ECLI:NL:RBDHA:2026:4401

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
NL26.421 en NL26.422
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 VreemdelingenwetArt. 8:54 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArtikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens termijnoverschrijding

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 19 december 2025 waarbij zijn asielaanvraag niet in behandeling werd genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag. De rechtbank beoordeelt dat het beroep binnen één week na het besluit had moeten worden ingediend, maar het beroepschrift werd pas op 5 januari 2026 ontvangen, wat leidt tot termijnoverschrijding.

De gemachtigde van eiser voerde aan dat hij pas op 5 januari 2026 kennis had genomen van het besluit, ondersteund door een screenshot van het IND-portaal. De rechtbank oordeelt echter dat deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, mede omdat van een professionele rechtsbijstandverlener mag worden verwacht dat hij het portaal regelmatig controleert.

Verder toetst de rechtbank of bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die een niet-ontvankelijkverklaring zouden moeten voorkomen, zoals een mogelijke schending van artikel 3 EVRM Pro bij gedwongen overdracht. De rechtbank concludeert dat dergelijke omstandigheden niet zijn aangetoond.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en ziet af van inhoudelijke behandeling. Ook het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.421 en NL26.422
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. J. Hemelaar),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 19 december 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2.
De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. [1] Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
3.
Nu de asielaanvraag van eiser bij het bestreden besluit van 19 december 2025 niet in behandeling is genomen, volgt uit artikel 69, tweede lid, onder d, van de Vreemdelingenwet dat de beroepstermijn één week is. Dit betekent dat eiser uiterlijk 26 december 2025 het beroep had moeten instellen. Het beroepschrift is ingediend op 5 januari 2026.
4. De rechtbank concludeert dat sprake is van een termijnoverschrijding, omdat het beroepschrift niet binnen de beroepstermijn van één week is ingediend. Dit betekent dat de het beroep in beginsel niet-ontvankelijk is. Dit kan anders zijn als sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Hieronder zal de rechtbank beoordelen of de termijnoverschrijding verschoonbaar is
5. In reactie op de vraag waarom hij het beroep na afloop van de beroepstermijn heeft ingediend, heeft de gemachtigde van eiser aangevoerd dat hij pas op 5 januari 2026 bekend is geworden met het besluit van 19 december 2025. In de gronden heeft de gemachtigde van eiser een screenshot van het IND-portaal bijgevoegd. Hieruit volgt dat op 5 januari 2026 het bericht omtrent de beschikking nog als ongelezen is gemarkeerd.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Uit het screenshot van het IND-portaal blijkt dat de beschikking op 19 december 2025 in het portaal is geüpload. De rechtbank neemt in aanmerking dat de gemachtigde van eiser een professioneel rechtsbijstandverlener is. Van hem mag worden verwacht dat hij in de gaten houdt of er nieuwe berichten zijn ontvangen in het portaal.
6. De rechtbank ziet zich verder voor de vraag gesteld of sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten of omstandigheden, als bedoeld in rechtsoverweging 45 van het arrest Bahaddar [2] van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, die maken dat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep achterwege moet blijven. Dergelijke bijzondere feiten of omstandigheden doen zich voor als wat is aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat gedwongen overdracht schending zou opleveren van artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Gelet op de inhoud van het digitale zaakdossier is de rechtbank van oordeel dat hiervan in dit geval geen sprake is.

Conclusie en gevolgen

7.
Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijk beoordeling van het beroep.
8. Nu er uitspraak is gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [3] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van
N. Mekenkamp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494.
3.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.