ECLI:NL:RBDHA:2026:4418

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
C/09/674637 / FA RK 24-7661
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:204 lid 3 BWArt. 1:212 BWArt. 1:253c BWArt. 1:377a lid 2 BWArt. 10:95 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming erkenning en omgangsregeling minderjarige met afwijzing gezamenlijk gezag

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de vader om vervangende toestemming te verkrijgen voor de erkenning van zijn minderjarige kind, het gezamenlijk gezag te verkrijgen en een omgangsregeling vast te stellen. De moeder was tegen gezamenlijk gezag vanwege een ernstig verstoorde verstandhouding en communicatie tussen de ouders.

De rechtbank oordeelde dat de vader, met Surinaamse nationaliteit, de minderjarige kan erkennen, maar hiervoor toestemming van de moeder nodig is. Omdat de moeder en het kind de Nederlandse nationaliteit hebben, is Nederlands recht van toepassing op de toestemming. De rechtbank verleende vervangende toestemming voor erkenning voor het geval de ouders dit niet samen regelen.

Het verzoek tot gezamenlijk gezag werd afgewezen omdat de ouders geen constructieve communicatie hebben en er een reëel risico bestaat dat het kind klem of verloren raakt. De moeder blijft eenhoofdig gezagdrager. De rechtbank stelde een voorlopige omgangsregeling vast waarbij de vader om de week op zaterdag van 10:00 tot 12:00 uur omgang heeft bij de ouders van de moeder, onder toezicht. Tevens werd de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een netwerkberaad te organiseren om een duurzame omgangsregeling te bevorderen.

Uitkomst: Vervangende toestemming erkenning verleend, gezamenlijk gezag afgewezen, voorlopige omgangsregeling vastgesteld met netwerkberaad ter bevordering duurzame regeling.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-7661
Zaaknummer: C/09/674637
Datum beschikking: 3 februari 2026
Vervangende toestemming erkenning, gezag, omgang/verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Beschikking op het op 23 oktober 2024 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.D. Ande te Amsterdam.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D.V. Garib te Rotterdam.
Als belanghebbende ten aanzien van het verzoek tot vervangende toestemming erkenning wordt aangemerkt:

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2023 te [geboorteplaats 1] ,

de minderjarige, hierna te noemen: [minderjarige] ,
in rechte vertegenwoordigd door mr. J.C. Herweijer, advocaat te Rijswijk,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het verweerschrift namens de moeder tevens houdende een zelfstandig verzoek tot
vaststelling van een zorg- c.q. omgangsregeling-, met bijlagen;
  • het verslag van 17 december 2024 van de bijzondere curator;
  • het bericht van 31 december 2024 namens de moeder;
  • het bericht van 13 januari 2025 namens de man;
  • het bericht van 17 december 2025, met bijlage, namens de moeder;
  • het bericht van 19 december 2025, met bijlagen, namens de man.
Op 23 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man en de moeder, bijgestaan door hun advocaten, [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) en de bijzondere curator.

Feiten

  • Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
  • [minderjarige] is niet erkend.
  • De moeder heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over [minderjarige] .
  • De man heeft de Surinaamse nationaliteit. De moeder en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 27 november 2024 is mr. J.C. Herweijer
voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde [minderjarige] ingevolge artikel 1:212
van het Burgerlijk Wetboek (BW) te vertegenwoordigen.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de man strekt ertoe:
1. hem vervangende toestemming als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 BW Pro te verlenen,
zodat hij [minderjarige] kan erkennen;
2. te bepalen dat het eenhoofdig gezag wordt gewijzigd zodat beide ouders met het gezag over [minderjarige] worden belast;
3. het gezagsregister hierop aan te passen;
4. een opbouwende omgangs- dan wel zorgregeling wordt vastgesteld, in die zin dat [minderjarige] bij de man verblijft:
 elke vrijdag van 11:00 uur tot 18:00 uur, waarbij de man [minderjarige] bij de moeder ophaalt en de moeder [minderjarige] daarna om 18:00 uur bij de man ophaalt;
en waarbij er in een periode van 4 weken wordt opgebouwd naar een regeling, waarbij [minderjarige] elke vrijdag om 11:00 uur door de man wordt opgehaald en tot zaterdag 18:00 uur bij de man verblijft en de moeder [minderjarige] bij de man ophaalt.
De moeder heeft verweer gevoerd welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens heeft de moeder zelfstandig verzocht om een omgangs- c.q. zorgregeling vast te stellen, waarbij [minderjarige] omgang heeft met de man, bij de moeder thuis:
  • elke dinsdag en/of donderdag;
  • om het weekend op zaterdag of zondag.
De bijzondere curator adviseert het verzoek van de man tot vervangende toestemming tot erkenning van [minderjarige] toe te wijzen.

Beoordeling

Vervangende toestemming erkenning
Rechtsmacht
Omdat de man, de moeder en [minderjarige] hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 3, aanhef en onder a, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rechtsmacht toe met betrekking tot de verzoeken van de man.
Toepasselijk recht op de erkenning door de man
Op grond van artikel 10:95 lid 1 lid Pro BW wordt de vraag of erkenning door een man familierechtelijke betrekkingen doet ontstaan tussen hem en een kind, wat betreft de bevoegdheid van de man en de voorwaarden voor de erkenning, in beginsel bepaald door het recht van de staat waarvan de man de nationaliteit bezit. De man heeft de Surinaamse nationaliteit.
Inhoudelijke beoordeling
Uit de artikelen 334, 335 en 336 van het ten tijde van het verzoek geldende Surinaams Burgerlijk Wetboek (SBW), maar ook uit het thans geldende artikel 204 Nieuw Pro SBW volgt dat de man de minderjarige [minderjarige] kan erkennen, maar dat hij voor die erkenning de toestemming van de moeder nodig heeft.
Toepasselijk recht op de toestemming van de moeder
Op grond van artikel 10:95 lid 3 BW Pro is op de vraag of de moeder dan wel het kind toestemming moet geven voor de erkenning, van toepassing het recht van de staat waarvan de moeder dan wel het kind de nationaliteit bezit. Het op de toestemming toepasselijke recht bepaalt volgens dit artikellid ook of bij gebreke van toestemming deze kan worden vervangen door een rechterlijke beslissing. De moeder en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit, zodat Nederlands recht van toepassing is.
Inhoudelijke beoordeling
Artikel 1:204 lid 3 BW Pro bepaalt het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar – of die van het kind zelf – als het 12 jaar of ouder is – door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
Tussen de man en de moeder staat vast dat de man de verwekker is van [minderjarige] .
Op de zitting is gebleken dat de moeder nu wel wil meewerken aan erkenning van [minderjarige] door de man. De moeder wilde aanvankelijk niet meewerken aan de erkenning, omdat zij de verzoeken van de man tot gezamenlijk gezag en onbegeleide omgang een brug te ver vindt. Zoals op de zitting is besproken, raadt de rechtbank –evenals de bijzondere curator en de raad– de ouders aan om in het belang van [minderjarige] een gezamenlijke afspraak te maken bij de gemeente, zodat zij de erkenning in onderling overleg kunnen regelen. Op die manier komt op de akte van erkenning te staan dat de moeder daarvoor toestemming heeft gegeven en hoeft de man geen gebruik te maken van een vervangende toestemming tot erkenning van de rechtbank. Voor het geval het om praktische problemen toch niet zal lukken om in onderling overleg de erkenning te regelen, zal de rechtbank de man wel vervangende toestemming tot erkenning verlenen. Zo kan hij zo nodig ook zonder medewerking van de moeder [minderjarige] erkennen.
Beëindiging werkzaamheden bijzondere curator
Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [minderjarige] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.
Gezag en omgangs- c.q. zorgregeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken tot het gezag en de omgangs- dan wel zorgregeling.
Gezag
Uit artikel 1:253c, eerste en tweede lid, BW volgt dat de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten. Dit verzoek wordt, indien de andere ouder hiermee niet instemt, slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De man verzoekt hem samen met de moeder te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . De man stelt dat gezamenlijk gezag het wettelijk uitgangspunt is en dat er geen onaanvaardbaar risico bestaat dat [minderjarige] klem en of verloren zal raken tussen de ouders. De man zal de gezagsbeslisingen niet tegen werken. Hij wil meer betrokken zijn bij de opvoeding en beslissingen over [minderjarige] .
De moeder voert verweer. Zij heeft er geen vertrouwen in dat ze samen met de man gezagsbeslissingen over [minderjarige] zal kunnen nemen. Volgens de moeder is de onderlinge verhouding en communicatie met de man zodanig verstoord dat [minderjarige] bij gezamenlijk gezag klem of verloren zal raken. De moeder meent dat daarin binnen afzienbare tijd ook geen verbetering zal komen. Verder stelt de moeder dat de man geen betrokken ouder is, terwijl zij hem daartoe wel alle gelegenheid biedt. Zo stelt zij haar woning voor hem en zijn familie open. De moeder meent dat de man prima zijn vaderrol kan vervullen zonder hem met het gezag te belasten. De man moet nu eerst laten zien dat hij een rol in het leven van [minderjarige] wil spelen. Gezamenlijk gezag is volgens de moeder daarom nu een brug te ver.
De rechtbank zal het verzoek ten aanzien van het gezag beoordelen op basis van de veronderstelling dat [minderjarige] inmiddels met toestemming van de moeder door de man is erkend of, gelet op de vervangende toestemming van de rechtbank, zal worden erkend.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is gebleken dat [minderjarige] op dit moment klem en verloren dreigt te raken als de ouders gezamenlijk met het gezag zullen worden belast. Op basis van de overgelegde stukken en dat wat tijdens de zitting is besproken, is gebleken dat er sprake is van een ernstig verstoorde verhouding tussen de ouders en dat zij geen of nauwelijks contact met elkaar hebben. Weliswaar heeft er de afgelopen periode nog wel tussen de man en [minderjarige] contact plaatsgevonden, maar dit was zeer onregelmatig en begeleid, meestal door de ouders van de moeder en bij haar thuis. Hoewel de rechtbank het begrijpelijk vindt dat de man actief betrokken wenst te zijn bij de verzorging en opvoeding van [minderjarige] , stelt de rechtbank ook vast dat het de ouders op dit moment niet zal lukken om op een constructieve manier met elkaar te communiceren. Het ontbreekt bij de moeder aan de benodigde draagkracht. Zij maakt zich zorgen over het welzijn en de veiligheid van [minderjarige] bij de man. Verder heeft de moeder onbetwist gesteld dat de man de afspraken niet of onvoldoende nakomt. Gelet op dit alles vindt de rechtbank het daarom –evenals de raad op de zitting heeft geadviseerd– nu te prematuur om over te gaan tot gezamenlijk gezag.
Gebleken is dat de ouders niet in staat zijn om met elkaar te overleggen over basale zaken met betrekking tot de verzorging en de opvoeding van [minderjarige] , laat staan over gezagsbeslissingen. De rechtbank heeft er verder onvoldoende vertrouwen in dat binnen afzienbare tijd voldoende verbetering in deze situatie zal komen. Er is immers op dit moment geen, dan wel nauwelijks communicatie tussen de ouders en de communicatie die er wel is, is verkeerd. Daarnaast heeft de moeder er weinig vertrouwen in dat de man een structurele veilige omgeving voor [minderjarige] kan bieden. De man zal eerst moeten laten zien dat hij een betrokken vader is die zijn afspraken nakomt. Voor nu is het van belang om het contact tussen de man en [minderjarige] te herstellen en te werken aan een duurzame en voor [minderjarige] voorspelbare contactregeling. De rechtbank verwacht dat dit op termijn ook zal bijdragen aan een verbetering van de onderlinge communicatie en vertrouwen tussen de ouders, hopelijk uiteindelijk met als resultaat dat zij samen als ouders van [minderjarige] ook gezagsbeslissingen kunnen nemen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de man om hem mede met het gezag over [minderjarige] te belasten nu afwijzen. Daarbij merkt de rechtbank wel op dat van de moeder wordt verwacht dat zij als ouder die met het gezag is belast de man op de hoogte houdt van belangrijke zaken over [minderjarige] .
De rechtbank benadrukt tot slot dat deze beslissing niet betekent dat de man geen vaderrol in het leven van [minderjarige] moet of zal hebben. Het is vooral belangrijk dat de man zich nu concentreert op het weer op een rustige en goede manier opbouwen van een stabiel contact met [minderjarige] .
De rechtbank zal in het vervolg spreken over omgangsregeling in plaats van zorgregeling, omdat de moeder, ook na erkenning van [minderjarige] door de man, alleen belast blijft met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
Omgangsregeling
Op grond van artikel 1:377a, tweede lid, BW stelt de rechter op verzoek van de ouders of een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een omgangsregeling vast, dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
Ter onderbouwing van zijn verzoek voert de man aan dat de moeder alleen omgang tussen hem en [minderjarige] toestaat bij haar thuis en onder toezicht van haar ouders. De man wil dat [minderjarige] bij hem in [plaats] kan verblijven en zijn ouders, de grootouders van [minderjarige] , leert kennen.
De moeder verzet zich niet tegen omgang tussen de vader en [minderjarige] mits dit op een veilige manier gebeurt. De moeder kan daarom op dit moment niet instemmen met omgang in de woning van de moeder van de man, omdat deze woning niet geschikt is. Daarnaast houdt de man volgens de moeder in zijn verzoek in het geheel geen rekening met het ritme van [minderjarige] en de dagen dat [minderjarige] naar de crèche gaat. Ook kan zij niet instemmen met omgang ieder weekend omdat zij anders geen leuke dingen met [minderjarige] in het weekend kan doen. De moeder stelt zelfstandig een regeling voor waarbij de man met [minderjarige] bij haar thuis omgang heeft op elke dinsdag en/of donderdag en om het weekend op zaterdag of zondag. De moeder heeft op zitting nader toegelicht dat als [minderjarige] in haar huis is dat ze dan weet dat hij in een veilige omgeving is. Bovendien zijn haar ouders er dan bij. De moeder hecht hieraan omdat zij eerst wil zien hoe de man met [minderjarige] omgaat.
De rechtbank vindt het zorgelijk dat er inmiddels al een langere periode geen structureel contact tussen [minderjarige] en de man heeft plaatsgevonden. In het algemeen is het belangrijk voor een kind dat er op regelmatige basis contact is met beide ouders. Daarbij is wel van belang dat dit op een veilige manier moet plaatsvinden. Mede gelet op de problematische relatie tussen de ouders bestaat er bij de moeder op dit moment een groot wantrouwen ten opzichte van de man. De moeder heeft zorgen over de situatie bij de man, mede gelet op de onduidelijkheid of hij voldoende in staat is om voor [minderjarige] te zorgen. De moeder kan nu alleen de emotionele toestemming voor contact met de man geven als de omgang begeleid wordt door haar ouders en bij haar ouders thuis.
Netwerkberaad
Omdat het in het belang van [minderjarige] is dat het contact met zijn vader op korte termijn duurzaam wordt hersteld, is op de zitting – op advies van de raad – gesproken over
de mogelijkheid van het inzetten van een zogenoemd netwerkberaad bij de raad. Hierbij wordt een gezamenlijk gesprek met het netwerk van het kind en de ouders gevoerd om het netwerk actief mee te laten denken over een oplossing, waarbij het belang van het kind als uitgangspunt wordt genomen. In dit netwerkberaad kunnen alle belangrijke mensen uit het netwerk van het kind een rol spelen, waaronder in dit geval mogelijk ook de grootouders van [minderjarige] , omdat de moeder bij haar ouders woont en de man bij zijn moeder woont. Aangezien de ouders zich op zitting bereid hebben verklaard om hun medewerking aan een netwerkberaad te verlenen, zal de rechtbank de raad verzoeken een netwerkberaad te organiseren, waarbij in dit geval met het netwerk zal moeten worden gezocht naar een gedragen omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] .
Indien het netwerkberaad leidt tot de gewenste uitkomst, wordt van de raad verwacht dat zij daarover schriftelijk verslag doet in het rapport. Indien het netwerkberaad niet leidt tot de gewenste uitkomst, zal alsnog een regulier raadsonderzoek volgen waarvan de resultaten worden neergelegd in een rapport. In dat geval wordt de raad verzocht de volgende vragen te beantwoorden:
  • Welke omgangsregeling met de man is het meest in het belang van [minderjarige] ?
  • Is er hulpverlening voor de moeder, de man en/of [minderjarige] noodzakelijk? Zo ja, welke
hulpverlening wordt er geadviseerd?
De rechtbank zal in afwachting van de uitkomsten van het netwerkberaad dan wel het eventuele raadsonderzoek iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgangsregeling aanhouden tot na te noemen pro formadatum. Na ontvangst van het raadsrapport zal de rechtbank bezien in hoeverre een nadere mondelinge behandeling op zitting nodig is. Indien de behandeling op zitting wordt voortgezet, zal ook de raad voor deze zitting worden opgeroepen.
In afwachting van de uitkomst van het netwerkberaad zal de rechtbank een voorlopige omgangsregeling vaststellen die de ouders op de zitting onder regie van de rechter zijn overeengekomen. De ouders hebben afgesproken dat de man voorlopig om de week op zaterdag van 10 uur tot 12 uur omgang heeft met [minderjarige] , bij de ouders van de moeder thuis in aanwezigheid van één van de ouders van de moeder. Deze tijdstippen zijn afgesproken, omdat [minderjarige] volgens de moeder op dit moment nog tussen 12 en 16 uur slaapt. De man kan [minderjarige] dan ook naar bed brengen. Voor het eerst zal deze omgang plaatsvinden op zaterdag 27 december 2025. Als het de man niet lukt om op een afgesproken zaterdagochtend omgang met [minderjarige] te hebben dan zal hij dat tijdig en uiterlijk op vrijdagochtend vóór 10 uur aan de moeder laten weten.

Beslissing

De rechtbank:
*
verleent de man, [de man] , geboren op [geboortedatum 2] 1994 te [geboorteplaats 2] , toestemming, die de toestemming van de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 3] 1999 te [geboorteplaats 3] , vervangt, tot erkenning van de minderjarige [minderjarige] , geboren op
[geboortedatum 1] 2023 te [geboorteplaats 1] ;
*
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2023 te [geboorteplaats 1] ,
voorlopigomgang met de man heeft bij de ouders van de moeder thuis in aanwezigheid van één van de ouders van de moeder:
om de week op zaterdag van 10.00 uur tot 12.00 uur en voor het eerst op zaterdag
27 december 2025,
en verklaart deze omgangsregeling uitvoerbaar bij voorraad;
*
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming om een onderzoek te verrichten in de vorm van een netwerkberaad, zoals hiervoor omschreven;
de Raad voor de Kinderbescherming kan daartoe telefonisch een eerste afspraak maken met de ouders, die te bereiken zijn op de volgende telefoonnummers:
[telefoonnummers 1] (advocaat man)
[telefoonnummers 2] (advocaat moeder)
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming om, indien het netwerkberaad leidt tot de hiervoor genoemde doelen, daarvan schriftelijk verslag te doen aan de rechtbank;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming om, indien het netwerkberaad niet leidt tot de hiervoor genoemde doelen, een regulier onderzoek te verrichten. Dat onderzoek dient antwoord te geven op de vragen zoals hiervoor omschreven;
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming toestuurt;
houdt de behandeling aan tot
1 augustus 2026 pro forma; uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zijn verslag van het netwerkberaad uit te brengen aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;
bepaalt dat de behandeling ter zitting, na ontvangst van het verslag dan wel het rapport en advies van de Raad voor de Kinderbescherming, indien nodig, wordt voortgezet op een nader te bepalen datum en tijdstip in aanwezigheid van de Raad voor de Kinderbescherming;
*
wijst af het verzoek van de man ten aanzien van het gezamenlijk gezag;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van
de omgangsregelingaan.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. M.G. Coopmans-Veraa als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2026.