ECLI:NL:RBDHA:2026:4415

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
09/000796-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 37a SrArt. 37b SrArt. 45 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot zware mishandeling met tbs-maatregel wegens schizofrenie

De rechtbank Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor twee pogingen tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, gepleegd op 30 december 2024 en 1 januari 2025. De feiten zijn wettig en overtuigend bewezen verklaard op basis van verklaringen, camerabeelden en medisch bewijs. De verdachte heeft meerdere keren met kracht op het hoofd van de slachtoffers geslagen en geschopt, wat heeft geleid tot ernstig letsel, waaronder oogletsel en een hersenschudding.

De verdachte lijdt aan schizofrenie en een stoornis in het gebruik van cannabis, wat de rechtbank heeft meegewogen bij de toerekenbaarheid. De gedragsdeskundigen en reclassering adviseren een tbs-maatregel met dwangverpleging vanwege het hoge recidiverisico en de ernst van de psychische stoornis. De rechtbank acht de feiten in sterk verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.

De strafoplegging bestaat uit een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van voorarrest, en een tbs-maatregel met dwangverpleging voor onbepaalde tijd. Daarnaast zijn schadevergoedingen toegekend aan de slachtoffers: €4.500,- immateriële schade aan het eerste slachtoffer en €2.350,08 aan het tweede slachtoffer, inclusief materiële en immateriële schade. De verdachte is veroordeeld tot betaling aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers, met mogelijkheid tot gijzeling bij niet-betaling.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf en tbs-maatregel met dwangverpleging wegens twee pogingen tot zware mishandeling, met deels toegewezen schadevergoedingen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/000796-25
Datum uitspraak: 5 maart 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
BRP-adres [adres] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] ,
locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 11 april 2025, 4 juli 2025, 12 september 2025, 4 december (alle pro forma) en 19 februari 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B. Verheesen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. M.S. Kat naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 1 januari 2025 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [aangever 1] meerdere keren op/tegen het gezicht, althans het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 januari 2025 te 's-Gravenhage [aangever 1] heeft mishandeld door die [aangever 1] meerdere keren op/tegen het gezicht en/of het hoofd te slaan;
2
hij op of omstreeks 30 december 2024 te Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [aangever 2]
- één of meerdere malen (met kracht) op/tegen het hoofd heeft geslagen en/of
- tegen het hoofd, althans het lichaam heeft geschopt terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 december 2024 te Alkmaar [aangever 2] heeft mishandeld door die [aangever 2]
- één of meerdere malen (met kracht) op/tegen het hoofd te slaan en/of
- tegen het hoofd, althans het lichaam te schoppen.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde, omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte aangever meerdere keren heeft geslagen. Een enkele keer slaan is, aldus de raadsvrouw, onvoldoende voor een poging tot zware mishandeling. Ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat dit kan worden bewezen verklaard.
De raadsvrouw heeft verder namens de verdachte vrijspraak van het onder 2 primair tenlastegelegde bepleit, omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte tegen het hoofd van aangever heeft geschopt. De raadsvrouw heeft betoogd dat het slaan tegen het hoofd en het geven van een trap tegen het bovenlichaam onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te komen van een poging tot zware mishandeling. Met betrekking tot het onder 2 subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat dit kan worden bewezen verklaard.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van feit 1
Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte aangever [aangever 1] meerdere malen in het gezicht heeft geslagen. De rechtbank leidt dit af uit de verklaring van [aangever 1] , die heeft verklaard dat hij meerdere malen tegen zijn hoofd is geslagen door de verdachte. De rechtbank ziet geen aanleiding om de betrouwbaarheid van deze verklaring in twijfel te trekken. Deze verklaring wordt immers ondersteund door foto’s waaruit blijkt dat de aangever (ernstig) letsel heeft op verschillende plekken in zijn gezicht. De rechtbank is daarmee van oordeel dat de verdachte aangever meerdere malen moet hebben geslagen en verwerpt het verweer van de verdediging.
Aangever heeft als gevolg van de klappen tegen zijn gezicht ernstig letsel aan zijn oog opgelopen, waarvoor hij uiteindelijk geopereerd moest worden. De rechtbank leidt uit deze omstandigheden af dat de verdachte met kracht moet hebben geslagen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gezicht en de ogen kwetsbare delen van het menselijk lichaam zijn. Er is een aanmerkelijke kans dat meerdere harde klappen tegen het gezicht en met name tegen de ogen tot zwaar lichamelijk letsel kunnen leiden. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever ook welbewust heeft aanvaard. Het gaat immers om een gedraging die naar de uiterlijke verschijningsvorm gericht is op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en die een dergelijk gevolg ook zou kunnen veroorzaken, zodat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel - waarvan niet is gebleken - niet anders kan zijn geweest dan dat de verdachte willens en wetens die aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het onder 1 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen acht.
Ten aanzien van feit 2
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte aangever tegen het hoofd heeft geslagen en geschopt. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Uit het proces-verbaal van de camerabeelden volgt dat de verdachte eerst een klap met een gebalde vuist tegen de rechterzijde van het hoofd van aangever [aangever 2] heeft gegeven waarna hij ten val is gekomen. Vervolgens lag [aangever 2] op de grond en heeft de verdachte een schop tegen de linkerzijde van het hoofd van [aangever 2] gegeven. Dat de aangever tegen de linkerzijde van zijn hoofd is geschopt wordt ook ondersteund door de verklaring van de huisarts waaruit blijkt dat aangever pijn had aan zijn linkerslaap. Gelet hierop wordt het verweer van de verdediging dat de verdachte aangever niet tegen het hoofd heeft geschopt dan ook verworpen.
Ten gevolge van de gedragingen van de verdachte is de aangever op de grond gevallen, is een stukje van zijn kies afgebroken, en had hij een hersenschudding en diverse andere pijnklachten. De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte met flinke kracht heeft geslagen en geschopt. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in het hoofd kwetsbare en vitale organen en bloedvaten bevinden die door dergelijk handelen ernstig beschadigd hadden kunnen worden. Naar het oordeel van de rechtbank was onder deze omstandigheden de kans aanmerkelijk dat de verdachte aangever zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. De gedragingen van de verdachte kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm bovendien worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het naar het oordeel van de rechtbank niet anders kan zijn geweest dan dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. De verdachte heeft immers nadat aangever op de grond was terechtgekomen hem nogmaals hard tegen het hoofd geschopt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de onder feit 2 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend is bewezen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 1 januari 2025 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [aangever 1] meerdere keren tegen het gezicht heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op 30 december 2024 te Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [aangever 2]
-
eenmaal(met kracht) tegen het hoofd heeft geslagen en
- tegen het hoofd heeft geschopt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten in sterk verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend. De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Daarnaast is gevorderd dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: de tbs-maatregel) met dwangverpleging voor ongemaximeerde duur wordt opgelegd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair aangevoerd dat aan de verdachte geen tbs-maatregel kan worden opgelegd, omdat – gelet op de bepleite vrijspraak voor de pogingen tot zware mishandeling – de volgens de verdediging wel bewijsbare mishandeling geen feit is waarvoor een tbs-maatregel kan worden opgelegd. Subsidiair is eveneens betoogd om geen tbs-maatregel op te leggen. Hiertoe is aangevoerd dat de feiten van geringe ernst zijn, er een lange wachtrij is voor plaatsing in een tbs-kliniek, de verdachte mee wil werken aan behandeling en een zorgmachtiging een alternatieve mogelijkheid tot afdoening is.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee pogingen tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Ten tijde van het eerste feit zat de verdachte gedetineerd in een arrestantencomplex. Daar heeft hij in de doucheruimte een andere arrestant om een futiele reden aangevallen en hem meerdere malen hard in het gezicht geslagen. Uit de vordering tot schadevergoeding van [aangever 1] blijkt dat hij hierdoor ernstig oogletsel heeft opgelopen. Bij het tweede feit heeft de verdachte – ditmaal zonder ook maar enige aanleiding – een medewerker van de Jumbo hard in zijn gezicht geslagen. Daarna heeft de verdachte nogmaals tegen het hoofd getrapt. Ook hier blijkt dat het slachtoffer lichamelijk letsel heeft opgelopen. De verdachte heeft daarmee een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke feiten in een openbare ruimte gevoelens van angst en onveiligheid kunnen veroorzaken. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 29 januari 2026. Hieruit volgt dat de verdachte meermaals met politie en justitie in aanmerking is gekomen en dat sprake is van recidive.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende rapportages:
  • de Pro Justitia-rapportage van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) van 7 november 2025;
  • het verslag van het Pro Justitia-consult van 15 januari 2025;
  • het verslag van het Pro Justitia-consult van 3 januari 2025;
  • het reclasseringsadvies van GGZ Fivoor van 2 februari 2026.
De verdachte heeft grotendeels meegewerkt aan het onderzoek in het PBC. De deskundigen van het PBC hebben geconcludeerd dat de verdachte lijdt aan schizofrenie en dat hij een (matig) ernstige stoornis in het gebruik van cannabis heeft. De stoornis in het gebruik van cannabis is – gelet op de gereguleerde omstandigheden – thans in remissie. Doordat sprake is van een gestoorde realiteitstoetsing met paranoïde wanen, achterdocht, gestoorde impulscontrole, gebrek aan copingvaardigheden en verminderde frustratietolerantie, hetgeen wordt versterkt door middelengebruik en het ontbrekend ziekte-inzicht, is de verdachte zeer kwetsbaar en kan hij gemakkelijk opnieuw in een soortgelijke toestand van ernstige psychische ontregeling belanden. Dit leidt tot de conclusie dat sprake is van een verhoogd risico op soortgelijke feiten. De kans op herhaling van soortgelijk geweld wordt dan ook als hoog ingeschat als de verdachte geen behandeling krijgt.
Verder concluderen de deskundigen dat de stoornissen van de verdachte aanwezig waren ten tijde van de bewezen verklaarde feiten. Het denken en handelen van de verdachte ten tijde van beide ten laste gelegde feiten werd grotendeels gekleurd door zijn paranoïde overtuigingen en desorganisatie in zijn denken en gedrag. Daarom wordt geadviseerd de feiten ten minste in sterk verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen, waarbij niet kan worden uitgesloten, maar ook niet kan worden onderbouwd, dat het tenlastegelegde in zijn volledigheid niet aan de verdachte kan worden toegerekend. Dit volgt uit het feit dat de deskundigen geen volledig zicht hebben gekregen op de gedachten en motivatie van de verdachte die ten tijde van de ten laste gelegde feiten zijn denken, voelen en handelen volledig bepaald zouden kunnen hebben.
De deskundigen achten behandeling noodzakelijk om het hoge recidiverisico te beperken. Een behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden, een zorgmachtiging of terbeschikkingstelling met voorwaarden wordt, gelet op de problematiek van verdachte en de eerdere geprobeerde interventies, niet toereikend geacht. Hoewel de verdachte te kennen heeft gegeven mee te willen werken aan voorwaarden en behandeling wil ondergaan, achten de deskundigen de kans klein dat die motivatie duurzaam van aard is. Gelet op het chronische psychotische toestandsbeeld bij de verdachte, het slechts minimaal aanwezige ziektebesef, het ontbreken van een duurzame en consistente wens om een (langdurige) behandeling te ondergaan en abstinentie van middelen vol te houden, de tot dusver beperkte duurzaamheid van responsiviteit van behandeling in de afgelopen jaren, in combinatie met het hoge recidiverisico voor ernstig gewelddadig gedrag, adviseren de deskundigen de maatregel van ter beschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen.
Uit het reclasseringsadvies over de verdachte van 2 februari 2026 blijkt dat de reclassering de kans op recidive hoog acht. De reclassering overweegt dat het kader van een zorgmachtiging, een voorwaardelijk kader van een straf of het kader van een tbs met voorwaarden niet toereikend is om de hoge kans op recidive en geweld te doen verkleinen. De verdachte blijkt ondanks eerdere (gedwongen) interventies in een voorwaardelijk kader niet ontvankelijk voor gedragsverandering. Het is moeilijk een behandelrelatie met de verdachte op te bouwen en zijn ziekte-inzicht is zeer beperkt. De reclassering ziet dan ook geen mogelijkheden om met eventuele voorwaarden de risico’s te beperken of het gedrag van de verdachte te veranderen. De reclassering ziet daarom ook geen reden om af te wijken van de bevindingen uit het rapportage van het PBC en adviseert eveneens een tbs-maatregel met dwangverpleging.
Toerekenbaarheid
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de rapporten op zorgvuldige wijze tot stand gekomen en worden de conclusies over de toerekenbaarheid van de verdachte voor de bewezen verklaarde feiten gedragen door een deugdelijk en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank neemt de conclusies van de gedragsdeskundigen daarom tot uitgangspunt bij de verdere beoordeling. Alles in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat beide ten laste gelegde feiten in sterk verminderde mate aan de verdachte dienen te worden toegerekend.
Tbs-maatregel
Zowel de rapporteurs van het PBC als de reclassering adviseren de rechtbank om aan de verdachte een tbs-maatregel met dwangverpleging op te leggen. Nu de conclusies en adviezen van de deskundigen gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen op de terechtzitting is gebleken, legt de rechtbank die conclusies mede aan haar oordeel over de straftoemeting ten grondslag.
De rechtbank stelt vast dat aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van een tbs-maatregel als benoemd in artikel 37a lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is voldaan. Er is sprake van een misdrijf als bedoeld in artikel 37a lid 1 onder 2 Sr, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, namelijk een poging tot zware mishandeling. Uit de rapportages is gebleken dat de verdachte ten tijde van het begaan van de misdrijven leed aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, te weten schizofrenie. Bovendien eist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld. Uit de hiervoor aangehaalde rapportages blijkt immers dat er bij de verdachte sprake is van een hoog recidiverisico, dat een langdurige klinische behandeling noodzakelijk is om dat risico te verlagen en dat die behandeling het beste in het kader van een tbs-maatregel met dwangverpleging kan plaatsvinden. Dit alles leidt tot de conclusie dat aan de verdachte de tbs-maatregel met dwangverpleging moet worden opgelegd.
De rechtbank heeft voorts overwogen dat de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege wordt opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten pogingen tot zware mishandeling. De totale duur van de op te leggen maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.
Gevangenisstraf
Gelet op de ernst van de feiten en het leed dat de slachtoffers is aangedaan, acht de rechtbank het noodzakelijk dat aan de verdachte, naast de tbs-maatregel, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het bewezenverklaarde en de andere omstandigheden waarmee de rechtbank rekening heeft gehouden onvoldoende tot uitdrukking komen in de door de officier van justitie gevorderde straf. Daarom zal de rechtbank een zwaardere straf opleggen dan door de officier van justitie gevorderd. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten en de LOVS-oriëntatiepunten, maar ook acht geslagen op het feit dat de rechtbank de verdachte de feiten in sterk verminderde mate toerekent. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, passend en geboden. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[aangever 1] (hierna: [aangever 1] ) heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 6.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
[aangever 2] (hierna: [aangever 2] ) heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding. Naar de rechtbank begrijpt gaat dit om het bedrag van € 2.350,08, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, omdat dit bedrag bestaat uit € 350,08 aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade. Dat in de vordering onder het totaal € 2.358,08 (acht euro meer) is opgenomen, beschouwd de rechtbank als een kennelijke verschrijving.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 1] op het standpunt gesteld dat de vordering onvoldoende is onderbouwd en verzocht de vordering tot matigen tot een bedrag van € 1.000,- en het overige af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren.
De verdediging heeft ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 2] verzocht het bedrag voor de materiële schade, ter hoogte van € 350,08 volledig toe te wijzen en de immateriële schade te matigen tot een bedrag van € 1.000,- en het overige af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
7.3.1
Vordering tot schadevergoeding [aangever 1]
Gedeeltelijke toewijzing
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij [aangever 1] rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 1 primair bewezenverklaarde feit. Uit de gegeven onderbouwing blijkt dat de benadeelde partij als gevolg van dit feit oogletsel heeft opgelopen. Daarmee is in voldoende mate onderbouwd dat de benadeelde partij immateriële schade heeft opgelopen. Op grond van artikel 6:162 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde partij dan ook recht op een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding. Voor de begroting van de schade heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij categorie h (gering oogletsel) onder ‘aantasting gezichtsvermogen’ van de Rotterdamse schaal. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 4.500,- . De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 1 januari 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 4.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 1] .
7.3.2
Vordering tot schadevergoeding [aangever 2]
Toewijzing
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade, is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 2 primair bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 2 primair bewezenverklaarde feit. Uit de gegeven onderbouwing blijkt dat de benadeelde partij als gevolg van dit feit divers lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten een hersenschudding, nekklachten, schouderklachten en tandletsel. Verder is benadeelde als gevolg van het feit angstiger geworden. Daarmee is in voldoende mate onderbouwd dat de benadeelde partij immateriële schade heeft opgelopen. Op grond van artikel 6:162 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde partij dan ook recht op een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade in zijn geheel toewijzen.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 2.350,08, bestaande uit € 350,08 aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 30 december 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het onder 2 primair bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.350,08, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 30 december 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 2] .

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en/of maatregelen zijn gegrond op de artikelen: 36f, 37a, 37b, 45, 57, 60a, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1, primair:
poging tot zware mishandeling;
ten aanzien van feit 2, primair:
poging tot zware mishandeling; :
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (ZES) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
gelast
de terbeschikkingstellingvan de verdachte;
beveelt dat de ter beschikking gestelde
van overheidswege zal worden verpleegd;
vordering van de benadeelde partij [aangever 1] (t.a.v. feit 1)
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 4.500,-, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 1] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
maatregel van schadevergoeding [aangever 1] (t.a.v. feit 1)
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 4.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [aangever 1] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 45 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
vordering van de benadeelde partij [aangever 2] (t.a.v. feit 2)
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 2.350,08, bestaande uit € 350,08 aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 31 december 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 2] ;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
maatregel van schadevergoeding [aangever 2] (t.a.v. feit 2)
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.350,08, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 december 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [aangever 2] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 23 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.W. de Wit, voorzitter,
mr. E. Rabbie, rechter,
mr. A.W. Duijnstee, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.A. Duijm, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 maart 2026.