ECLI:NL:RBDHA:2026:4387
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende bewijs familieband en economische binding
Eiser, een Marokkaanse staatsburger geboren in 1999, heeft een visum kort verblijf aangevraagd voor vakantie in Nederland met als doel familiebezoek. De aanvraag werd door de minister van Buitenlandse Zaken afgewezen omdat eiser het doel van het verblijf en zijn voornemen om tijdig terug te keren naar Marokko onvoldoende had aangetoond. De familieband met de opgegeven referent, een neef, kon niet worden bevestigd en er bestond redelijke twijfel over de economische en sociale binding van eiser met Marokko.
Eiser voerde in beroep aan dat hij voldeed aan de vereisten van de Visumcode, onderbouwde zijn garantstelling, retourticket en vastgoedbezit in Marokko, en dat een belangenafweging had moeten plaatsvinden waarbij zijn belangen zwaarder zouden wegen. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder een ruime beoordelingsmarge heeft en dat het besluit slechts terughoudend getoetst kan worden.
De rechtbank stelde vast dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat het doel van het verblijf onvoldoende aannemelijk is vanwege het ontbreken van bewijs van de familieband. Ook is onvoldoende aangetoond dat eiser een substantiële economische binding heeft met Marokko die zijn terugkeer zou garanderen. Een individuele belangenafweging was niet mogelijk omdat de Visumcode dwingende weigeringsgronden bevat.
Het beroep is daarom ongegrond verklaard. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter A.M. de Wit op 12 januari 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van familieband en economische binding.