ECLI:NL:RBDHA:2026:4390

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
AWB 24/20613 en NL24.38217
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.71 Vreemdelingenbesluit 2000Paragraaf B1/4.1 Vreemdelingencirculaire 2000Art. 8 EVRMArt. 8:81 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:83 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsvergunning bij stiefvader wegens niet voldoen aan MVV-vereiste ondanks privé- en gezinsleven

Eiseres, geboren in 2003 en van Filipijnse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning voor verblijf bij haar stiefvader in Nederland. Haar eerdere verblijfsvergunning werd met terugwerkende kracht ingetrokken nadat de arbeidsovereenkomst van haar stiefvader eindigde. De aanvraag van 6 maart 2024 werd afgewezen omdat zij niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en niet in aanmerking kwam voor een vrijstelling van dit vereiste.

De rechtbank oordeelt dat hoewel eiseres een privé- en gezinsleven in Nederland heeft, dit niet leidt tot een vrijstelling van het mvv-vereiste. De belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro valt in haar nadeel uit, mede omdat zij banden heeft met de Filipijnen en niet aannemelijk heeft gemaakt dat terugkeer tijdelijk onmogelijk is. De aanvullende gronden van bezwaar die op dezelfde dag als het besluit werden ingediend, zijn niet betrokken in de besluitvorming.

De rechtbank stelt vast dat verweerder de belangen van eiseres voldoende heeft meegewogen en gemotiveerd waarom het mvv-vereiste gehandhaafd blijft. Ook is het horen van eiseres in bezwaar terecht achterwege gebleven. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiseres krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 24/20613 en NL24.38217
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 12 januari 2026 in de zaken tussen

[eiseres] , eiseres/verzoekster (hierna: eiseres),

v-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Roozdar),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning voor verblijf bij haar (stief)vader en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 1 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 1 december 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. Referent en de moeder van eiseres hebben de zitting bijgewoond.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 2003 en heeft de Filipijnse nationaliteit. Ze heeft op 6 maart 2024 een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning met het verblijfsdoel ‘familie en gezin’. Eiseres beoogt verblijf bij haar (stief)vader, [referent] (referent). Eiseres is in 2014 Nederland ingereisd met haar moeder. In 2015 is hun verblijfsvergunning voor verblijf bij referent met terugwerkende kracht ingetrokken vanwege het beëindigen van de arbeidsovereenkomst van referent. In 2019 heeft eiseres een nieuwe aanvraag gedaan voor verblijf bij referent. Deze aanvraag wordt afgewezen. In 2023 komt de afwijzing in rechte vast te staan. Op 6 maart 2024 heeft eiseres onderhavige aanvraag gedaan. Ten tijde van de aanvraag van eiseres verbleef haar moeder in de Filipijnen. Ter zitting is gebleken dat zij inmiddels rechtmatig verblijf heeft in Nederland.
3. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen omdat zij niet in het bezit is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en zij niet in aanmerking komt voor een vrijstelling van het mvv-vereiste. [1] Eiseres heeft privéleven in Nederland en heeft gezinsleven met referent in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. [2] Dat leidt niet tot een vrijstelling van het mvv-vereiste omdat de belangenafweging in haar nadeel uitvalt. In het besluit op de eerdere aanvraag van eiseres voor verblijf bij referent is al beoordeeld dat het mvv-vereiste geen schending oplevert van artikel 8 van Pro het EVRM. Dat besluit is in rechte vast komen te staan en eiseres heeft in deze aanvraag geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die dat oordeel anders maken. Eiseres komt ook niet in aanmerking voor een vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule, nu zij niet heeft onderbouwd dat ze niet (tijdelijk) terug kan keren naar de Filipijnen om daar de mvv-aanvraag in te dienen.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres voert aan dat verweerder haar op grond van artikel 8 van Pro het EVRM had moeten vrijstellen van het mvv-vereiste. Verweerder heeft ten onrechte de informatie die eiseres naar voren heeft gebracht in de aanvullende gronden van bezwaar niet betrokken in de besluitvorming. Eiseres heeft deze gronden geüpload in het digitale procesdossier voordat verweerder op diezelfde dag het bestreden besluit heeft genomen. Verweerder had er dus van op de hoogte moeten zijn. Verder is de belangenafweging die is verricht in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM onvolledig en hebben de belangen van verweerder ten onrechte zwaarder gewogen dan die van eiseres. Daarnaast erkent verweerder dat eiseres op grond van artikel 8 van Pro het EVRM verblijfsrecht heeft in Nederland, waardoor het handhaven van het mvv-vereiste een schending oplevert van artikel 8 van Pro het EVRM. Eiseres voert verder aan dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar. Ten slotte is eiseres bereid om naar de Filipijnen te reizen en daar de mvv-aanvraag in te dienen, indien verweerder expliciet toezegt dat die aanvraag zal worden ingewilligd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Verweerder kan een aanvraag om een verblijfsvergunning afwijzen als de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv. [3] De vreemdeling kan worden vrijgesteld van dit vereiste als wordt voldaan aan één van de genoemde situaties in het tweede lid van artikel 3.71 van het Vreemdelingenbesluit 2000, bijvoorbeeld als uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 van Pro het EVRM. In paragraaf B1/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) staan ook nog andere situaties genoemd die tot vrijstelling kunnen leiden. Niet in geschil is dat eiseres niet aan het mvv-vereiste voldoet. Naar het oordeel van de rechtbank geeft wat eiseres naar voren heeft gebracht geen grond voor het oordeel dat zij hiervan vrijgesteld had moeten worden. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
5.1.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat verweerder niet alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken in de besluitvorming. Verweerder heeft aangenomen dat er sprake is van gezinsleven tussen eiseres en referent en dat eiseres privéleven heeft in Nederland. Vervolgens heeft verweerder een belangenafweging gemaakt die in het nadeel van eiseres is uitgevallen. Verweerder heeft met de vaststelling dat sprake is van gezinsleven en van privéleven kenbaar betrokken dat eiseres een band heeft met referent, dat zij een studie volgt en haar leven heeft opgebouwd in Nederland. Ook in de belangenafweging zijn deze omstandigheden kenbaar betrokken.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is ook niet gebleken dat de belangen van eiseres onvoldoende bij de belangenafweging zijn betrokken of dat aan haar belangen onvoldoende gewicht is toegekend. Verweerder heeft in de belangenafweging de belangen van eiseres kenbaar benoemd en betrokken. Ook heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom de belangenafweging in haar nadeel uitvalt en dat de inbreuk op haar gezins- en privéleven niet maakt dat haar uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 van Pro het EVRM. Verweerder heeft hierbij mogen betrekken dat eiseres banden heeft met de Filipijnen en dat niet is gebleken van een objectieve belemmering om het gezinsleven en privéleven in de Filipijnen voort te zetten. De rechtbank zoekt hiermee aansluiting bij haar eerdere uitspraak van 26 maart 2021. [4]
5.3.
Ten aanzien van de informatie en gestelde belangen die eiseres in de aanvullende gronden van bezwaar naar voren heeft gebracht, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het voor haar eigen risico komt dat de aanvullende gronden zonder aankondiging zijn geüpload in het digitaal dossier op dezelfde dag als de beschikking is geslagen en om die reden niet zijn betrokken in de besluitvorming. De heroverweging in bezwaar vindt in beginsel plaats met inachtneming van alle feiten en omstandigheden zoals die zijn op het tijdstip van de heroverweging. De aanvullende gronden van bezwaar waren niet bekend bij verweerder ten tijde van het nemen van het besluit en zijn dan ook terecht niet betrokken. Eiseres heeft deze informatie geactualiseerd en aangevuld en opnieuw naar voren gebracht in beroep. Ook nu ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat de belangenafweging die verweerder in het bestreden besluit heeft verricht, onvolledig is geweest. Eiseres heeft erop gewezen dat haar moeder inmiddels verblijfsrecht in Nederland heeft en dat er recent overstromingen hebben plaatsgevonden in de Filipijnen waarbij het huis van haar oma is verwoest. Deze gebeurtenissen hebben plaatsgevonden nadat het bestreden besluit was genomen. Op het moment dat het bestreden besluit werd genomen, verbleef de moeder van eiseres in de Filipijnen en had zij geen verblijfsrecht in Nederland. Verweerder heeft deze omstandigheden en de daaruit volgende belangen van eiseres daarom niet kunnen betrekken in de belangenafweging. Dat verweerder deze omstandigheden niet heeft betrokken in de belangenafweging ten tijde van het bestreden besluit, leidt dus niet tot het oordeel dat die belangenafweging onvolledig was. De rechtbank toetst het bestreden besluit ex tunc, dus naar de situatie zoals deze was ten tijde van het nemen van het besluit, zonder rekening te houden met nieuwe feiten of omstandigheden die zich daarna hebben voorgedaan, en komt tot het oordeel dat het besluit rechtmatig is genomen.
5.4.
De rechtbank heeft begrip voor de frustratie van eiseres over het feit dat verweerder niet gelijktijdig heeft beslist op de aanvragen van haar en haar moeder. Daarmee had immers voorkomen kunnen worden dat in de besluitvorming op de aanvraag van eiseres werd betrokken dat haar moeder in de Filipijnen verblijft (en dat eiseres bij haar moeder kan verblijven gedurende de mvv-aanvraag), terwijl aan haar moeder in de tussentijd een verblijfsvergunning in Nederland is verleend. Zoals ter zitting is toegelicht, staat het eiseres vrij om een nieuwe aanvraag in te dienen als zij dit nieuwe feit wil laten betrekken in de toetsing van haar verblijfsaanvraag.
6. Verder volgt de rechtbank eiseres niet in haar stelling dat verweerder in de besluitvorming heeft erkend dat zij op grond van artikel 8 van Pro het EVRM verblijfsrecht heeft in Nederland. Verweerder heeft immers in deze procedure alleen beoordeeld dat uitzetting van eiseres niet in strijd zou zijn met artikel 8 van Pro het EVRM. De beroepsgrond slaagt niet.
Hoorplicht
7. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft mogen afzien van het horen van eiseres in de bezwaarfase. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat hij in het aangevoerde in bezwaar geen aanleiding heeft hoeven zien om te horen, nu eiseres in bezwaar, voor het nemen van het besluit, geen nieuwe informatie of bewijsstukken heeft ingebracht.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond.
9. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [5] .
10. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 3.71 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en paragraaf B1/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Op grond van artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
4.AWB 19/6702 (niet gepubliceerd).
5.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.