ECLI:NL:RBDHA:2026:4389

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
AWB 24/15500
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.71a Vreemdelingenbesluit 2000Art. 3.10 Voorschrift Vreemdelingen (VV)Artikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens niet voldoen aan inburgeringsvereiste ondanks medische omstandigheden

Eiseres, een Nigeriaanse vrouw, vroeg een machtiging voor voorlopig verblijf (mvv) aan om bij haar Nederlandse echtgenoot te verblijven. De aanvraag werd afgewezen omdat zij niet had aangetoond dat zij geslaagd was voor het inburgeringsexamen in het buitenland en geen geldige ontheffing van deze verplichting kon krijgen.

Eiseres stelde dat zij vanwege een lichte verstandelijke beperking vrijstelling van het inburgeringsvereiste zou moeten krijgen, onderbouwd met een verklaring van haar behandelend arts in Nigeria. Verweerder baseerde zich echter op rapporten van door de Nederlandse ambassade aangewezen artsen die geen verstandelijke beperking vaststelden. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht aanvullende vragen had gesteld aan de ambassadearts en dat het rapport zorgvuldig was opgesteld.

Ook de overige persoonlijke omstandigheden van eiseres, zoals de afstand en kosten om het examen af te leggen, boden geen grond voor ontheffing. De rechtbank concludeerde dat verweerder zijn vergewisplicht had nageleefd en dat het beroep ongegrond was. Eiseres kreeg geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wegens niet voldoen aan het inburgeringsvereiste is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/15500

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,

v-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. B.A.A. Adonai-Ohachu),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging voor voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf bij haar echtgenoot.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 6 oktober 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 september 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, referent en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1972 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Zij heeft op 19 april 2023 een aanvraag gedaan voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf bij haar echtgenoot, [referent] (referent). Eiseres en referent zijn getrouwd in Nigeria in maart 2023. Referent heeft de Nederlandse nationaliteit.
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiseres niet heeft aangetoond dat zij is geslaagd voor het basisexamen inburgering buitenland en niet heeft aangetoond dat zij voor ontheffing van het inburgeringsvereiste in aanmerking komt. Eiseres heeft met de overgelegde medische rapporten niet aangetoond dat zij een verstandelijke beperking heeft en daarom niet van haar verwacht zou mogen worden dat ze zich inspant om het inburgeringsexamen te halen. Ook de kosten en lange reis die zij moet maken om het inburgeringsexamen op een Nederlandse ambassade af te leggen, vormen geen reden om eiseres te ontheffen van het inburgeringsvereiste. De afwijzing van de aanvraag levert ten slotte geen schending op van artikel 8 van Pro het EVRM. [1] Hoewel er gezinsleven is tussen eiseres en referent, valt de belangenafweging in het nadeel van eiseres uit.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres voert aan dat verweerder haar ten onrechte niet heeft vrijgesteld van de inburgeringsplicht. Eiseres heeft een verklaring overgelegd van haar behandeld arts dr. [naam 1] waarin op basis van een afgenomen IQ test wordt geconcludeerd dat het IQ van eiseres tussen de 50 en 70 ligt. Naar Nederlandse maatstaven is hiermee sprake van een lichte verstandelijke beperking. Verweerder heeft zich echter ten onrechte gebaseerd op de rapporten van de artsen die door de ambassade zijn aangewezen, waarin wordt aangegeven dat eiseres geen verstandelijke of andere cognitieve beperkingen heeft. Het rapport van de arts dr. [naam 2] is niet inzichtelijk en niet betrouwbaar, nu hij niet deskundig is op het gebied van (neuro)psychiatrie. Hij heeft zich bovendien niet gehouden aan de zorgvuldigheidseisen die de ambassade stelt bij het vaststellen van psychiatrische aandoeningen en verstandelijke beperkingen. [naam 2] had in de verklaring van [naam 1] aanleiding moeten zien om een specialist in te schakelen, zoals de instructies van de ambassade voorschrijven. Daarnaast houdt [naam 2] informatie achter door niet te vermelden dat eiseres tijdens het onderzoek niet zelf het woord voerde omdat ze het gesprek niet kon volgen. Verder is het rapport van [naam 2] inhoudelijk onjuist, nu hij ten onrechte stelt dat de conclusie in de verklaring van [naam 1] niet is gebaseerd op empirisch bewijs en ten onrechte stelt dat het feit dat eiseres heeft gewerkt en een kind heeft opgevoed erop wijst dat zij geen verstandelijke beperking heeft. Ter zitting heeft eiseres ook naar voren gebracht dat [naam 2] ten tijde van het medisch onderzoek niet was ingeschreven in het register van artsen in Ghana
Eiseres voert verder aan dat verweerder de hardheidsclausule had moeten toepassen gelet op haar overige persoonlijke omstandigheden, waaronder haar leeftijd, medische problematiek en de afstand die zij af moet leggen om het examen te maken op een Nederlandse ambassade buiten Nigeria. Ten slotte heeft verweerder de hoorplicht geschonden door eiseres niet te horen in bezwaar.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiseres in redelijkheid niet heeft vrijgesteld van de inburgeringsplicht. Verweerder heeft voldaan aan zijn vergewisplicht en heeft de rapporten van de door de ambassade aangewezen arts ten grondslag kunnen leggen aan de conclusie dat niet is aangetoond dat eiseres een verstandelijke beperking heeft en om die reden moet worden vrijgesteld van het inburgeringsvereiste. Ook in de persoonlijke omstandigheden van eiseres heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om haar vrij te stellen van het inburgeringsvereiste. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot haar oordeel is gekomen.
Ontheffing van de inburgeringsplicht vanwege medische omstandigheden
6. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres niet aan het inburgeringsvereiste voldoet nu zij het inburgeringsexamen niet heeft behaald. Uit artikel 3.71a, tweede lid, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 volgt dat verweerder de mvv-aanvraag niet afwijst vanwege het inburgeringsvereiste buitenland, als de vreemdeling gelet op bijzondere individuele omstandigheden bij handhaving van de verplichting om het inburgeringsexamen met goed gevolg af te leggen, onmogelijk of uiterst moeilijk zijn recht op gezinshereniging kan uitoefenen. Verweerder beoordeelt of de vreemdeling in aanmerking komt voor ontheffing op basis van zijn persoonlijke situatie, de aangevoerde omstandigheden, de getoonde wil om voor het examen te slagen, en de inspanningen die daarvoor geleverd zijn. [2] Een vreemdeling die vanwege medische omstandigheden een beroep doet op de ontheffing van de inburgeringsplicht dient een verklaring van een door de ambassade aangewezen arts te overleggen. [3]
6.1.
Uit het bovenstaande kader volgt dat het in de eerste plaats aan eiseres is om te onderbouwen dat zij vanwege haar medische omstandigheden ontheven dient te worden van de inburgeringsplicht. Eiseres heeft daartoe eerst een verklaring overgelegd van dr. [naam 1], haar behandeld arts in Nigeria. Nu dit geen verklaring is zoals bedoeld in artikel 3.10 van het VV, heeft verweerder van eiseres mogen verlangen dat zij een verklaring van een door de ambassade aangewezen arts over zou leggen. Daar komt bij dat de verklaring van [naam 1] is overgelegd zonder een onderliggend dossier. Verweerder heeft de afgenomen IQ test, op basis waarvan [naam 1] concludeert dat eiseres een IQ van tussen de 50 en 70 heeft, dus niet kunnen inzien. Gelet hierop heeft verweerder niet kunnen nagaan of de conclusie van de behandelend arts concludent is.
6.2.
De rechtbank stelt verder vast dat eiseres tweemaal is onderzocht door artsen die zijn aangewezen door de Nederlandse ambassade in Ghana. Deze artsen zijn door de ambassade geïnstrueerd om te onderzoeken of er medische omstandigheden zijn die aanleiding geven om eiseres vrij te stellen van het inburgeringsvereiste. In het eerste onderzoek, is niet ingegaan op haar cognitieve capaciteiten. Uit het rapport van het tweede onderzoek, is niet op te maken of de arts [naam 2] de verklaring van [naam 1] heeft betrokken. Eiseres heeft daarom op het rapport gereageerd en in haar reactie in twijfel getrokken of het rapport wel inzichtelijk en concludent is. Zij heeft dat onderbouwd met verwijzingen naar de kwalificaties van [naam 2] en zijn afwijken van de instructies die de ambassade stelt bij het vaststellen van psychiatrische aandoeningen en verstandelijke beperkingen. Dit heeft aanleiding gegeven voor verweerder om zich te vergewissen van de betrouwbaarheid van het rapport alvorens het ten grondslag te leggen aan de besluitvorming. Verweerder heeft aanvullende vragen gesteld aan [naam 2] om te verduidelijken of en hoe de verklaring van [naam 1] is betrokken in het onderzoek. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het stellen van de aanvullende vragen heeft voldaan aan zijn vergewisplicht. Aan de hand van de antwoorden van [naam 2] heeft verweerder voldoende inzichtelijk gemaakt hoe de verklaring van [naam 1] en zijn conclusies over het IQ van eiseres zijn betrokken in het medische onderzoek van [naam 2]. Verweerder heeft daarom uit kunnen gaan van de zorgvuldigheid van het rapport van [naam 2]. Daar heeft verweerder ook bij kunnen betrekken dat het opmerkelijk is dat in de verklaring van [naam 1] wordt aangegeven dat eiseres geen medische problemen heeft, terwijl door beide ambassade artsen is vastgesteld dat er sprake is van medische aandoeningen, zoals oogklachten en een chronische hoge bloeddruk. Verweerder heeft dan ook uit kunnen gaan van het rapport van [naam 2] en heeft op basis van dit rapport kunnen concluderen dat er geen aanleiding is om eiseres vanwege medische omstandigheden vrij te stellen van het inburgeringsvereiste.
Overige persoonlijke omstandigheden
7. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat verweerder in de overige persoonlijke omstandigheden van eiseres aanleiding had moeten zien om haar te ontheffen van het inburgeringsvereiste. Niet is onderbouwd dat de medische omstandigheden van eiseres de reis naar een Nederlandse ambassade onmogelijk maken. Ook is niet toegelicht welke kosten eiseres daarbij moet maken en waarom zij die kosten (eventueel met behulp van referent) niet kan dragen. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat het voor eiseres wel mogelijk is gebleken tweemaal naar [plaats] te reizen om zich te laten onderzoeken door de door de ambassade aangewezen artsen. Verder heeft verweerder mogen betrekken dat eiseres nog geen pogingen heeft gedaan om het inburgeringsexamen af te leggen of inspanningen daartoe heeft verricht. Verweerder heeft aangegeven dat er voor eiseres studiemateriaal beschikbaar is voor analfabeten en dat zij de examenonderdelen afzonderlijk kan afleggen. De door eiseres ter zitting ingenomen stelling dat op de ambassade in Ghana geen lesmateriaal beschikbaar is voor analfabeten en mensen met een verstandelijke beperking, is niet onderbouwd en doet daarom niet af aan het voorgaande.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Zie paragraaf B1/4.7 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
3.Dat volgt uit artikel 3.10 van het Voorschrift Vreemdelingen (VV).