ECLI:NL:RBDHA:2026:4394

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
NL25.56274
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening na gegrondverklaring beroep asielaanvraag

Verzoeker heeft bij besluit van 13 november 2025 een afwijzing van zijn asielaanvraag ontvangen, met een terugkeerbesluit en inreisverbod. Hiertegen is beroep ingesteld bij de rechtbank.

Op 24 februari 2026 vond de zitting plaats waarbij verzoeker, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister aanwezig waren. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om een voorlopige voorziening samen met het beroep.

Op 5 maart 2026 heeft de rechtbank uitspraak gedaan in de hoofdzaak (zaaknummer NL25.56273) en het beroep gegrond verklaard. Hierdoor achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer nodig en wees het verzoek af.

Daarnaast veroordeelde de voorzieningenrechter de minister in de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 934,-, rekening houdend met de samenhang van de zaken en eerdere punten toegekend in de beroepszaak.

De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter A.G.D. Overmars en griffier N. Walstra, en is openbaar gemaakt op 5 maart 2026. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep gegrond is verklaard; de minister wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56274

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. J.J. de Vries),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).

Procesverloop

1. Bij besluit van 13 november 2025 heeft de minister de asielaanvraag van verzoeker afgewezen als kennelijk ongegrond en eiser een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld [1] en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met het beroep van verzoeker, op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, een tolk en de gemachtigde van de minister zijn verschenen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.56273, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
2.1.
De rechtbank ziet, gelet op de gegrondverklaring van het beroep, aanleiding om de minister ook in deze procedure te veroordelen in de proceskosten die verzoeker in dit verband heeft gemaakt met het indienen van zijn verzoekschrift. De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van een verzoekschrift, met een waarde van € 934,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank overweegt daarbij dat sprake is van samenhangende zaken en dat in de beroepszaak al een punt is toegekend voor het verschijnen ter zitting.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van N. Walstra, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.NL25.56273