ECLI:NL:RBDHA:2026:4393

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
NL25.55432
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 VwArt. 30b VwArt. 31, zesde lid, onder c en e VwArt. 3:46 AwbArt. 8:41a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak vernietiging asielbesluit wegens onvoldoende motivering vereenzelviging en toegedichte verwestering

Eiseres, een Russische vrouw, heeft in juni 2024 een asielaanvraag ingediend met het motief dat zij vanwege haar verwestering en vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen niet veilig is in Ingoesjetië. De minister wees de aanvraag in november 2025 af als kennelijk ongegrond, met name omdat eiseres onvoldoende aannemelijk zou hebben gemaakt dat zij zich vereenzelvigt met deze fundamentele waarde en dat zij geen gegronde vrees voor vervolging heeft.

De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiseres zich niet vereenzelvigt met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Tevens heeft de minister nagelaten een beoordeling te maken van de toegedichte verwestering, terwijl eiseres duidelijk heeft gemaakt dat zij ook daarvoor vreest bij terugkeer. De rechtbank verwijst naar het Unierecht en het arrest K en L, waarin wordt gesteld dat niet vereist is dat de vereenzelviging fundamenteel is voor identiteit of morele integriteit.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 Awb Pro en stelt de minister in de gelegenheid de gebreken binnen zes weken te herstellen. Indien de minister hiervan geen gebruik maakt, zal de rechtbank zonder nadere zitting einduitspraak doen. De uitspraak is een tussenuitspraak en er is nog geen hoger beroep mogelijk tegen deze uitspraak afzonderlijk.

Uitkomst: Het asielbesluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en de minister krijgt gelegenheid het besluit te herstellen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.55432 T

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. F.H. van Zanden).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag. Eiseres heeft op 21 juni 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft de aanvraag met het besluit van 6 november 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Ook heeft zij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 7 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, M. Abrahamian als tolk, mr. C.T.W. van Dijk als waarnemer van de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond en asielrelaas
2. Eiseres heeft de Russische nationaliteit en is geboren op [datum] 1970. In 2012 is zij met haar zoon en dochter naar Nederland afgereisd. Sinds 2012 hebben zij meerdere keren asiel aangevraagd zonder dat dat tot een verblijfsvergunning heeft geleid.
2.1.
Eiseres heeft op 21 juni 2024 opnieuw asiel aangevraagd. Zij heeft aan haar huidige aanvraag kort gezegd ten grondslag gelegd dat ze verwesterd is vanwege langdurig verblijf in Nederland en dat ze als verwesterde vrouw niet veilig is in Ingoesjetië.
Bestreden besluit
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g van de Vw. In eerdere procedures is er al een terugkeerbesluit en een inreisverbod opgelegd. Die blijven geldig. Het asielrelaas van eiseres bestaat volgens verweerder uit de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen (hierna: vereenzelviging).
Het eerste asielmotief vindt verweerder geloofwaardig, maar het tweede asielmotief vindt verweerder ongeloofwaardig. Verweerder stelt zich ten aanzien van het tweede asielmotief op het standpunt dat eiseres dit asielmotief niet heeft onderbouwd met objectieve documenten. Verweerder toetst daarna verder of de verklaringen van eiseres het asielmotief kunnen onderbouwen. Dit is volgens verweerder niet het geval omdat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden waaronder verklaringen geloofwaardig worden geacht genoemd in artikel 31, zesde lid, onder c en e, van de Vw.
3.1
Over artikel 31, zesde lid, onder c van de Vw geeft verweerder aan dat de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen omdat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden van zijn beleid in paragraaf C2/3.2.5.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Aan de hand van dat beleid wordt getoetst of een vrouw aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van gegronde vrees voor vervolging door het behoren tot een sociale groep vanwege vereenzelviging. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in haar geval sprake is van vereenzelviging. Hij wijst er in dit verband met name op dat uit de verklaringen van eiseres niet blijkt dat de vereenzelviging fundamenteel is voor haar identiteit of morele integriteit. Daarmee voldoet eiseres niet aan de eerste stap van de drietrapsbeoordeling in het beleid. Verweerder komt daarom niet toe aan stap twee en drie: het vaststellen of de groep waartoe de vrouw stelt te behoren, in het land van herkomst een eigen identiteit heeft, omdat deze groep in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd en het vaststellen of er sprake is van gegronde vrees voor daden van vervolging als gevolg hiervan.
3.2
Over artikel 31, zesde lid, onder e van de Vw geeft verweerder aan dat eiseres in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd, omdat ze in het verleden onjuiste verklaringen heeft afgelegd over de nationaliteit en identiteit van haar echtgenoot en doordat ze in het verleden met onbekende bestemming vertrokken is.
3.3
De geloofwaardig geachte identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres leiden volgens verweerder niet tot gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Rusland.
Moet verweerder de mogelijkheid krijgen om zijn standpunt schriftelijk nader toe te lichten?
4. Verweerder heeft op de zitting een aantal vragen van de rechtbank over het bestreden besluit en het toepasselijke beleid niet kunnen beantwoorden. Hij heeft de rechtbank verzocht om zijn standpunt op deze punten schriftelijk nader toe te mogen lichten voor de rechtbank het onderzoek sluit. De rechtbank gaat niet mee in dat verzoek omdat zij het in deze zaak aangewezen acht om tussenuitspraak te doen. In dat kader kan verweerder er alsnog voor kiezen om schriftelijk een nader standpunt in te nemen.
Heeft verweerder de vereenzelviging goed beoordeeld?
5. De rechtbank heeft op de zitting de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 4 juli 2025 [1] aan de orde gebracht, waarin de rechtbank zich heeft uitgesproken over het onder 3.1 genoemde beleid van verweerder ten aanzien van vereenzelviging. Ten aanzien van de eerste stap van de drietrapsbeoordeling heeft verweerder in dat beleid het volgende opgenomen:
De IND moet eerst vaststellen of de vrouw in haar individuele geval aannemelijk heeft gemaakt dat de vereenzelviging is te herleiden naar de fundamentele waarde, die de vrouw hecht aan de gelijkheid tussen vrouwen en mannen.
Bij de vraag of sprake is van vereenzelviging valt te denken aan het maken van zelfstandige en onafhankelijke keuzes die bepalend zijn voor haar identiteit op gebied van onderwijs en beroepsloopbaan, de mogelijkheid om economisch onafhankelijk te worden door buitenshuis te werken, de beslissing om alleen of in gezinsverband te wonen en de partnerkeuze.
Bij de beoordeling of sprake is van vereenzelviging betrekt de IND in ieder geval:

of de vrouw aannemelijk heeft gemaakt dat de vereenzelviging fundamenteel is voor de identiteit of morele integriteit van de vrouw;

aannemelijk is gemaakt dat deze vereenzelviging dermate fundamenteel is, dat van haar niet mag worden geëist dat zij dit opgeeft;

de wijze waarop de vrouw aan de in haar dagelijkse leven invulling aan geeft en in het verleden heeft gegeven;

de wijze waarop de vrouw hier invulling aan wenst te geven bij terugkeer naar land van herkomst.
5.1
De rechtbank heeft in die uitspraak geoordeeld dat verweerder op grond van het Unierecht zoals uitgelegd in het arrest K en L van het Hof van Justitie voor de Europese Unie [2] niet mag verlangen dat de vereenzelviging fundamenteel is voor de identiteit of morele integriteit van de vrouw of dat vereenzelviging dermate fundamenteel is dat niet van haar geëist mag worden dat zij dit opgeeft. De rechtbank sluit zich in zoverre aan bij deze uitspraak.
5.2
Verweerder heeft in het bestreden besluit tegengeworpen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar vereenzelviging fundamenteel is voor haar identiteit of morele integriteit. Verweerder heeft desgevraagd op zitting geen nader standpunt ingenomen op dit punt. De rechtbank stelt vast dat dit criterium de kern vormt van verweerders beoordeling van vereenzelviging. In het licht van het voorgaande acht de rechtbank daarmee onvoldoende gemotiveerd dat eiseres zich niet vereenzelvigt met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen.
Heeft verweerder alle relevante omstandigheden bij de beoordeling van de asielmotieven in acht genomen?
6. De rechtbank heeft ter zitting de vraag opgeworpen of uit de verklaringen van eiseres in het nader gehoor niet ook een gestelde vrees voor toegedichte verwestering blijkt. In dit verband wijst de rechtbank op de volgende twee voorbeelden:
“Op basis waarvan denkt u dat anderen in Ingoesjetië u als verwesterd zouden zien?
Ten eerste daar wonen mensen in kleine dorpen. Iedereen kent iedereen. Ten eerste, ik draag geen hoofddoek. Dan denken zij hoezo, waarom niet? Ten tweede, waarom ben je weg gegaan? En ook nog met andermans kinderen (…) [3]
“Zijn er nog andere kenmerken of gedachtes die u heeft, waaraan anderen zouden kunnen merken dat u verwesterd bent?
Wat ik al zei, die angst zit heel diep in mij. Ik ben een vreemde voor hun en ik verdien in hun ogen een straf. Nu in Ingoesjetië, word ik beschouwd als een vrouw zonder moreel.” [4]
Verweerder heeft hierover geen standpunt ingenomen. Eiseres heeft aangegeven dat toegedichte verwestering voor haar inderdaad ook speelt.
6.1
De rechtbank is van oordeel dat eiseres met haar verklaringen ook duidelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer vreest voor toegedichte verwestering. Los van de vraag of ze zich kan en wil conformeren aan bepaalde rolpatronen, wijst zij er immers ook op dat zij vreest dat anderen bepaalde oordelen op haar projecteren zonder dat zij daar invloed op kan uitoefenen. Verweerder heeft dit echter niet als asielmotief aangemerkt, dit beoordeelt bij de geloofwaardigheid van de vereenzelviging, dan wel anderszins beoordeeld of eiseres vanwege toegedichte verwestering een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Ingoesjetië. De rechtbank acht verweerders conclusie dat eiseres bij terugkeer geen gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade daarom onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank wijst in dit verband ook op artikel 10, tweede lid, van de Kwalificatierichtlijn [5] , dat bepaalt dat bij het beoordelen of de vrees van de verzoeker voor vervolging gegrond is, het niet ter zake doet of de verzoeker in werkelijkheid de kenmerken vertoont die aanleiding geven tot de vervolging indien deze kenmerken hem door de actor van de vervolging worden toegeschreven.
Conclusie en gevolgen
7. Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft verweerder het bestreden besluit op meerdere punten niet deugdelijk gemotiveerd. Het bestreden besluit is dus genomen in strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en moet worden vernietigd.
7.1.
Op grond van artikel 8:41a van de Awb beslecht de rechtbank het haar voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan zij het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen om de in overweging
4.1 en 5.1(5.2 en 6.1)geconstateerde gebreken te herstellen. Hierbij is van belang dat toepassing van de bestuurlijke lus eraan kan bijdragen dat deze procedure sneller wordt afgerond. Verweerder kan zijn besluit herstellen met een aanvullende motivering of voor zover nodig, met een nieuwe beslissing na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit.
7.2.
De rechtbank verzoekt verweerder om binnen een week aan de rechtbank en eiseres bekend te maken of hij gebruik maakt van de gelegenheid om de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. De rechtbank stelt de termijn waarbinnen verweerder de gebreken kan herstellen vast op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak. Indien verweerder gebruikt maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen twee weken te reageren op de herstelpoging van verweerder.
7.3.
Als verweerder van deze gelegenheid geen gebruik maakt, doet de rechtbank in beginsel zonder nadere zitting einduitspraak [6] .
7.4.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat betekent ook dat zij over de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt verweerder op binnen een week aan de rechtbank en eiseres mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;
- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak of plaatsing in het digitale dossier de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.V.A. Corstens, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Poortier, griffier.
Deze hersteluitspraak vervangt de inhoud van de uitspraak van 21 januari 2026 zonder
wijziging van de uitspraakdatum. De hersteluitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal
ondertekend en bekend gemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

2.ECLI:EU:C:2024:487.
3.Verslag gehoor opvolgende aanvraag, p. 13.
4.Verslag gehoor opvolgende aanvraag, p. 13
5.Richtlijn 2011/95/EU.
6.Artikel 8:57, tweede lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk.