ECLI:NL:RBDHA:2026:4364

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
NL26.6234
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitArt. 5 Richtlijn 2008/115Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiseres tegen de maatregel van bewaring die op 2 februari 2026 door verweerder was opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiseres stelde dat de maatregel onvoldoende was gemotiveerd en betwistte de grondslagen voor de bewaring.

Tijdens de zitting op 11 februari 2026 werd het onderzoek geschorst om aanvullende stukken te overleggen. Na ontvangst van deze stukken en schriftelijke reacties van partijen sloot de rechtbank het onderzoek op 16 februari 2026. De rechtbank voerde een ambtshalve toetsing uit, mede op basis van relevante arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waaronder het arrest van 8 november 2022 en het arrest Adrar van 4 september 2025.

De rechtbank stelde vast dat de maatregel van bewaring voldoende was gemotiveerd en dat er concrete aanknopingspunten waren voor een overdracht op grond van de Dublinverordening. De verwijzing naar Zwitserland als verantwoordelijke lidstaat was gerechtvaardigd, ook al was later een claim bij Duitsland ingediend. Er was geen sprake van schending van het non-refoulementbeginsel of het belang van het familie- en gezinsleven.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.6234

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , eiseres

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. T. Thissen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).

Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Mourabit. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen om stukken aan het dossier toe te voegen. Eiseres heeft op 12 februari 2026 gereageerd op de stukken. Verweerder heeft op 16 februari 2026 op eiseres gereageerd.
Op 16 februari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. De rechtbank doet met toestemming van partijen zonder nadere zitting uitspraak.

Overwegingen

Motivering van de grondslag van de maatregel
Volgens eiseres is de maatregel van bewaring onvoldoende gemotiveerd. In de maatregel wordt alleen naar Zwitserland als verantwoordelijke lidstaat verwezen, terwijl de overdrachtstermijn na het claimakkoord van Zwitserland uit 2021 is verlopen en eiseres vervolgens is opgenomen in de nationale procedure.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de maatregel voldoende dat er concrete aanknopingspunten bestonden dat eiseres onder de werkingssfeer van de Dublinverordening valt. Verweerder verwijst in de motivering van de maatregel naar Zwitserland als verantwoordelijke lidstaat, en heeft daarin ook opgenomen dat er op 11 december 2025 een Dublinclaim uit Duitsland is ontvangen en dat deze op 16 december 2025 door Nederland is geweigerd. Uit die weigering blijkt dat en waarom verweerder er toen vanuit ging dat Zwitserland mogelijk nog altijd verantwoordelijk was op grond van de Dublinverordening. Dat in de motivering van de maatregel verder alleen naar Zwitserland wordt verwezen en niet naar Duitsland, wordt daardoor verklaard en is geen motiveringsgebrek. Voor zover verweerder later tot Duitsland als (mogelijk) verantwoordelijke lidstaat is gekomen in plaats van Zwitserland, zoals blijkt uit het na de zitting overgelegde claimverzoek bij de Duitse autoriteiten van 4 februari 2026, doet dit daar niet aan af. De beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiseres:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van haar identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met haar aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over haar identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
en als lichte gronden vermeld dat eiseres:
4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiseres heeft zich met betrekking tot de gronden van de maatregel van bewaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
5. De rechtbank stelt vast dat alle zware gronden en alle lichte gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel van bewaring en die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, tezamen voldoende zijn om de maatregel van bewaring te dragen. Er volgt namelijk uit dat er een risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken.
Ambtshalve toetsing
6. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiseres of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eiseres haar verwijdering.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.