekje zal worden gevolgd zoals geformuleerd onder punt 11 tot en met 14 van het verzoekschrift d.d. 14 maart 2024;
de bankrekeningen zoals genoemd in het verzoekschrift d.d. 14 maart 2024 onder 16 sub a tot en met g aan de man worden toebedeeld en de bankrekeningen onder sub h tot en met k, aan de vrouw worden toegedeeld, waarbij de man gehouden zal zijn aan de vrouw een overbedelingsvergoeding te voldoen van € 33.578,- danwel een nog nader te concretiseren bedrag, vast te stellen aan de hand van de door de man per peildatum in het geding te brengen bankafschriften;
de boot aan de man zal worden toebedeeld, waarbij de man gehouden zal zijn aan de vrouw een overbedelingsvergoeding te voldoen van € 3.500,-;
de katten [kat 1] en [kat 2] aan de vrouw worden toebedeeld;
de gehele inboedel aan de man zal worden toebedeeld, waarbij de man gehouden zal zijn aan de vrouw een overbedelingsvergoeding te voldoen van € 5.000,-;
- ten behoeve van de waardering van de aandelen van de besloten vennootschappen [bedrijfsnaam 1] , [bedrijfsnaam 2] , [bedrijfsnaam 3] en [bedrijfsnaam 4] te bepalen dat:
- Op grond van artikel 195a de bestuurders van [bedrijfsnaam 2] BV worden veroordeeld tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van de navolgende gegevens:
a. inzicht in de omvang van de aandelen in het bezit van de man op 14 maart 2024, ook in relatie tot het totaal aantal uitgegeven aandelen;
b. inzicht in de omvang van de aandelen in het bezit van de man op dit moment, ook in relatie tot het totaal aantal uitgegeven aandelen;
c. de notariële aktes of andere documenten rond de aandelenuitgiften van april 2023 en oktober 2025, op basis waarvan de waarde per aandeel vast te stellen is.
d. de facturen, zoals door [bedrijfsnaam 3] BV aan [bedrijfsnaam 1] verzonden;
danwel subsidiar de man op grond van artikel 195 RvPro de man hiertoe wordt veroordeeld;
- op grond van artikel 195 RvPro de man ter zake van [bedrijfsnaam 3] BV te veroordelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van de navolgende gegevens,
e. de jaarrekeningen van de besloten vennootschap [bedrijfsnaam 3] B.V.;
f. de aangiftes vennootschapsbelasting alsmede de aanslagen vennootschapsbelasting over de afgelopen drie jaren;
g. de aangiftes IB van de man over de afgelopen drie jaar;
h. de facturen, zoals door [bedrijfsnaam 3] BV aan [bedrijfsnaam 1] verzonden;
i. btw-aangiftes en aanslagen over de jaren 2023 - 2025 van [bedrijfsnaam 3] .
- op grond van artikel 195 RvPro de man ter zake van [bedrijfsnaam 4] te veroordelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van de navolgende gegevens:
j. aktes van oprichting van [bedrijfsnaam 5] en [bedrijfsnaam 6] ( [land 1] );
k. overige notariële aktes, uitgegeven sinds de oprichting; 1. Uittreksels van de kamers van koophandel van [plaats 2] en [plaats 3] ( [land 1] ) van [bedrijfsnaam 4] ;
m. de jaarrekeningen van [bedrijfsnaam 5] ( [land 2] ) en [bedrijfsnaam 6] ( [land 1] ) over de afgelopen drie jaren;
n. de aangiftes vennootschapsbelasting van de vennootschappen alsmede de aanslagen
vennootschapsbelasting over de afgelopen drie jaren;
o. een verklaring van de accountant van de waardebepaling van [bedrijfsnaam 4] ;
p. inzicht in de omvang van de aandelen in het bezit van de man op 14 maart 2024 in [bedrijfsnaam 5] en/of [bedrijfsnaam 6] ;
- te bepalen dat op grond van artikel 3:194 lid 2 BWPro aan de vrouw zal toekomen alle tot de beperkte gemeenschap toebehorende aandelen in de [bedrijfsnaam 2] B.V. danwel [bedrijfsnaam 1] B.V. danwel het equivalent van de waarde van deze aandelen, welke waarde zal worden vastgesteld op basis van de uitkomst van de nog nader in het geding te brengen stukken, danwel tegen een in goede justitie vast te stellen waarde van minimaal
€ 2.250.000,-;
- te bepalen dat ten aanzien van [bedrijfsnaam 3] en [bedrijfsnaam 4] de zaak wordt aangehouden in afwachting tot de man de stukken in het geding heeft gebracht, zodat de vrouw haar standpunt nader kan concretiseren en er mogelijk een deskundigenonderzoek kan plaatsvinden,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De man voert verweer tegen de verzochte nevenvoorzieningen, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
De man heeft zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met een nevenvoorziening tot:
- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform
het voorstel van de man, in die zin dat:
de man een termijn wordt verleend voor de financiering van de woning en het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vrouw van drie maanden, te rekenen vanaf het moment dat de echtscheidingsbeschikking zal worden ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;
de saldi van de bankrekening bij helfte dienen te worden verdeeld;
de waarde van de boot op nihil wordt gesteld;
de inboedel aan de man wordt toegescheiden zonder dat de vrouw aanspraak kan maken op een vergoeding in geld;
de man afgifte vordert van de diamant van zijn moeder en de twee diamanten ringen door de vrouw aan hem;
de man afgifte vordert van de katten [kat 2] en [kat 1] door de vrouw aan hem,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Bij gewijzigd verzoek van 5 december 2025 heeft de man verzocht:
- het huwelijk nietig te verklaren wegens het bij de vrouw bestaan van een geestelijke stoornis;
- de vrouw op te dragen het saldo van de bankrekening/creditcard met nummer [bankrekening] per peildatum over te leggen en dit saldo volledig aan de man te voldoen,
dan wel de vrouw op te dragen het saldo per peildatum over te leggen en de helft van dit saldo aan de man te voldoen,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Procedureel: verzoek tot nietigverklaring van het huwelijk blijft buiten beschouwing
De man heeft het verzoek om het huwelijk nietig te verklaren wegens een geestelijke stoornis van de vrouw voor het eerst als aanvullend verzoek gedaan in de brief van
5 december 2025.
De rechtbank laat dit verzoek om de volgende redenen buiten beschouwing. Partijen zijn al vanaf maart 2023 feitelijk uit elkaar en deze procedure bij de rechtbank loopt al vanaf maart 2024. Beide partijen hebben echtscheiding verzocht en in hun processtukken over en weer standpunten ingenomen over de gevolgen daarvan. De rechtbank acht het in strijd met de eisen van een goede procesorde om bij deze stand, gelet op het tot dusver gevoerde partijdebat, slechts 11 dagen voor de mondelinge behandeling, plotseling een verzoek te doen om het in [land 1] gesloten huwelijk nietig te verklaren wegens een gestelde geestelijke stoornis van de vrouw. Het had op de weg van de man gelegen om een dergelijk verzoek eerder in de procedure te doen. De rechtbank zal dit aanvullende verzoek daarom, zoals ook op zitting is besproken, op grond van het bepaalde in de artikelen 283 en 130 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) buiten beschouwing laten.
De over en weer gedane verzoeken om echtscheiding met nevenvoorzieningen zal de rechtbank hierna bespreken.
Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu beide echtgenoten de Nederlandse nationaliteit hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe.
De rechtbank zal krachtens artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.
Beide partijen stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, zodat de daarop steunende, over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond kunnen worden toegewezen.
De man wenst dat de echtscheiding van partijen voor inschrijving in [land 1] vatbaar zal zijn. Hiervoor is nodig dat toestemming zal worden verkregen van de Egyptische Koptische kerk. De man wenst dat de vrouw zal meewerken om deze toestemming te verkrijgen. De vrouw heeft toegezegd het nodige te zullen verrichten om het religieuze huwelijk in [land 1] te ontbinden. Dit leent zich niet voor opname in het dictum, maar de rechtbank gaat ervan uit dat partijen daartoe inderdaad het nodige zullen verrichten.
Partneralimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de vrouw in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het alimentatieverzoek.
Op het verzoek tot alimentatie voor de vrouw zal de rechtbank op grond van artikel 3 vanPro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
Standpunt vrouw
De vrouw kan met haar loon niet in haar kosten van levensonderhoud voorzien. Zij wordt financieel ondersteund door haar familie.
De behoefte op grond van de hofnorm bedraagt volgens de vrouw € 5.943,--. Zij heeft ook een gespecificeerd behoefteoverzicht overgelegd waaruit een behoefte volgt van € 4.311,86. De vrouw is recent verhuisd naar een klein huurappartement om de kosten beheersbaar te houden, maar als de vrouw een vergelijkbare woning als de man betrekt zou de gespecificeerde behoefte gelijk zijn aan de behoefte op basis van de hofnorm. De vrouw werkt fulltime en kan haar inkomen niet verder uitbreiden.
De vrouw stelt dat de man geen inzicht in zijn inkomen geeft. De stelling van de man dat hij in de tijd dat hij voor [bedrijfsnaam 1] werkzaam was geen inkomen genoot is zeer onwaarschijnlijk.
Het is waarschijnlijk dat hij loon dan wel vergoeding heeft ontvangen. Ook is het waarschijnlijk dat de man inkomen geniet uit zijn werkzaamheden voor [bedrijfsnaam 4] danwel [bedrijfsnaam 7] . Zolang de man nalaat inzicht te verschaffen in zijn inkomenspositie moet de man in staat worden geacht voldoende draagkracht te hebben om de door de vrouw verzochte partneralimentatie te kunnen voldoen.
Standpunt man
De man stelt dat de behoefte van de vrouw op geen enkele manier wordt onderbouwd. De man betwist dat de vrouw behoefte heeft aan alimentatie omdat zij zelf in de kosten van haar levensonderhoud kan voorzien. De vrouw heeft niet voldaan aan haar stelplicht en is daarom niet-ontvankelijk in haar verzoek aldus het primaire standpunt van de man.
Subsidiair stelt de man dat er geen rechtsgrond is voor partneralimentatie. De man meent dat de vrouw geen economisch nadeel heeft geleden als gevolg van het huwelijk. Uit het huwelijk zijn geen kinderen geboren en de vrouw heeft zich volledig kunnen richten op haar eigen carrière. De man verzoekt de rechtbank de behoefte van de vrouw gelijk te stellen aan haar huidige netto inkomen en verzoekt om het verzoek van de vrouw af te wijzen, omdat zij met haar huidige inkomen nu zelf al voorzien in de kosten van haar levensonderhoud. Verder heeft de vrouw, zo stelt de man, geen verzoek om voorlopige voorzieningen ingediend om partneralimentatie te verkrijgen en heeft de vrouw het besteedbaar inkomen tijdens het huwelijk niet onderbouwd. De vrouw heeft geen gegevens van het inkomen van de man overgelegd om de simpele reden dat zij ermee bekend is dat de man geen inkomen had. Het enige structurele inkomen tijdens het huwelijk kwam van het dienstverband van de vrouw, aldus de man. De man stelt dat hij ten tijde van het uiteengaan in maart 2023 geen inkomen had. Hij is van mening dat voor de bepaling van zijn draagkracht moet worden uitgegaan van het inkomen dat hij in maart 2023, het moment van het feitelijk uiteengaan van partijen, genoot. De man meent dan ook geen enkele draagkracht te hebben om een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te leveren.
Oordeel rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de vrouw haar huwelijksgerelateerde behoefte heeft onderbouwd op basis van de inkomensgegevens over 2022. Met toepassing van de hofnorm bedraagt de behoefte van de vrouw € 5.943,-- per maand. De man heeft niet of onvoldoende betwist dat huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw kan worden bepaald met inachtneming van de hofnorm, zodat de rechtbank daarvan ook zal uitgaan. Wel betoogt de man dat de behoefte moet worden berekend op basis van inkomensgegevens in 2023 en hij stelt dat hij toen geen inkomen had. De man heeft echter geen gegevens overgelegd waaruit blijkt wat zijn inkomen in 2023 was. De vrouw betwist dat de man in 2023 geen inkomen had.
De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de man dat hij ten tijde van het uiteengaan van partijen geen inkomen had. Dit standpunt is door de man niet met enig bewijsstuk onderbouwd en komt de rechtbank ook niet aannemelijk voor. Bovendien zijn partijen al in maart 2023 uit elkaar gegaan, zodat het inkomen van partijen in 2022 bepalend kan worden geacht voor de welstand van partijen tijdens het huwelijk. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man de door de vrouw gestelde en onderbouwde huwelijksgerelateerde behoefte op basis van de inkomensgegevens uit 2022 onvoldoende weersproken. Verder is niet in geschil dat de vrouw fulltime werkt en onvoldoende inkomsten heeft om in de huwelijksgerelateerde behoefte te voorzien.
Voor wat betreft de draagkracht van de man zijn er ook geen financiële gegevens overgelegd. De rechtbank heeft geen stukken gezien waaruit zou blijken dat de man momenteel een uitkering ontvangt, er zijn geen salarisstroken overgelegd, er zijn geen aangiftes inkomstenbelasting overgelegd en er zijn ook geen jaarstukken overgelegd van de onderneming [bedrijfsnaam 3] B.V. waarvan de man directeur en enig aandeelhouder is. De verwijzing van de man naar de verklaring van zijn – door de man aangeduid als – corporate lawyervan 15 december 2025 waarin een opinie wordt gegeven over de financiële positie van de man in [bedrijfsnaam 1] B.V., [bedrijfsnaam 2] B.V, en [bedrijfsnaam 3] , acht de rechtbank onvoldoende om tot de conclusie te komen dat de man momenteel geen inkomen heeft.
Bij deze stand gaat de rechtbank ervan uit dat de man voldoende draagkracht heeft om de door de vrouw verzochte bijdrage te voldoen.
Ingangsdatum
Op grond van artikel 1:157 lid 6 BWPro treedt de verplichting tot het verschaffen van een uitkering tot levensonderhoud niet eerder in dan op de dag van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand.
Conclusie
Gelet op het voorgaande bepaalt de rechtbank dat de man de vrouw met ingang van de dag van de inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand een bedrag van € 2.147,- bruto per maand aan partneralimentatie zal voldoen.
Verdeling van de beperkte gemeenschap
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels).
Op het huwelijksvermogensstelsel van partijen is de Verordening huwelijksvermogensstelsels van toepassing. Niet is gesteld of gebleken dat partijen ten aanzien van het huwelijksvermogensstelsel een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht.
Krachtens artikel 26, eerste lid, onder a van de Verordening wordt het huwelijksvermogensstelsel beheerst door het Nederlandse recht, nu partijen na de huwelijkssluiting hun eerste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats hebben gevestigd in Nederland.
Inhoudelijke beoordeling
Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Zij zijn op of na 1 januari 2018 met elkaar gehuwd, zodat gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW) moet worden aangenomen dat tussen hen een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen bestond.
De rechtbank overweegt dat nu de echtgenoten gehuwd zijn in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen, de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap op grond van artikel 1:94, lid 2 en lid 7 BW bestaat uit de goederen en schulden die voor het huwelijk reeds gemeenschappelijk waren en uit de goederen die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn verkregen dan wel schulden die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn aangegaan, voor zover deze niet betrekking hebben op goederen die buiten de wettelijke beperkte gemeenschap vallen.
Bij de verdeling van de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen moet als uitgangspunt worden genomen dat de echtgenoten in gelijke mate delen in de baten van de gemeenschap, terwijl ieder de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen.
Peildatum
Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden beperkte gemeenschap geldt als peildatum 14 maart 2024, namelijk de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen en de eisen van redelijkheid en billijkheid niet anders met zich brengen – de datum van feitelijke verdeling.
Omvang
Partijen hebben de volgende bestanddelen opgevoerd.
Echtelijke woning aan [adres] ;
Bankrekeningen;
Boot;
Inboedel;
Ondernemingen man, te weten:
o [bedrijfsnaam 1] B.V.
o [bedrijfsnaam 2] B.V.
o [bedrijfsnaam 3] B.V.
o [bedrijfsnaam 4] .
6. Diamanten ringen erfstuk familie;
7. Katten [kat 1] en [kat 2] .
1. Echtelijke woning
Partijen zijn het erover eens dat de echtelijke woning aan de man moet worden toegedeeld. Partijen zijn het niet eens over de waarde van de woning en de te volgen procedure. De rechtbank zal gelet op het voorgaande ten aanzien van de echtelijke woning, de aan de echtelijke woning gekoppelde polissen en hypothecaire geldleningen de wijze van verdeling vaststellen conform het in het dictum vermelde spoorboekje.
Uit de F9-formulieren van 19 december 2025 van de vrouw en van 22 december 2025 van de man volgt dat de man akkoord is met de door de vrouw voorgestelde makelaars-taxateurs. De man heeft laten weten dat zowel [makelaar 1] Taxaties & Makelaardij als [makelaar 2] Makelaardij een taxatierapport opmaken. De rechtbank zal bepalen dat, voor zover deze taxateurs niet tot eensluidende taxatiewaarde komen, de waarde van de echtelijke woning bepaald zal worden op het gemiddelde van de door deze taxateurs uit te voeren taxaties.
Vergoedingsrecht woning
De man handhaaft zijn verzoek om aan hem een vergoedingsrecht van € 59.802,63 met toepassing van de beleggingsleer toe te kennen. Volgens de man heeft hij de overwaarde van zijn woning in Utrecht ten bedrage van € 59.802,63 volledig besteed aan de aflossing van de hypothecaire lening van de echtelijke woning. De man heeft altijd alleen de hypothecaire lasten voldaan en deze aflossing bedroeg op 19 maart 2024 € 45.846,--.
De vrouw stelt dat de man op 31 december 2020 een bedrag van € 50.000,-- aan de notaris heeft voldaan. Uit het opvolgende overgelegde bankafschrift blijkt dat de man op 15 januari 2021 van het deposit van € 50.000,-- een bedrag van € 45.962,94 terug heeft ontvangen. Dit is dus geen onderbouwing van de stelling dat de man de overwaarde van € 59.802,63 in de echtelijke woning heeft geïnvesteerd. Uit de nota van afrekening blijkt dat de totale aankoopsom van de echtelijke woning € 553.087,06 bedroeg. Er is een hypotheek aangegaan van € 550.000,-- zodat er uit eigen middelen slechts een bedrag van € 3.087,06 is geïnvesteerd. Er is daarom volgens de vrouw geen sprake van een vergoedingsrecht dan wel maximaal tot een bedrag van € 3.087,06.
De rechtbank is van oordeel dat de man zijn verzoek op dit punt, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet voldoende heeft onderbouwd. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de woning van de man in Utrecht is verkocht. Op 31 december 2020 heeft de man vanuit zijn privévermogen een bedrag van € 50.000,-- aan de notaris betaald. Vervolgens heeft hij van de notaris op 15 januari 2021 een bedrag van € 45.962,94 van de notaris teruggestort gekregen. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat de man vervolgens met privégeld heeft afgelost op de hypotheek die op de echtelijke woning rust, zoals de man heeft gesteld. Ter onderbouwing van dit standpunt van de man zijn geen stukken overgelegd.
De rechtbank ziet aanleiding om de vrouw te volgen in haar standpunt dat de man vanuit eigen middelen een bedrag van € 3.087,-- in de echtelijke woning heeft geïnvesteerd. De rechtbank zal daarom bepalen dat de man als eerste aanspraak mag maken op dit bedrag met toepassing van de beleggingsleer. Het bedrag dient als volgt te worden bepaald: € 3.087 gedeeld door € 550.000 (aankoopsom echtelijke woning) keer de getaxeerde waarde van de echtelijke woning.
2. Bankrekeningen
Volgens de vrouw dienen de saldi van de bankrekeningen per de peildatum te worden verdeeld. Niet in geschil is dat alle aanwezige banksaldi staande huwelijk zijn verkregen.
De vrouw verzoekt de man alle bankafschriften te overleggen van zijn rekening over de zes maanden voorafgaand aan 14 maart 2024 nu de vrouw vermoedt dat de man met het zicht op de scheiding heeft getracht geld aan de gemeenschap te onttrekken.
De man stelt dat het volstrekt onduidelijk is waarop de vrouw de overbedelingsvergoeding van € 33.578,-- baseert. Het lijkt er volgens de man op dat de vrouw meer geld op haar bankrekeningen had op de peildatum, zodat zij de man nog een bedrag dient te voldoen. De man verzoekt de vordering af te wijzen als zijnde ongegrond en onbewezen.
De rechtbank zal bepalen dat partijen elkaar over en weer inzage dienen te verschaffen in de saldi van de diverse bankrekeningen op de peildatum en dat de saldi daarvan bij helfte moeten worden verdeeld. De man heeft op zitting toegezegd dat hij de vrouw bankafschriften zal verstrekken. De rechtbank gaat ervan uit dat de man zich hieraan houdt.
Ten aanzien van de Egyptische bankpas van de vrouw is de rechtbank van oordeel dat de vrouw met stukken heeft onderbouwd dat deze rekening is aangehouden voor de nalatenschap van haar vader. Zoals op de zitting is besproken, ligt het op de weg van de vrouw om met een bankafschrift op de peildatum te laten zien dat het saldo op deze bankrekening niet meer is geworden dan zij uit de nalatenschap van haar vader heeft ontvangen. De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw zich hieraan houdt.
De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat de vrouw deze rekening bewust heeft achterhouden en de rechtbank gaat daarom voorbij aan de stelling van de man op dit punt.
3. Boot
Tijdens de zitting is komen vast te staan dat de boot van partijen (deels) onder water ligt. De man stelt de waarde van de boot op nihil en de vrouw stelt de waarde op € 7.000,--.
De man heeft onbetwist gesteld dat de boot is aangekocht voor een bedrag van € 1.485,--.
De rechtbank zal de waarde van de boot op grond hiervan in redelijkheid schatten op
€ 1.000,--. De rechtbank zal bepalen dat de man de boot krijgt toebedeeld onder de verplichting de vrouw de helft van de waarde, zijnde € 500,--, te vergoeden.
4. Inboedel
De vrouw stelt dat de man aangeeft dat de inboedel een waarde heeft van hooguit € 250,--. In dat geval wenst de vrouw haar verzoek te wijzigen in die zin dat de vrouw de volledige inboedel -inclusief het schilderij van Kandinsky- aan de vrouw wordt toebedeeld waarbij de vrouw gehouden zal zijn de man een bedrag te vergoeden van € 125,--. Als de man dat bij nader inzien toch onwenselijk acht, verzoekt de vrouw subsidiair alsnog om vergoeding van een bedrag van € 5.000,--.
De man stelt dat de vrouw niet heeft onderbouwd dat sprake is van inboedel die tijdens het huwelijk door partijen is aangeschaft. Daarom moet het er voor worden gehouden dat de inboedel van de man is, omdat hij de inboedel voor het huwelijk al bezat. De vrouw heeft een lijst overgelegd maar niet gespecificeerd welke goederen van partijen gezamenlijk zouden zijn en zij heeft ook niet aangegeven welke van de gezamenlijke inboedelgoederen zij wenst te verkrijgen. Daarom is het verzoek onvoldoende gespecificeerd. Ook is het bedrag aan waarde nergens op gebaseerd. De vrouw heeft al veel items meegenomen toen zij de woning verliet, waaronder het Kandinsky schilderij, de katten met hun spullen, de loopband, een groot deel van de keukenspullen en keukenapparatuur en alle gouden bezittingen van partijen die door partijen samen waren aangekocht.
De man stelt dat de vrouw zich al veel waardevolle items heeft toegeëigend en hiermee dan ook genoegen moet nemen.
De rechtbank stelt vast dat partijen feitelijk al bijna drie jaar uit elkaar zijn. De vrouw heeft tijdens de zitting verklaard dat zij destijds bij het verlaten van de echtelijke woning spullen heeft meegenomen. Welke goederen dit zijn en welke waarde dat vertegenwoordigt, is door de rechtbank op grond van de ingenomen stellingen niet vast te stellen.
De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de verdeling van de inboedel al heeft plaatsgevonden en zal bepalen dat ieder behoudt wat hij of zij onder zich heeft zonder nadere verrekening.
5. Ondernemingen man
[bedrijfsnaam 3] , [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2]
Uit de stukken en dat wat op zitting is besproken, is de rechtbank het volgende gebleken.
De man stelt dat hij eigenaar is van [bedrijfsnaam 3] B.V. en dat deze onderneming eigenaar is van ongeveer 25% van de aandelen van [bedrijfsnaam 2] B.V. Deze holding bezit [bedrijfsnaam 1] B.V. voor 100%. De man heeft geen jaarstukken of tussentijdse cijfers van deze vennootschappen in het geding gebracht. Een verklaring van een accountant ontbreekt eveneens.
Standpunt vrouw
De vrouw stelt dat er geen stukken zijn waaruit blijkt dat de waarde van de ondernemingen, zoals de man betoogt, negatief is. Volgens de vrouw schetst de man een onjuiste voorstelling van zaken en is hij niet eerlijk over de omvang van het aandelenkapitaal. De vrouw stelt dat de man [bedrijfsnaam 1] heeft opgericht in 2022. Via [bedrijfsnaam 3] was hij op dat moment de enige bestuurder, waardoor het waarschijnlijk is dat hij op dat moment 100% van de aandelen in zijn bezit had. In 2023 is een compagnon toegetreden en in april 2023 heeft een eerste investeringsronde plaatsgevonden. Hierdoor zal het aandeelpercentage van de man vermoedelijk zijn gedaald, maar de vrouw acht onwaarschijnlijk dat deze transacties ertoe hebben geleid dat de man per 14 maart 2024 nog maar 25% van de aandelen in zijn bezit had. De man moet hier inzicht in geven en bij gebreke daarvan moet ervan worden uitgegaan dat hij op de peildatum minimaal 50% van de aandelen van [bedrijfsnaam 2] B.V. in zijn bezit heeft. De waarde van [bedrijfsnaam 2] B.V. die in 2023 en 2025 is vastgesteld door externe, professionele investeerders is de vrouw niet bekend, maar volgens de vrouw is op grond van de investering van € 900.000,-- (hierbij is uitgegaan van 20%) aannemelijk dat de onderneming in oktober 2025 kan worden gewaardeerd op € 4.500.000,--. Bij 10% uitgifte waarbij nog geen rekening wordt gehouden met de investeringen van andere aandeelhouders zou de waardering op minimaal het dubbele € 9.000.000,-- uitkomen.
De vrouw heeft aanvankelijk verzocht om zowel de bestuurders van [bedrijfsnaam 2] ( op grond van artikel 195a Rv) en als de man (op grond van de artikelen 22 en 195 Rv) te veroordelen tot het verstrekken van inzage van diverse financiële stukken en de zaak aan te houden, zodat de vrouw haar standpunt ten aanzien van de waarde van de onderneming van de man na ontvangst van die stukken nader kon concretiseren.
De vrouw heeft verder aangevoerd dat sprake is van opzettelijke verzwijging ex artikel 3:194 lid 2 BWPro door te stellen dat de onderneming geen waarde heeft alsmede dat de man / [bedrijfsnaam 3] geen enkele vorm van inkomsten genoot uit werkzaamheden voor [bedrijfsnaam 1] (holding) is sprake van opzettelijke verzwijging en verbeurt de man zijn aandeel aan de vrouw. Dit leidt ertoe dat aan de vrouw toekomt de volledige waarde van de aandelen in [bedrijfsnaam 1] B.V. dan wel [bedrijfsnaam 2] B.V. Deze aandelen dan wel de waarde moet worden vastgesteld op basis van de uitkomst van de nog in het geding te brengen stukken maar op minimaal € 2.250.000,--. Ook ten aanzien van [bedrijfsnaam 4] en [bedrijfsnaam 3] dient te worden aangenomen dat sprake is van opzettelijke verzwijging. De vrouw kan op basis van een totaal gebrek aan informatie geen standpunt innemen over de waarde van [bedrijfsnaam 4] en [bedrijfsnaam 3] .
Naar de rechtbank begrijpt, heeft de vrouw haar verzoek op de zitting gewijzigd, na kennisname van de door man bij akte van 10 december 2025 als productie 20 overgelegde overeenkomsten en bijlagen, in die zin dat de vrouw stelt dat wat de betreft de waarde van de aandelen [bedrijfsnaam 3] in ieder geval kan worden aangesloten bij de waarde van de aandelen [bedrijfsnaam 2] zoals deze uit productie 20 blijkt.
Standpunt man
De man stelt dat de ondernemingen [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 3] B.V. ten tijde van de peildatum ernstig negatieve cijfers en nog openstaande schulden bij andere bedrijven hebben. In beide bedrijven zit geen te verdelen positieve waarde voor de vrouw. De vrouw zou daarom enkel delen in forse schulden. De man kan hiervan een berekening laten maken.
Ook zijn er nieuwe vennoten tot [bedrijfsnaam 2] B.V. en [bedrijfsnaam 1] B.V. toegetreden. Door een meningsverschil met de andere vennoten is het aantal aandelen van de man drastisch afgenomen en heeft hij nauwelijks nog enige zeggenschap. De man heeft sinds half 2024 geen salaris meer van [bedrijfsnaam 1] B.V. ontvangen. De man kan zijn aandelen niet verkopen omdat de andere vennoten dit hebben geweigerd. De man profiteert niet van de investeringen die zijn gedaan. De man heeft voor zijn levensonderhoud geld van zijn broer moeten lenen. Gezien zijn dispuut met de andere vennoten heeft hij nauwelijks toegang tot stukken van de ondernemingen [bedrijfsnaam 1] (Holding) B.V.
De man heeft niets verzwegen ex artikel 3:194 lid 2 BWPro, de vrouw was op de hoogte van de ondernemingen en van het aandelenbezit van de man.
Oordeel rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de man 100% aandeelhouder is van [bedrijfsnaam 3] B.V. Deze aandelen vallen in de beperkte gemeenschap van partijen. De aandelen die [bedrijfsnaam 3] heeft in [bedrijfsnaam 2] en (indirect) in [bedrijfsnaam 1] B.V. behoren niet tot de beperkte gemeenschap van partijen. Voor zover de vrouw verzoekt om verdeling van aandelen in [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 1] , wijst de rechtbank dat verzoek dus af. De waarde van [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 1] bepaalt echter wel mede de waarde van de aandelen van de man in [bedrijfsnaam 3] B.V. De man heeft geen financiële stukken overgelegd van [bedrijfsnaam 3] B.V. Er zijn ook geen jaarstukken van [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 1] overgelegd. De man stelt dat de waarde nihil is en dat er alleen maar schulden zijn, maar op de zitting is gebleken en door de man ook bevestigd dat de man indirect (door middel van [bedrijfsnaam 3] B.V.) (nog steeds) aandelen in [bedrijfsnaam 2] heeft en dat [bedrijfsnaam 3] dit aandelenpakket kan verzilveren zodra andere aandeelhouders hun aandelen in [bedrijfsnaam 1] verkopen. De rechtbank volgt de man dan ook niet in zijn stelling dat de waarde van de tussen partijen te verdelen aandelen in [bedrijfsnaam 3] nihil is. Daaraan doet niet af dat de man en [bedrijfsnaam 3] de aandelen in [bedrijfsnaam 2] momenteel niet aan een derde mogen overdragen.
Op de zitting is uitvoerig met partijen gesproken over de door de man als productie 20 overgelegde overeenkomsten in verband met de investeringen door onder andere het Innovatiefonds OuderenZorg (IFOZ) en zorgverzekeraar VGZ in [bedrijfsnaam 2] in 2025, te weten de op 29 september 2025 gesloten “Agreement for the allotment of depositary receipts for shares in [bedrijfsnaam 2] B.V.” en de “Subscription Agreement – [bedrijfsnaam 2] B.V.” De man en [bedrijfsnaam 3] zijn als partijen bij deze overeenkomsten betrokken. Uit het overzicht met Financiële parameters achter Schedule 7.1C behorende bij de Subscription Agreement kan worden opgemaakt dat [bedrijfsnaam 3] B.V 12.000 aandelen heeft in [bedrijfsnaam 2] en dat de prijs van een aandeel in [bedrijfsnaam 2] vóór alle investeringen en aandelenuitgiften in 2025 € 82,41 per aandeel beliep. Op dat moment hield [bedrijfsnaam 3] nog 39,56% van de aandelen [bedrijfsnaam 2] . Rekening houdend met een investering door en aandelenuitgifte aan medeaandeelhouders is het belang van [bedrijfsnaam 3] in [bedrijfsnaam 1] iets verwaterd en beliep de prijs per aandeel € 67,53 per aandeel. Wanneer ook rekening zou worden gehouden met de investering door en en aandelenuitgifte aan onder andere IFOZ en VGZ zou de prijs van een aandeel in [bedrijfsnaam 2] weer stijgen naar € 76,92 en bij een aanvullende investering zelfs naar € 133,72 per aandeel.
De rechtbank acht het redelijk om – overeenkomstig het betoog van de vrouw ter zitting en bij gebreke van andere financiële gegevens betreffende de onderneming(en) van de man – ten behoeve van de verdeling van de beperkte gemeenschap de waarde van (de aandelen in) [bedrijfsnaam 3] met in achtneming van deze (recente) parameters te begroten. Er heeft immers recent een waardebepaling van de aandelen [bedrijfsnaam 2] plaatsgevonden en niet valt in te zien waarom in de onderhavige zaak aan die recente waardebepaling voorbij zou moeten worden gegaan. De rechtbank gaat ervan uit dat de huidige waarde van de aandelen in [bedrijfsnaam 3] ten minste gelijk is aan de waarde van haar 12.000 aandelen in [bedrijfsnaam 2] en acht het redelijk om daarbij uit te gaan van een prijs van € 67,53 per aandeel, omdat onzeker is of de te verwachten hogere prijs in de toekomst wel gerealiseerd kan worden. Dat betekent dat de rechtbank de waarde van de aandelen [bedrijfsnaam 3] zal vaststellen op
€ 810.360,-- (te weten: 12.000 aandelen [bedrijfsnaam 2] x de prijs per aandeel van
€ 67,53). De rechtbank zal ook rekening houden met een latente belastingclaim aanmerkelijk belang en deze begroten aan de hand van de belastingtarieven in 2026. De latente AB-claim begroot de rechtbank dan nominaal op 24,5% tot € 68.843,-, te weten € 16.867,-, en daarboven 31%, te weten € 245.983,-, dus in totaal afgerond € 262.850,-.
De waarde van de tussen partijen te verdelen aandelen in [bedrijfsnaam 3] B.V stelt de rechtbank op deze manier vast op (810.360 -/- 262.850 =) € 547.510.
De rechtbank zal de aandelen van [bedrijfsnaam 3] B.V. toedelen aan de man onder verrekening van de helft van de waarde van € 547.510,-, te weten een bedrag van € 273.755,- met de vrouw. Het meer of anders verzochte zal de rechtbank afwijzen.
[bedrijfsnaam 4]
De vrouw stelt dat de man niet kan volstaan met de blote stelling dat [bedrijfsnaam 4] aan zijn broer toebehoort. De vrouw heeft stukken overgelegd waarin de man zelf stelt mede-oprichter te zijn van [bedrijfsnaam 4] . De man dient inzicht te geven in de verhouding tussen de [bedrijfsnaam 4] vestiging in [plaats 2] en de activiteiten van [bedrijfsnaam 4] in [plaats 3] .
De man stelt dat ondernemingen [bedrijfsnaam 4] (en [bedrijfsnaam 7] ) van zijn broer zijn. De naam van de man wordt soms genoemd op internet om mensen te leiden naar de websites van de broer. De vrouw heeft geen enkel objectief bewijs overgelegd dat de man daadwerkelijk deels eigenaar is van deze ondernemingen.
Oordeel rechtbank
De man heeft stukken overgelegd waaruit volgt dat (uitsluitend) zijn broer aandeelhouder is van [bedrijfsnaam 4] (en [bedrijfsnaam 7] ). Dat de man werkzaamheden voor deze bedrijven heeft gedaan, betekent niet dat hij er ook aandelen in heeft. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de man ook aandelen heeft in deze bedrijven, zodat de rechtbank deze niet bij de verdeling zal betrekken.
6. Diamanten ringen
De man stelt dat de familie van de man ten behoeve van het huwelijk een grote diamant behorende aan de moeder van de man in een ring heeft laten zetten. Deze ring en ook een andere ring is door de familie van de man betaald en in bruikleen aan de vrouw gegeven tijdens het huwelijk. Deze blijven eigendom van de familie van de man en zijn geen eigendom van de vrouw geworden. De man vordert daarom afgifte van de diamant van zijn moeder en de twee diamanten ringen door de vrouw aan hem.
De vrouw ontkent de stelling van de man. De ouders van de man hadden geen geld om bij te dragen aan het huwelijk. In plaats daarvan hebben zij de diamant geschonken aan de vrouw bij wijze van huwelijkscadeau. Er is geen grondslag om de ringen dan wel de diamant terug te geven aan de man.
De rechtbank overweegt dat de man een verklaring van de Koptisch-Orthodoxe kerk heeft overgelegd van 17 februari 2019. In de verklaring is onder meer het volgende te lezen:
“ Hierbij deel ik u mee dat ik op 12 januari 2019 een verlovingsakte heb opgesteld voor de gelovigen [de man] en zijn verloofde [de vrouw] . Volgens hun eigen verklaring bedroeg de waarde van de shabka (de verlovingssieraden) achttienduizend Egyptische ponden (18.000 EGP), en dit betrof uitsluitend de waarde van de twee ringen. Wat betreft de twee diamanten ringen: deze zijn eigendom van de moeder van de bruidegom.
Daarom verzoek ik u vriendelijk om voor hem een huwelijksverklaring af te geven alleen voor de waarde van de twee ringen.”
Het is de rechtbank niet duidelijk op welke juridische basis de man de ring(en) van de vrouw kan terugvorderen. De man stelt dat sprake is van een bruikleenovereenkomst, maar heeft dat, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende onderbouwd. In de verklaring van de Koptisch-Orthodoxe kerk is weliswaar te lezen dat de diamanten ringen eigendom zijn van de moeder van de bruidegom, maar daaruit volgt niet dat de betreffende ringen ten behoeve van het huwelijk van partijen door de moeder van de man aan de vrouw in bruikleen zijn gegeven. De rechtbank zal de vordering van de man daarom als onvoldoende onderbouwd afwijzen.
7. Katten
De man heeft zijn verzoek ten aanzien van de katten [kat 1] en [kat 2] op zitting niet langer gehandhaafd. Dit betekent dat de rechtbank hierover geen beslissing meer hoeft te nemen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2019 te [plaats 1] , [land 1] ;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie van € 2.147,-- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
stelt de verdeling van de beperkte huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
A. met betrekking tot de woning, gelegen aan [adres] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening:
1. de woning wordt toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen verstrekken binnen één week een gezamenlijke opdracht aan de door hen gekozen makelaars-taxateurs, te weten [makelaar 1] Taxaties & Makelaardij en [makelaar 2] Makelaardij tot taxatie van de woning. Deze makelaars-taxateurs zullen tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen de man (de echtgenoot die krijgt toegedeeld ) de woning zal overnemen. Voor zover deze makelaars-taxateurs niet gezamenlijk tot een en dezelfde waarde komen, zal de getaxeerde waarde gesteld worden op het gemiddelde van de door deze makelaars-taxateurs vastgestelde waarden;
b) de man dient binnen twee maanden na de taxatie aan de vrouw aan te tonen dat hij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen;
c) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde, minus het vergoedingsrecht van de man van € 3.087,-- gedeeld door € 550.000 (aankoopsom echtelijke woning) keer de getaxeerde waarde van de echtelijke woning, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen op de peildatum (14 maart 2024) en minus de kosten van de makelaar-taxateur;
d) de kosten van de notariële overdracht worden door de man, als kosten koper, voldaan;
e) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
2) indien de man de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen dienen binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de man kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan een door hen te kiezen uit de onder 1) genoemde makelaars-taxateurs een gezamenlijke opdracht verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, minus het vergoedingsrecht van de man van € 3.087,-- gedeeld door € 550.000 (aankoopsom echtelijke woning) keer de getaxeerde waarde van de echtelijke woning, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen op de peildatum (14 maart 2024) en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
met betrekking tot de bankrekeningen:
de bankrekeningen op naam van de man worden toegedeeld aan de man, onder verrekening van de helft van de saldi per 14 maart 2024 met de vrouw, en de bankrekeningen op naam van de vrouw worden toegedeeld aan de vrouw, onder verrekening van de helft van de saldi per 14 maart 2024 met de man, waarbij partijen gehouden zijn elkaar inzage te geven in de saldi op de peildatum;
met betrekking tot de boot:
bepaalt dat de boot aan de man wordt toegedeeld onder de verplichting de helft van de waarde hiervan, te weten € 500,--, aan de vrouw te voldoen;
met betrekking tot de aandelen in [bedrijfsnaam 3] B.V.:
bepaalt dat de aandelen worden toegedeeld aan de man, onder de verplichting van de man om aan de vrouw een bedrag van afgerond € 277.166,- te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat ieder de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, rechter, bijgestaan door D. van den Born als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 3 februari 2026.